Bewoners

Inhoud

De eerste bekende bewoners

De eerste naam die verbonden kan worden met de buurt waar we wonen is Goudoever. Waarschijnlijk is de naam ontstaan omdat het gebied zo vruchtbaar was vanwege de rivierarmen die er hebben gestroomd. Er zijn vele theorieën over het verloop van de Kromme Rijn waarbij de een zegt dat deze over het plein voor het Spoorwegmuseum en vandaar naar de Singel liep bij Lepelenburg, maar anderen weer zeggen dat deze veel noordelijker liep (via een proefsleuf die gegraven werd op Lepelenburg kwamen destijds  inderdaad 2 restgeulen aan het licht). Iedereen is het er in ieder geval wel over eens dat er veel beken en takken van bijvoorbeeld de Minstroom in dit gebied hebben gelopen (ik kan dat ondersteunen: in 1977 of 1978 hebben we een deel van onze tuin afgegraven om een nieuw grasveld aan te leggen, en toen was er een overduidelijk spoor zichtbaar in de grond van een brede sloot of kleine beek die vanuit Hugo de Groot 6 via Johan de Witt 7 naar de hoek Hugo de Groot-Johan de Witt liep). Men neemt aan dat de vele vijvers die er destijds bestonden in de tuinen van Maliebaan panden in feiten overblijfselen van zulke watertjes zijn. In een ervan, bij Oudwijk, heeft men ooit een anker gevonden dat waarschijnlijk van Romeinse origine is, wat er voor pleit dat er lang geleden behoorlijk bevaarbare waters moet hebben gelopen. Er zijn een aantal grondboringen in de loop der tijd verricht en die lieten in dit deel van Utrecht inderdaad rivierafzettingen zien.

Op vele plaatsen wordt genoemd dat er in onze buurt veel gewassen werden verbouwd, en vooral dat er boomgaarden waren. Er waren ook boerderijen, die vielen onder het kapittel van de Dom (alles was toen in bezit van een kerk en de bisschop van Utrecht had enorme bezittingen), en op verschillende plaatsen wordt de familie Goudoever (ook wel gespeld als Goutoever) genoemd, omdat ze daar de boomgaard huurden. De eerste hofstede (= curtis) Goudoever werd ook wel Coddenkamp of Heer Ludolfskamp genoemd, in pachtbrieven uit 1441 van het Dom kapittel. Ik heb nog niet kunnen achterhalen waar die namen vandaan komen. In 1929 schreef G Van Klaveren in het tijdschrift  “De Nederlandse Leeuw”(blz 367-369) dat naar alle waarschijnlijkheid iedereen met de achternaam (Van) Goudoever in feite van deze locatie afkomstig is. De oudste betrouwbare verwijzing is van 21 februari 1412: “Gheryt Mastick ende Liesbetten sinen echten wive” verkregen een pacht van “een hofstede gelegen op Goutoever’ en dat dit gelegen was “achter St Servaesheck”.

Er waren in de 12e eeuw een paar belangrijke plaatsen in onze buurt. Twee ervan werden bepaald door hun iets hogere ligging: waar Abstede en Oudwijk lagen, lag een a twee meter meer zand waardoor het net boven de rest uitstak en (denk ik) men daardoor drogere voeten hield in een nat seizoen. Het centrum van Abstede lag toen waar nu de Sterrenwijk ligt. Van daaruit liep een strook land die ook nog wat hoger lag, en daarmee de weg vormde, via een stukje Abstederdijk, dan de Notebomenlaan, naar de Vossegatselaan en zo verder naar het Oosten. Dat was echt de hoofdweg naar Keulen! De andere belangrijke uitvalsweg was de Nieuwesteenweg of Nedersteenweg, die liep waar nu de Biltstraat loopt.

Oudwijk lag ook wat hoger. Er is geen Nieuwwijk bekend, en waarom Oudwijk zo genoemd werd weet ik niet.  In 1135 was er een vrouwenklooster gesticht door Mechtildis wat in 1164 voor het eerst als Altwyck wordt aangeduid (in 1165 noemen ze het Oldwyck: Nederlands, Duits en Engels lagen nog erg dicht bij elkaar!). Er is aardig wat hierover geschreven, omdat het uitgroeide tot zo’n rijk geheel, met een kerk, boerderij, brouwhuis, personeelsgebouwen, ringmuur en gracht. Waarschijnlijk is een deel van die rijkdom te verklaren uit het feit dat de abdij bedoeld was voor dames uit aanzienlijke kringen. Er was nog een abdij, de Servaasabdij, gesticht in 1224 of 1225,  die net binnen de stad lag waar nu Servaasbolwerk ligt. Ook daar konden de rijkere dames terecht. Abdessen van St Servaas waren vaak afkomstig van Oudwijk. En Goudoever lag dus tegenover St Servaas.

De St. Servaasabdij omstreeks 1650
De St. Servaasabdij omstreeks 1650

Als laatste is het aardig te noemen dat er vlakbij plaatsen waren waar mensen met lepra  (melaatsheid) moesten gaan wonen. Mensen met de pest mochten gewoon in de stad blijven wonen maar melaatsen moesten perse op aangewezen gebieden buiten binnensteden verblijven; vreemd als je bedenkt hoe besmettelijk de pest is en hoe veel minder lepra dat is. “Melatenland” lag in Utrecht waar nu de Kromhoutkazerne staat en bijvoorbeeld het Rietveld-Schröderhuis ligt. De Leeuwenbergkerk werd daarvoor Leeuwenberghgasthuis genoemd (naar mevrouw Agnes Van Leuwenbergh die haar vermogen hiervoor achterliet) en waar melaatsen verpleegd konden worden.

Kaartje met de bebouwing van begin 19e eeuw waarop melatenland , Oudwijk en de Servaasabdij ingetekend zijn (Uit: LA Van der Tuuk, De vroege topografie van de Utrechtse buitengerechten Oudwijk en Abstede, 2001).
Kaartje met de bebouwing van begin 19e eeuw waarop melatenland , Oudwijk en de Servaasabdij ingetekend zijn (Uit: LA Van der Tuuk, De vroege topografie van de Utrechtse buitengerechten Oudwijk en Abstede, 2001).

Voordat er straten kwamen

In de periode rond 1100 waarin Abstede en Oudwijk de belangrijkste plaatsen waren in de regio ten oosten van de binnenstad van Utrecht, tot aan de ontwikkeling van de buurt vanwege de aanleg van de Oosterspoorlijn en bouw van de straten, is er niet heel veel bekend van bewoners. Op tekeningen en schilderijen uit die tijd wordt de regio steevast aangegeven met grote aantallen boomgaarden en soms ook andere gewassen. Een aantal malen wordt er her en der een boerderij ingetekend, maar het is bekend dat dat vaak de fantasie van de maker aangaf en het niet echt betrouwbaar huizen en boerderijen aangaf. Ze liggen dan ook vaak op verschillende plaatsen. De enige uitzondering is misschien de kopergravure van Adam (anderen zeggen Adriaan) van Vianen uit 1598, die het Centraal Museum in Utrecht heeft. De plattegrond van de stad is erg nauwkeurig (hoewel echte specialisten er natuurlijk toch kleine foutjes in zien), en boven- en onderaan wordt een gezicht op de stad getoond vanuit het oosten respectievelijk het westen. Op die vanuit het westen is links de opening in de stadsmuren naar het Vredenburg goed te zien (het kasteel was al weg maar twee bastions staan er nog wel). Op de plattegrond is het bolwerk dat op de rechterbovenhoek staat Sonnenburg, en die daarnaast, net iets rechts van het midden, is Lepelenburg. Je kunt ook de Minstroom zien lopen; de Maliebaan staat er nog niet op want die bestond toen nog niet. Je ziet nog wel net een puntje van Oudwijk. De buurt waar we nu wonen ligt links op het bovenste stadsgezicht. Er wordt op dat moment geen enkel huis of boerderij aangegeven.

Utrecht 1598, met bovenaan een stadsgezicht vanuit het oosten en onderaan vanuit het Westen © Centraal Museum.
Utrecht 1598, met bovenaan een stadsgezicht vanuit het oosten en onderaan vanuit het Westen © Centraal Museum.

Eerder is al genoemd dat er een hoornwerk werd aangelegd op de plaats waar we nu wonen rond 1629, en in 1636 de Maliebaan werd aangelegd op de plaats waar al een zandpad naar Oudwijk liep, en de hortus medicus in het hoornwerk in 1639 kwam te liggen. Dat hoornwerk wordt rond 1675 weer afgebroken. De eigenaar van de grond blijft gedurende vele jaren het Dom kapittel, die het telkens verpacht. Of de pachters dan ook hier wonen is niet duidelijk uit de stukken. Er wordt in de stukken vooral gesproken over boomgaarden maar ook van ‘wey- en hooyland’.

Dat verandert in 1659 wanneer de grond door het kapittel verkocht wordt aan Hen(d)rick van Nellesteijn (?-1675). Namens het Domkapittel tekende Willem van Weede, lid van het kapittel, en afkomstig uit de familie Van Weede die eeuwenlang op bestuurlijk vlak veel functies heeft gehad. De Van Nellesteijn (of Nellesteyn) is ook zo’n bestuurdersfamilie, met enkele Utrechtse burgemeesters, leden van de Raad van State en maarschalken in hun familie; ze hebben zelfs een eigen graftombe in Leersum en een eigen wapen:

De graftombe in Leersum en het Wapen van de Van Nellesteijns

Hendrick is de broer van Johan van Nellesteijn, en die was op dat moment burgemeester van Utrecht. In 1661 liet deze Johan twee huizen bouwen aan het Janskerkhof (16 en 18) die er nu nog staan (hoewel een ervan wel flink herbouwd is). Het is niet duidelijk of Hendrick de grond kocht voor zichzelf of voor de gemeente Utrecht. Bovendien is Hendrick zelf weer domheer geworden van het Domkapittel; hoe dit precies liep is niet meer te achterhalen en of dit allemaal volgens de regels is gelopen is ook niet meer na te gaan. Hendrick was getrouwd met Maria van Veen (?-?), ze woonden aan de Nieuwe Gracht (‘ontrent St Martens Dam’) en ze kregen volgens sommige sites twee kinderen, Gualtherus  (11.10.1629 – 15.06.1698) en Adriana (16.02.1647 – ?-1707) maar volgens anders sites vijf: ook nog Maria, Assuerus en Gerard. Gualtherus kreeg één zoon, Steven (28.09.1677-13.11.1729), die op zijn beurt ook één zoon kreeg, Wouter Hendrik (06.09.1716-26.02.1784). Zijn zus Adriana kreeg één dochter (Maria Simonides De Nijs (31.07.1677 – 21.07.1700) en overleed kort na de bevalling van haar zoon Henry Ahasveros Wttewaal Heer van Wickeburg (26.01.1699 – 08.01.1775). Bij geen van deze mensen vond ik een notariële akte die aangaf dat ze de grond weer verkochten. Maar het bijzondere is dat er nog een Hendrick van Nellesteijn is in diezelfde tijd: die leefde tot 23.09.1710 en was getrouwd met Antonia van Zijl (05.12.1712), en zij kregen ook een zoon Gualtherus op 22.02.1699. Het is niet uit te sluiten dat zij degene waren die de grond kochten; er is alleen de handtekening die aangeeft om welke Hendrick het gaat, andere bijzondere kenmerken worden in de stukken niet aangegeven. Ik denk dat het de broer van de burgemeester was, omdat hij ook zulke goede connecties had met het Domkapittel.

De koopakte van de overdracht van alle grond waar wij nu wonen, aan Hendrick van Nellesteijn, in 1659

Omdat niet te bepalen is om welke Hendrick Van Nellesteijn het gaat, ben ik verder in het archief alleen op de naam Van Nellesteijn gaan zoeken, zodat ik zeker de juiste Hendrick of diens nazaten er bij had. Dan vind je een enorm grote hoeveelheid stukken die gaan over verkoop van stukken land in de directe omgeving van Utrecht: de familie was ongetwijfeld een (erg) groot grootgrondbezitter. Ook stukken grond in de omgeving zoals de begraafplaats Kovelswade of huizen tussen de Schalkesteeg (de latere Schalwijkstraat) en Brigittestraat waren destijds in hun bezit, maar ze hadden zelfs grond in Wirdum in Friesland! Maar een bewijs verkoop van de stukken grond waar wij nu wonen heb ik niet kunnen vinden. Er is wel in 1748 een verhuur van ‘twee mergen 207 roeden bouwland’ door het ‘Leeuwenberghsgasthuys’ aan Jasper Verheem die zelf woont ‘buyten Tollesteegpoort’ maar of dat onze grond is blijft onzeker. Het komt ook omdat het precies aangeven door de notaris om welke grond een verkoop ging, moeilijk kon zijn als er geen straten waren die genoemd konden worden.

Er moeten wel transacties geweest zijn. Op een kaart van Utrecht uit 1776, gemaakt op verzoek van de Fundatie der Vrijvrouwe van Renswoude (die ook het weeshuis hadden aan het eind van de Lange Nieuwstraat), staan al wel 2 nederzettingen ingetekend en die blijven nadien op die plaats liggen. Een ervan ligt precies op de plaats waar we later het Rozenhofje zien, en misschien is het wel het Rozenhofje. Dat zou betekenen dat het Rozenhofje toch wel erg oud geweest moet zijn, en ouder dan ik eerder vond, want een beschrijving ervan vind ik verder niet eerder dan 1832.

De eerste kadasterkaart

De kadasterkaart van 1832 is de oudste ‘cartografische bezitsregistratie’ van Nederland. Het was Napoleon die hiermee een begin heeft gemaakt. Van een zeer groot deel van Nederland zijn de percelen  en gebouwen ingetekend en wordt informatie aangegeven wie de eigenaar was en hoe groot het was. De reden waarom dat gebeurde was geld: op deze manier kon bepaald worden hoeveel belasting de eigenaar / bewoner moest betalen. De site is vrij toegankelijk: www.hisgis.nl Per provincie is er een kaart die je vele malen kunt vergroten , en door rechts te klikken krijg je info van elk perceel dat waar je je cursor op zet. Je kunt ook de huidige situatie er een beetje door laten schijnen, zodat het heel precies is aan te geven hoe de situatie van vroeger zich vertaalt naar die van nu.

Ik heb onze buurt opgezocht natuurlijk: hieronder de kaart zelf, met in lichtblauw doorschemerend hoe de situatie nu is. Het grote oranje-gele stuk is natuurlijk de Maliebaan, en de Zonstraat met de  kruising met de Maliesingel onderaan de figuur is ook een makkelijk punt om je te oriënteren.

Kadasterkaart uit 1832 van onze buurt
Kadasterkaart uit 1832 van onze buurt

Je kunt goed begrijpen waarom de Nachtegaalstraat toen nog Nachtegaalsteegje genoemd werd, en dat de nu nog bestaande Baanstraat in feite eerst doorliep als smalle straat tot aan de Maliebaan als de derde Baanstraat (Reiger was pas 70 jaar later Burgemeester, en de verbreding van de Burg Reigerstraat werd pas tussen 1910 en 1920 verwezenlijkt).

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Kadasterkaart-uit-1832-van-onze-buurt-met-nummers-1024x741.jpg
Kadasterkaart uit 1832 van onze buurt met nummers

Hierboven nog eens de kaart maar dan met in nummers de eigenaren erbij. Dat waren achtereenvolgens:

  1. Wijnand Bo(o)nebakker (11.04.1772 – 06.09.1847), koopman, die in 1800 huwde met Hendrika (Hendriena) Elisabeth Pieters (? – 01.08.1824)
  2. HendrikJan van Loenen (22.05.1752 – 23.07.1832), notaris. Hij huwde in 1783 met Francoise Rambonnet (1758-05.07.1834). De vader van HendrikJan was Hendrik van Loenen, een bekende meester chirurgijn. Hijzelf was eerst schout in Cothen. HendrikJan had tegelijkertijd ook een pand op de hoek Jeruzalemstraat – Kromme Nieuwe Gracht; of dit daarom alleen zijn buiten was (zoals velen dat aan de Maliebaan hadden) of dat hij er echt woonde, weet ik niet. Het land wordt beschreven als moesland.
  3. Jan Westers (19.12.1788 – 1857). Hij was van oorsprong afkomstig uit Paderborn in Pruisen, Duitsland, en werd toen kleermaker in Woerden; hij had tegelijkertijd ook nog een pand in Woerden terwijl hij eigenaar van het Rozenhofje was. Zijn beroep wordt aangegeven als kastelein; dat betekende vroeger niet alleen dat iemand een café bezat maar ook de (soms plaatsvervangend) beheerders van bijvoorbeeld een kasteel werden kastelein genoemd. Het kan zijn  dat hij het Rozenhofje alleen beheerde voor iemand want hoe komt anders een kleermaker aan zoveel geld om al die huisjes te kopen? Hij was getrouwd met Adriana Ebbers (? – ?) die naaister was, en kreeg 3 kinderen
  4. Volgens het kadaster was de eigenaar Jan Wessels. Ik vraag me af of dit een verschrijving is en dit in feite dezelfde Westers die het Rozenhofje had. Er staat bij dat Jan Wessels kleermaker was, net als Jan Westers. Maar de familienaam Wessels komt veel voor in Coevorden en omgeving en dan zijn velen kleermaker. Tja. Ik kan er zonder een bezoek aan het archief geen zekerheid over geven.
  5. Aletta van Wintershoven (14.04.1764 – 02.01.1848), de weduwe van Cornelis van Blaricum (wordt op verschillende wijzen geschreven) (19.06.1766 – 07.12.1811). Haar beroep wordt aangegeven als winkelierster, en hij was destijds pottenbakker op Lauwerecht, waar in die tijd een hele serie pottenbakkers en pijpen makers actief was. De familie Van Blaricum had al een pottenbakkerij in 1726 en warschijnlijk ook al enkele generaties ervoor. De pottenbakkerij werd de Oranjeboompot genoemd. Aletta en Cornelis hadden 6 kinderen.
  6. AJ Meelboom (? – ?). Vreemd genoeg heb ik zijn stamboom niet kunnen achterhalen. Wel is bekend dat hij juwelier was en essayeur (iemand die het zuiverheidsgehalte kon en mocht bepalen van zilver en goud), en had zijn bedrijf in Achter St Pieter. Hij hield blijkbaar van gedichten want hij was een van de mensen die Hieronymus van Alphen hielp zijn gedichten te publiceren.

Nu alle kadasternummers bekend zijn, moet het mogelijk zijn te achterhalen van wie bovengenoemde eigenaren hun stukken grond verkregen; dat loopt dan via de notarisacten. Dat is zeer arbeidsintensief want alle notarisarchieven zijn nog niet gedigitaliseerd en we weten ook niet welke notaris er bij betrokken is geweest. Toch ga ik later nog proberen dat uit te zoeken.

Bewoners in de eerste helft van de 20ste eeuw

Ik heb in het Utrechts Archief de adresboeken nagetrokken. Die bestaan tot 1940. In de boeken van 1901 staat er niemand als bewoner genoemd in Hugo de Grootstraat, Johan van Oldenbarneveltlaan en Johan de Wittstraat; natuurlijk op de Maliesingel wel. Ik heb de eerste jaren genomen, en daarna om de 5 jaar tot 1940. De gegevens daarna zijn wel beschikbaar maar vergen wel veel meer werk om die te vergaren (zie de afbeeldingen hieronder). Ik weet dat het huis waar wij in wonen (Johan de Wittstraat 7) tussen 1950 en 1958 een wasserij was (“wasserij Schuurman: ‘s Maandags gebracht, zaterdags weer schoon bij u thuis!”). Mogelijk kan ik ook zien wie er op Johan de Wittstraat 8 woonde en wat er op het bordje moet hebben gestaan dat je op de foto hierboven ziet.

Bewonerslijst Hugo de Grootstraat 1901-1921
Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is HdG2-1024x830.jpg
Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is JdW1-1024x414.jpg
Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is JdW2.jpg
Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is JvO1-002-1024x309.jpg
Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is JvO2-002.jpg
Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is MS1-1024x735.jpg
Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is MS2-1024x844.jpg
Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is MS3-1024x837.jpg

Als iemand aardige gegevens weet over zijn of haar huis, kun je me dat altijd mailen; ik zoek het dan zo nodig verder uit en zal het op de site toevoegen. Ik ga zelf ook nog op zoek.

Hugo de Grootstraat

Hugo de Grootstraat: oneven nummers

Bij de bouw van de huizen aan de Hugo de Grootstraat is men sneller gestart met de bouw van de huizen aan de oneven kant dan aan de even kant. De volgorde waarin er bewoners kwamen wonen aan de oneven kant was dat eerst nummer 3 bewoond werd (September 1901), kort daarna nummer 1 (december 1901), dat nummers 5 en 7 die tegelijk gebouwd werden min of meer tegelijk opgeleverd werden in april en mei 1902 respectievelijk, en dat 9, 11 en 13 tegelijk gebouwd werden, maar 9 sneller opgeleverd werd (oktober 1902) dan 13 (mei 1903) en 11 (augustus 1903). De meeste huizen aan de Maliesingel stonden er veel eerder (Maliesingel 55-63 werden tussen 1875 en 1890 gebouwd), maar Maliesingel 51-54 werden tegelijk gebouwd met de eerste huizen aan de oneven kant van de Hugo de Groot straat, en opgeleverd in november 1901. Aanvankelijk zouden er maar 5 huizen aan de oneven kant gebouwd worden, en pas rond 1900 werd besloten dat het er toch 7 zouden worden, waarbij de laatste drie ieder iets smaller zouden zijn.

Ik vond nog één ander verband tussen de huizen: huwelijken. In 1910 trouwde Jacob Smedes van nummer 16 met Neeltje van der Lip van nummer 24bis, en in 1966 trouwde RW Van Es van nummer 5, met MGW Knijff van nummer 11.

Hugo de Grootstraat 1

Hugo de Groot 1 werd tegelijk gebouwd met nummer 2 en met Johan de Wittstraat 1: alle 3 huizen hebben hetzelfde ontwerp, hoewel bij de afwerking en later er wel verschillen ontstonden.

Plan on drie dezelfde huizen achter elkaar te bouwen in Johan de Wittstraat en Hugo de Grootstraat. De weg langs de Oosterspoorweg werd toen nog Paralelweg genoemd (zoals het fietspad over de vroegere Oosterspoorweg na de Zonstraat nog steeds genoemd wordt).

Op 12 mei 1902 werd ingeschreven Johannes Crevecoeur (Den Haag 26.01.1861 – Amersfoort 09.10.1945), die chef de bureau was bij de Staatsspoorwegen, met zijn gezin: zijn vrouw Johanna Fricke (Utrecht 06.04.1857 – Utrecht 10.10.1936), dochter Gerardina (Zutphen 13.06.1888 – ), zoon Johan (Zutphen 31.10.1889 – ) en dochter Johanna (Arnhem 04.05.1892 – ). Ook de moeder van Johannes, Johanna Tromp (Den Haag 10.05.1823 – Utrecht 01.02.1909), die inmiddels weduwe was, woonde bij hen.  Johannes zelf bleef zeer lang op nummer 1 wonen, ook toen zijn vrouw in 1935 overleed; pas rond 1940 vertrok hij. De kinderen verlieten wel geleidelijk aan het ouderlijk huis. Gerardina vertrok in 1910 naar Amsterdam, en huwde Anton Laterveer (Leiden 11.10.1879 – Arnhem 10.02.1951). Johan vertrok 1912 naar Den Haag waar hij technisch ambtenaar werd bij de Octrooiraad. Hij trouwde in 1918 met Wilhelmina Carriere (Den Haag 25.03.1889 – Haarlemmermeer 12.08.1941), die zelf ambtenaar was bij het bureau voor industriële eigendom; ze kregen 2 kinderen. Johanna huwde later Antonie Steven (Utrecht 16.02.1882 – Utrecht 24.12.1950). De naam Crevecoeur is bijzonder en is afgeleid van de naam van een militair oefenterrein van de gemeente Den Bosch zoals dat al in 1587, tijdens de tachtigjarige oorlog, gesticht was.

De schans Crevecoeur afgebeeld in de atlas van Loon uit 1649.

Hugo de Groot 1 is nu een studentenhuis van USC Utrecht (“het Corps”); dat is het al lang maar ik kan niet vinden precies hoe lang al. Maarten van Rossem was lid van USC en woonde in zijn studententijd in de Hugo de Grootstraat 1, wat aangeeft dat het al minstens sinds ~1965 een studentenhuis is.

1Bis

De eerst ingeschreven bewoner, op 20 dec 1901, was Dirk van Eck (Utrecht 21.07.1874 – Utrecht 30.03.1943), zijn vrouw Theodora Wintershoven (Utrecht 09.12.1876 – Oudenrijn 26.08.1953). Haar moeder Willemijntje van Garderen (Driebergen 22.11.1839 – Utrecht 24.10.1922) en hun inwonende dienstbode Adriana de Puis (Hilversum 29.02.1880). Ze kregen in 1905 een dochtertje dat bij de geboorte overleed. In 1907 werd er een zoon geboren, Wilhelm Theodoor van Eck (Utrecht 09.12.1907). Dirk werkte bij het spoor maar was ook organist van de Janskerk. Dat was een Bätz-Witte orgel dat pas in 1861 geplaatst werd, hoewel er vroeger al wel een De Swart orgel in de Janskerk zat. Het heeft een prachtige klank, en wordt veel voor concerten gebruikt. Het gezin verhuisde in Juli 1908 naar Tolsteegsingel 9.

Daarna, in juli 1908, arriveerde Hermanus Roos (Den Haag 25.03.1844 – Utrecht 22.10.1915), zijn vrouw Gezina Zwarts (Den Haag 05.01.1847 – Utrecht 14.03.1942), en hun kinderen Jan Dirk (Utrecht 31.12.1880 – Zeist 08.12.1958), Herman (Utrecht 23.06.1882), Albert (Utrecht 04.10.1884 – Utrecht 27.03.1936), Gezina (Utrecht 27.04.1887) en Elisabeth (Utrecht 16.07.1888 – Utrecht 28.11.1936). Jan Dirk en Herman werkten bij het spoor, net zoals hun vader Hermanus had gedaan, maar Herman werd later leraar aan de HBS; Albert was chef-klerk bij het spoor, Gezina was onderwijzeres en waarschijnlijk was ook Elisabeth onderwijzeres. Jan Dirk vertrok snel daarna naar Zwolle, trouwde met Marianne Bennink (De Bilt 20.12.1886 – De Bilt 01.08.1970), met wie hij drie kinderen kreeg (Henriette 1907-1991; Marianne 1909-1997; Jan 1910-1965) en 10 kleinkinderen. Herman trouwde in 1918 in Den Haag met Meiltje Woldering (Veendam 18.11.1995), met wie hij tenminste één zoon kreeg, Willem Roos (Boven Oosterdiep 10.03.1919) en een dochter Ineke (Veendam 30.12.1920 – Rotterdam 02.06.1983), die schilder van landschappen en havengezichten werd en 4 kinderen kreeg. Albert trouwde met Louise van Gruting (Utrecht 02.03 [?30.01].1890 – Utrecht 22.12.1930) in 1915, die samen een dochter Margaretha (Zeist 03.01.1917) kregen. Gezina bleef op 1bis wonen toen haar man in 1915 overleed, tot tenminste 1925.

Voor 1930 kwam er wonen Gerardus Nicolaas Van Donselaar (Bennebroek 12.10.1870 – Utrecht 15.12.1948), gehuwd in 1904 met Catharina Lagas (Utrecht 1880 – Vleuten 05.03.1964) die samen een zoon Johannes kregen (1906 – Utrecht 24.06.1943) en een dochter Titia (Utrecht 26.07.1907). Hij was hoofdonderwijzer. Zijn zoon Johannes had als partner Johanna Gerlach (Utrecht 21.07.1906) maar zover me bekend kregen ze samen geen kinderen. Johannes overleed jong, als 37 jarige.

Net als nummer 1 is 1bis al sinds vele jaren een studentenhuis.

Hugo de Grootstraat 3

De bouwtekening voor Hugo de Groot 3 werd in 1900 aan de gemeente aangeboden en goedgekeurd. De bouw moet snel gegaan want al in najaar 1901 konden de eerste bewoners intrekken.

De bouwtekening van Hugo de Grootstraat 3 uit 1900.

Op 28 oktober 1901 werd als eerste bewoner ingeschreven Andreas Waaldijk (Gorcum 04.07.1874 – Apeldoorn 15.03.1944), met zijn vrouw Maria Keijzer (Den Bosch 07.02.1878) met wie hij 2 weken er voor getrouwd was. Andreas was luitenant bij de infanterie. Ze verhuisden naar Den Bosch in december 1904. Er is weinig over hen te vinden, behalve dat het echtpaar gescheiden moet zijn of Maria jong overleden, want Andreas hertrouwde in 1919 met Trijntje Schoenmaker (Lonneker 08.12.1899 – Amersfoort 06.12.1973). Ze kregen één zoon, Floris (1918 – 1998).

De volgende bewoner was Jan Klompe (Dreischor [Zeeland] 11.06.1871) die adjunct inspecteur was van de arbeid, en er maar een paar maanden woonde voor hij weer vertrok naar de Tolsteegsingel 18 bis, en jaren erna, in 1909, naar Venlo. Nergens wordt vermeld dat hij een partner had, en ook verder is er uitzonderlijk weinig over hem te vinden.

Daarna kwam Jacob Henke (Amsterdam  19.11.1850 – Utrecht 12.04.1919) met zijn vrouw Catharina van Rijn (Utrecht 27.02.1860 – Den Haag 04.10.1943). Het echtpaar had geen levende kinderen, wel hadden ze kort na hun huwelijk op 22 september 1887 een doodgeboren kind gehad in 1888. Hij was gepensioneerd adjunct onderofficier maar werkte toen nog als boekhouder voor een cultureel bedrijf gericht op Indië van de familie Schas aan de Maliebaan 57. Ervoor was hij ook kastelein geweest van Sic Semper, het verenigingsgebouw op de hoek Nieuwe Gracht – Trans (Jacob woonde toen Trans 19). Ze woonden er ongeveer een jaar, zoals ze in de jaren ervoor telkens elke 2-3 jaar verhuisden binnen de stad.

Daarna kwam Pieter de Vries (Leeuwarden 12.12.1848 – Leeuwarden 07.01.1921) er wonen met zijn vrouw Elsje Vermeulen (Utrecht 16.01.1851 – Rotterdam 23.08.1932), dochter Janneke (Utrecht 04.12.1874 – Utrecht 16.08.1920) en zoon Jan (Utrecht 11.06.1885 ). Pieter was muziekleraar, Jan was kantoorbediende. Janneke trouwde in 1910 met Hendrik Van Berk (1870-1946) en verhuisde naar Nieuwe Gracht 22. Ze kregen geen kinderen, en Janneke overleed jong. Jan kan ik niet met zekerheid terugvoeren: het aantal “Jan-de-Vries-en” uit 1885 is nog steeds te groot daarvoor. De familie bleef er wonen ook na het overlijden van Pieter, tot tenminste 1925.

Daarna kwam er wonen H Smit jr, die winkelier was. Deze bood op 25 aug 1928 een bijzondere motor te koop aan: “een Indian, 7-9 pk, met snelheidsmeter, zoeklicht en nieuwe banden. Gegarandeerd zonder gebreken.”

Een Indian Power Plus motor uit 1920.

Het is een prachtige motor, die nu goud waard zou zijn; ik zag er op het internet nu een te koop staan voor 45.000 euro. De bewoners daar waren waarschijnlijk meer dan een liefhebber, want in 1949 werd ook een Rudge(-Whitworth), de kopklepper vorm, te koop aangeboden:

Een Rudge 500cc kopklepper uit 1924.

3Bis

Op 7 september 1901 werd als eerste ingeschreven Martinus Bruijel (Bergh [bij ’s Heerenberg, tegen de Duitse grens] 30.10.1875) met zijn vrouw Maria de Favauge (Haaften 26.02.1858). Hij was net gepromoveerd  als “doctor in de Nederlandse Letterkunde” door een proefschrift over “Het dialect van Elten-Bergh”, waar hij oorspronkelijk ook vandaan kwam. Zij was de dochter van burgemeester Wilt Adriaan de Favauge (inmiddels gescheiden van Naria’s moeder), en werkte als godsdienstonderwijzeres. Ze vertrokken een jaar later naar Haarlem waar hij leraar aan de HBS werd. Haar broer, Wilt Adriaan, notaris, trouwde met de zuster van Martinus, Aleida, zoals destijds vaak gebeurde.

Daarna kwam er wonen Frederik Knottenbelt (Utrecht 04.02.1879 – Oegstgeest 02.05.1916) met zijn vrouw Cornelia van Lith (Leiden 09.10.1879). Hij was kruidenier. Zij vertrokken ook al weer na een jaar, naar Baarn. Ze kregen daar een zoon, Frederik Knottenbelt (Utrecht 09.04.1906), en verhuisden vervolgens weer terug naar de Mauriststraat 58 en daarna Steenweg 70bis; daarna, in 1911, scheidde het echtpaar. In 1905 kwam Maurits Simons (Nijmegen 19.05.1877) met zijn vrouw Hedwig Ruf (St Gallen [Zwitserland] 16.01.1876). Hij was koopman in manufacturen, later werd er aan toegevoegd ‘van goud en zilver’. Hun zoon Abraham Simons (Utrecht 19.11.1905 ) werd er geboren. Ook zij woonden er maar een jaar, en vertrokken toen naar Zwitserland (Zürich). Ze zijn later gescheiden, en Maurits is in 1917 hertrouwd met Maria Dekker, met wie hij een voorkind had, Willy Simons (Rotterdam 24.08.1914). Maurits werd op 23 april 1942 in Rotterdam gearresteerd vanwege een valse opgave tav de aanmeldingsplicht voor joden. Hoewel hij later ontslagen werd, vrees ik dat het daarna niet goed is afgelopen: ik kan geen nadere gegevens van hem of zijn kinderen vinden.

Arrestatieverslag van Maurits Simons van 23 mei 1942.

In najaar 1906 kwam er wonen Maurits Mendels (Den Haag 25.12.1868 – Theresienstadt 03.06.1944) met zijn vrouw Henriette Stokvis (Den Haag 02.07.1872 – New York 1966) en dochter Judica Mendels (Zaandam 15.04.1906 – Luzern 30.07.1995). Hij was advocaat van beroep, werd lid van de gemeenteraad en van het Provinciebestuur, en zou later fractievoorzitter in de kamer worden voor de SDAP. Henriette was onderwijzeres en vertaalster. Ze verhuisden na 3 jaar, met dochter, naar Hilversum. Judica bleef ongehuwd, studeerde letteren in Amsterdam, en kwam te werken bij de KNAW waarbij ze het volledige werk van Antoni van Leeuwenhoek bewerkte. Hoewel ze een tijdje verbleef in kasteel De Schaffelaar in Barneveld (waar joden terecht kwamen die mochten blijven vanwege hun ‘maatschappelijke onmisbaarheid’) kwam ze in september 1943 in doorgangskamp Westerbork. Ze verbleef daar tot het eind van de oorlog, omdat ze er werkte als pleegmoeder in het kampweeshuis. Ze wordt uitvoerig beschreven en geprezen door Ed van Thijn, de latere burgemeester van Amsterdam, in zijn beschrijving over Westerbork. Ze overleeft de oorlog, emigreert met haar moeder naar de Verenigde Staten, promoveert en wordt uiteindelijk hoogleraar in de Duitse taal- en letterkunde aan het Canisius College in Buffalo, waar ze Judy genoemd wordt. Na haar emeritaat emigreert ze via Canada naar Zwitserland waar ze overlijdt.

Links vader Maurits Mendels in 1913; midden de hele familie met Judica in het midden onder; rechts Judica’s persoonsbewijs in Westerbork uit 1943.

In 1909 kwam er wonen Aleijda (“Heidi”) Van Woerden (Zwolle 18.10.1852 – Utrecht 01.04.1924), weduwe van Nicolaas Louis Van Woerden (Utrecht 20.01.1844 – Utrecht 09.02.1908), met dochter Albertine (Utrecht 02.10.1895) en zoon Albert (Utrecht 13.12.1896 – Utrecht 29.05.1961). De andere zoon, Nicolaas Louis (Utrecht 13.11.1873 – Utrecht 04.04.1947) was het huis al uit om medicijnen te gaan studeren. Vader had bij het spoor gewerkt, Albert werd notaris. Nicolaas jr. trouwde in 1909 met Annette Van den Chijs (Wageningen 23.02.1877) en kregen een zoon Anton (Utrecht 10.11.1915), Albert bleef ongehuwd en van Albertine zijn geen gegevens beschikbaar. Aleijda bleef er wonen tot haar overlijden in 1924, waarna haar zoon Albert hoofdbewoner werd.

Rond 1940 woonde er weduwe Johanna Maria Snoek (Utrecht 23.07.1898 – Nijmegen 17.10.1955),die gehuwd was met Johannes Vriens (Rotterdam 18.11.1866 – Utrecht 28.06.1934). Johannes was vroeger planter geweest in Indië en werd in Nederland leraar in exacte vakken. Ze kregen samen 5 kinderen (Jan, 1920-1996; Margot 1921-2013; Gerardus 1923-2010; Anki 1925-1986; Tonny 1930-1984). Het is niet bekend of de kinderen er ook gewoond hebben.

Nummer 3 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 5

Hugo de Groot 5 en 7 werden tegelijk gebouwd, waarbij de bouwtekening in 1901 ter goedkeuring werd voorgelegd aan de gemeente.

Bouwtekening van Hugo de Grootstraat 5 en 7.

De eerst ingeschrevene, op 5 april 1902, was Johan Schuijt (Enkhuizen 18.11.1851 – Den Haag 15.07.1934) met zijn vrouw Maria Meijer (Amsterdam 10.10.1842 – Den Haag 12.11.1921) en dochter Johanna Schuijt (Enkhuizen 27.04.1879 – Haarlem 20.12.1968). Hij werd opgegeven als ‘zonder beroep’ wat uitzonderlijk is; bij geen enkele persoon zag ik dit eerder staan. Elders wordt opgegeven dat hij koopman en sigarenmaker is geweest. Het echtpaar had ook een zoon (Willem; Enkhuizen 25.04.1878 – Haarlem 04.03.1952) maar die woonde inmiddels niet meer bij hen. Hij was getrouwd met Catharina Westhoff (Nieuwer-Amstel 15.02.1883 – Haarlem 10.03.1944).  Zover bekend is Johanna nooit getrouwd en kreeg ze geen kinderen. Ze verhuisden in het voorjaar 1903 naar Apeldoorn. Er is verder nauwelijks wat over hen te vinden.

Daarna kwam er wonen Engelbertina Kraijenhoff (Nijmegen 04.11.1825 – Utrecht 21.05.1908) en haar inwonende dienstbode Jannetje Groot (Amsterdam 05.05.1882). Engelbertina kwam uit Arnhem. Ze woonde er 5 jaar, en overleed op nummer 5. Engelbertina is een zeer uitzonderlijke naam: in de hele site genealogie-online worden over alle jaren 49 mensen genoemd die zo heetten; op sites die namen van pasgeborenen aangeven, wordt aangegeven dat hij de laatste 10 jaar in Nederland, België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk niet gegeven is. Het is een naam die zowel jongens als meisjes kunnen krijgen. De betekenis is ‘heldere engel’.

De volgende was Dirk Vleming (Utrecht 27.10.1882 – Utrecht 23.12.1939) met zijn vrouw Rosalia De Wild (Alkmaar 02.02.1881 – Utrecht 04.03.1933) en dochter Jeanne Vleming (Leeuwarden 29.07.1907 – Leusden 01.01.1992). Een jaar erna voegde zich bij hen de broer van Rosalia, Willem de Wild (Alkmaar 26.09.1894 – Chamby [Zwitserland] 03.07.1976) die toen nog scholier was. Dirk was luitenant van de infanterie, en werd later commandant van de Utrechtse brandweer.

Dirk Vleming als commandant van de Utrechtse brandweer

De hele familie verhuisde in mei 1911 naar de Biltstraat 212. Toen Rosalia in 1933 overleed hertrouwde Dirk in 1935 met Edith Edwards (Hampstead [UK] 03.12.1893). Jeanne trouwde eerst met Henri Crans (Den Haag 17.12.1897 – Den Haag 18.03.1969), van wie ze in 1935 scheidde, om vervolgens te hertrouwen met Jean Jacques Simons (Vleuten 23.05.1912 – Leusden 20.08.1994); Jean Jacques was ritmeester bij de huzaren.

Daarna woonden er vele jaren Hendrik van de Pol, (Nijkerk 19.04.1861 – Utrecht 10.10.1925) ambtenaar bij de Belastingdienst, met zijn vrouw Margaretha van Tuil (Zeist 06.09.1861 – Utrecht 03.08.1939). Het echtpaar had een zoontje Aalt verloren (Hatert 10.05.1899- Nijmegen 11.01.1901) en woonde er met hun kinderen Willem Hendrik (Hatert 01.04.1897 – Nijmegen 12.01.1988) en dochter Elizabeth (Hatert 13.07.1901 – Nijmegen 07.04.1944). Willem Hendrik was aanvankelijk leraar aardrijkskunde in Zeist, studeerde daarna theologie en filosofie, promoveerde in 1936, en werd in 1944 tot priester gewijd. Hij was adviseur van kardinaal De Jong op het gebied van de oecumene.  In 1948 werd hij hoogleraar aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, waar hij veel publiceerde over de oecumene. Hij vond de scheidslijnen tussen de verschillende christelijke kerken klein. Hij had een belangrijke positie in de Wereldraad van Kerken. In 1967 nam hij afscheid als hoogleraar.

Prof. Willem Hendrik van de Pol; rechts de inaugurele rede van 6 december 2018 van prof. Peter Nissen over het werk van Willem Hendrik.

Margaretha bleef tot haar overlijden in 1939 op nummer 5 wonen. Dochter Elizabeth is zover bekend nooit getrouwd en kreeg geen kinderen. Tegelijk met de familie Van de Pol woonde er ook JC Zegers, onderwijzer, die er vanaf 1911 tot tenminste 1925 verbleef.

5Bis

Op 2 mei 1902 werd ingeschreven Frederik de Haas (Amsterdam 11.02.1822 – Utrecht 13.04.1906), zijn vrouw Trijntje van Amerongen (Harlingen 06.12.1851), zonen Frederik (Amsterdam 22.04.1878) en Willem (Amsterdam 13.12.1887) en dochter Catharina (Amsterdam 06.10.1884). Later voegde zich bij hen zoon Jan de Haas (Amsterdam 21.08.1882). Ze hadden nog een zon, Cornelis (24.10.1879 – 21.04.1956). Frederik jr. werd toen aangeduid als student, Willem als medisch student, Jan als bouwkundig tekenaar, Catharina als assistent apotheker. Van Frederik sr. werd nergens een beroep aangegeven; hij overleed in 1906, en de familie verhuisde daarna geleidelijk aan naar verschillende andere adressen, met name naar Soest. De naam De Haas komt zeer frequent in Nederland voor, ook met deze voornamen en geboorteplaats, en ondanks langdurig zoeken kan ik niet met zekerheid vaststellen wie zij verder zijn geweest.

Daarna kwam er de familie Verheul wonen: Josina Verheul – Kievit (Hendrik Ido Ambacht 31.07.1835), weduwe van Arie Verheul (Giessen-Nieuwkerk 10.03.1819 – Meeuwen 06.09.1878), en haar dochters Pietertje Verheul (Meeuwen 05.04.1880) en Regina Verheul  (Meeuwen 03.10.1865 – Haarlem 07.07.1942). Meeuwen is de gemeente waaronder Babyloniënbroek valt. Een zeer oud dorp, vlak bij Heusden, dat al in 1124 in geschriften genoemd wordt genoemd. Het bestaat nog steeds uit één straat, de Broeksestraat, en heeft 415 inwoners. Arie is er destijds schoolhoofd geweest, en er is nog steeds een basisschool (Den Biekurf). De naam Babyloniënbroek zou afkomstig zijn van Villa Babylonia die monniken er in de 8e-9e eeuw vestigden. Er is een prachtige prent van Cornelis Van Hardenbergh waarin hij de gevolgen voor het dorp van een watersnoodramp uit 1809 weergeeft.

Slotje (ook wel ‘Het Fort’ genoemd) in Babyloniënbroek dat een herbouwde versie is van Villa Babylonia. Rechts de gravure van Van Hardenbergh die de kapel van Babyloniënbroek weergeeft, met slachtoffers van de watersnoodramp van 1809 (bron: Rijksmuseum, Amsterdam).

Hun zoon Marius (Meeuwen 08.04.1874 – Doorn 19.12.1911) woonde niet bij hen. Arie en Josina hadden eerder een dochter verloren die ook Pietertje heette (Meeuwen 01.02.1867 – Meeuwen 01.07.1867). De andere Pietertje werkte bij de posterijen. Zij verhuisde naar de Korte Jansstraat 9 bis, moeder en Regina naar Laren op dezelfde dag in voorjaar 1911. Zover ik kan vinden zijn Regina en Pietertje geen van beiden ooit getrouwd en kregen ze geen kinderen.

Daarna waren de hoofdbewoners Willem Souman (Bergen op Zoom 06.10.1853) en zijn vrouw Engelina Galjaard (Den Haag 2 of 12.09.1853 – Vught 30.03.1944). Engelina kreeg eerder een kind als ongehuwde moeder (Engelina Jacoba Galjaard, Den Haag 01.03.1878 – Den Haag 07.03.1946) toen ze 24 jaar oud was. Het echtpaar kreeg samen geen kinderen. Engelina sr. werkte als naaister, Willem was militair. Haar dochter, Engelina jr., trouwde met Gerrit Hooft (Amsterdam 24.02.1869) en woonde een tijd in Breukelen. Zover bekend kregen ze geen kinderen.

Vanaf 1917 woonde er mevrouw Aleida Emilia Holm (Amsterdam 14.06.1849- Utrecht 19.07.1924), weduwe van Frederik Bakker (Haarlem 18.01.1842- Utrecht 23.03.1897). Zij was de moeder van Ina Boudier-Bakker (Amsterdam 15.04.1875 – Utrecht 26.12.1966), Rudolf Bakker (Amsterdam 01.01.1879 – Amsterdam 17.01.1881), die overleed aan kinkhoest, en een tweede zoon met dezelfde naam , Rudolf, die verstandelijk gehandicapt was en ook jong overleed (Amsterdam 1882 – Haarlem 13.02.1896); Aleida gaf haar man, die syfilis had, er de schuld van. Aleida, dochter van een bekend Amsterdams huisarts, woonde eerst met haar dochter en diens echtgenoot (Hendrik Anthonius Boudier, Zierikzee 12.03.1878 – Utrecht 18.06.1952) aan de Tolsteegsingel 29. Ina en haar echtgenoot verhuisden toen naar Vianen in 1917 (vanaf 1928 woonden ze weer in Utrecht, aan de Oude Gracht 333),  en haar moeder kwam naar de Hugo de Grootstraat, tot haar overlijden. We kennen Ina Boudier-Bakker natuurlijk als naamgeefster van het studentencomplex “IBB” hier vlakbij, als schrijfster, maar ook als iemand die bijeenkomsten hield in haar huis aan de Oude Gracht van het Cultuur- en Ontspanningscentrum (het latere COC en de LHBTI belangenverenging). Er werd door mensen van hetzelfde geslacht met elkaar gedanst, maar dat kon natuurlijk niet, dus politierazzia’s volgden, en de bijeenkomsten werden elders georganiseerd.

Aleida Bakker-Holm (rechts) met grootmoeder Klaziena Holm-Kater en dochter Ina Boudier-Bakker (midden) in 1905. Grootmoeder had een oog verloren en zou uiteindelijk blind worden.

5bis is daarna enige tijd pension geweest: vanaf 60 gulden (25 euro) per maand  een kamer te huur met vol pension. Erna kwam er wonen de weduwe Cozijn – Mozes. Het is niet helemaal zeker maar wel waarschijnlijk dat dit Esther Mozes was (Wageningen 06.08.1882 – Auschwitz 13.11.1942) die weduwe was van Abraham Cozijn (Wageningen 1879 – Zwolle 02.09.1912). Ze kregen samen een dochter Alida (Zwolle 05.03.1911 – Auschwitz 13.11.1942). Beiden zijn vermoord in Auschwitz. Alida was niet getrouwd en had geen kinderen.

Hugo de Groot 5 is nu ook woonhuis.

Hugo de Grootstraat 7

De bouwtekening van nummer 7 wordt onder nummer 5 gegeven. De familie Van Rennes was de eerste die op 2 dec. 1902 op nummer 7 werd ingeschreven: Izaak van Rennes (Utrecht 13.09.1844 – Maartensdijk 15.07.1904), zijn vrouw Jacoba Keers (Utrecht 20.04.1857 – Utrecht 16.04.1906) en hun dochter Francina Jacoba van Rennes (Utrecht 27.11.1881 – Naarden 28.08.1960). Waarschijnlijk hadden ze nog 2 kinderen maar die gegevens zijn niet vrij toegankelijk. Izaak was journalist bij “De Groene” en de “Nieuwe Rotterdamse Courant”, en gebruikte als pseudoniem Jan van ‘t Sticht. Hij schreef korte verhalen die wel als voorloper van de verhalen van Carmiggelt gezien kunnen worden, en was een erg bekend figuur in de stad. Hij beschreef ook de Utrechtse burgemeester Reiger: “De heer Reiger draagt zijn welig blond haar in het midden gescheiden, gebruikt geen pommade en kapt zich blijkbaar eigenhandig, want hij ziet er nooit uit of hij zoo van den kapper komt. Integendeel, er zit nogal eens een weerspannig haartje op zijn kruin, dat zich aan alle boeien onttrekt en, vrijmoedig als zijn drager, over alle andere de wereld in kijkt”. Izaak is oom van Catharina van Rennes, de componiste. Er staat een aardige beschrijving over hem en zijn werk in de Oud Utrecht (1961;34(12):137). De familie vertrokken in de zomer van 1904 naar Maartensdijk, waar Izaak zeer kort erna overleed. Francina trouwde met Hendrikus Van den Berg, ze kregen één kind, Petronella, die weer met een journalist huwde. Het lijkt er op dat de naam Van Rennes een verbastering is van Van Renesse. Verschillende sites melden dit, en zetten er bij dat de familie gelinkt kan worden aan de graven van Holland uit de 16e eeuw, en vandaaruit naar familieleden tot aan de 12e eeuw aan toe. Dat heb ik verder niet uitgezocht.

Daarna woonde er de familie Morhaus: Gerhard Morhaus (Hoorn 28.11.1864 – Driebergen 04.06.1950), zijn vrouw Antje Thomasz (Den Helder 17.09.1873 – Zeist 08.12.1947), zonen Johan (Den Helder 07.10.1896) en Gerard (Winschoten 29.10.1902) en dochter Anna (Amsterdam 14.09.1898). Gerhard werd na de HBS eerst 15 jaar lang machinist bij de Marine, waarna hij bij Werkspoor op de tekenkamer kwam, en bij de autofabriek Spijker. Hij was gepensioneerd leraar aan de ambachtsschool. Daarna werd hij in Winschoten bij het Nijverheidsonderwijs, en kwam naar Utrecht als onderdirecteur van de Nijverheidsschool in Utrecht, voor de technische vakken. Ze verhuisden in voorjaar 1910 naar de Willem Barentszstraat 69. Gerhard ging in 1930, na 25 jaar dienst, met pensioen. Johan trouwde in HongKong met Zinaida Baumann en werkte bij een handelsbank in China. Anna trouwde later met Johan Westhoff, inspecteur  van de werkverschaffing in Gelderland, die aan het eind van de Tweede Wereldoorlog overleed. Gerard huwde in Wonosobo met Suzanne van de Welle en werd landbouwkundig ingenieur bij de Koloniale Bank.

Links Gerhard Morhaus; midden zijn zoon Gerard op de tekening in het midden. De tekening is gemaakt tijdens WO II in het Japanse interneringskamp Tjimahi, waar een aantal mensen onder leiding van de scheikundige prof. Baars een gistfabriekje maakte, vooral om vitamine B te maken, maar ook om brood te kunnen maken. Ze haalden de benodigde stikstof uit ammoniak, als het moest uit de urine van mensen, en daar was de tekening rechts een aansporing toe (“Doet uw plicht. Denk om de gistfabriek. Om 8 u. m.v. moeten minstens 2 fusten vol en anders morgen GEEN BROOD!”). Gerards hielp bij dit proces. (tekeningen van J. van Wettum).

Daarna kwam er wonen Jan Schuiling (Wildervanck 13.06.1879 – ?[na 1936]) met zijn vrouw Marie Plate (Gennep 18.06.1886). Ze waren 2 weken er voor getrouwd. Jan was arts. Ze woonden er maar een jaar, toen verhuisden ze naar Rotterdam. Daar kregen ze tenminste één dochter, Anna Louise Schuiling (Rotterdam 13.08.1912 – Heemstede 13.02.2000). Het echtpaar is in 1921 gescheiden, Marie hertrouwde in 1922 met Cornelis Menschaar en Jan is hertrouwd met Regina Loock in 1926.

Volgende bewoners waren H Klomp, die werkte bij de Steenkolen HandelsVereniging, KJ De Haas, ingeschreven als handelaar, AL Mijerson, koopman, en AJJ Meijer die in assurantiën deed. Van hen is niet makkelijk meer te vinden omdat niet met zekerheid vaststaat wie zij precies waren. Ik denk wel dat AL Mijerson Arnold Lucien Mijerson is geweest (Amsterdam 03.12.1892 – Auschwitz 28.01.1944). Als dat zo is, was hij getrouwd met Johanna Cohen (Hengelo 18.09.1893 – Auschwitz 28.01.1944), en hadden ze twee kinderen, Alfred (Eindhoven 09.04.1922 – Auschwitz 28.01.1944) en Hortense (Utrecht 27.07.1928 – Auschwitz 28.01.1944), verhuisden ze in 1936 naar de Schoolstraat 12, en werden ze allen vermoord in Auschwitz in 1944.

7Bis

Op 1 mei 1902 werd ingeschreven Bartholomeus Verbrugge (Rotterdam 24.12.1854 – Utrecht 29.08.1935) en zijn huishoudster Wilhelmina Kluit (Brielle 30.07.1860 – Overschie 27.06.1932). Bartolomeus was adjunct hoofdinspecteur van de politie, in dienst getreden in 1886 en gestopt in 1918. Hij had zijn vrouw Jacoba Terpstra al in 1883 verloren, toen ze 29 jaar oud was, in het kraambed van hun zoon Derk (Rotterdam 24.03.1883) die toen ook overleed. Wilhelmina was ongehuwd en zou ongehuwd blijven; ze kreeg geen kinderen. Bartolomeus en Wilhelmina kwamen samen vanuit de Tolsteegsingel 15 bis, en verhuisden ook weer samen in voorjaar 1906 naar de Hamburgerstraat 17bis. Bartolomeus sr. is later in Utrecht hertrouwd, in 1929, met Hendrica van Ditmarsch.

De commissarissen en inspecteurs van het Utrechts politiecorps in 1909. 5e van links Bartholomeus Verbrugge.

Daarna kwam Maria Cornelissen (Vlissingen 25.01.1829 – Utrecht 04.12.1909), weduwe van E Wenckebach (Amsterdam 24.05.1813- Wijk bij Duurstede 26.04.1874), met haar dienstbode Paulina ter Hoeve (Jutphaas 10.07.1882). Maria woonde er 3 jaar, tot haar overlijden. Ze heeft drie kinderen gehad: Ludwig (12.01.1860-25.06.1937), Henri (27.06.1861-21.02.1924) en Karel (24.03.1864-11.10.1940). Haar echtgenoot Eduard was een pionier op het gebied van de draadtelegrafie, en legde de eerste lijn aan langs de spoorlijn Haarlem-Amsterdam in 1845. Hij is ook een bekend voorvechter van het humanitarisme geweest. Ludwig was een bekend schilder en illustrator van boeken, Henri werd directeur van de mijnen in Limburg en later de Hoogovens in Ijmuiden, en Karel is later hoogleraar cardiologie geworden in Groningen, en daarna Straatsburg en Wenen.

In 1910 kwam Hendrika van Gendt de Leeuw (Opheusden 16.05.1834 – Utrecht 10.01.1912) met gezelschapsdame Magdalena Bakvis (Rotterdam 27.05.1861 – Utrecht 05.10.1922) en dienstbode Antonia Schinkel (Ijsselstein 18.11.1875). Hendrika overleed 2 jaar erna. Ze is zover ik kan vinden nooit getrouwd en kreeg geen kinderen.

Vervolgens kwamen er wonen mejuffrouw J Hardebol, tot begin jaren 20, dr G Kraus, arts,  mejuffrouw H Coelingh, en rond 1930 mejuffrouw J van Vloten, bij wie tegelijk ook woonde E.U. Bruining, wiens beroep aangeduid wordt als ‘reiziger’. Rond 1940 woont er CJH Kuhne, pensionhouder. Zonder verdere gegevens is het niet goed mogelijk met zekerheid vast te stellen wie zij precies zijn geweest, omdat er telkens verschillende mensen te vinden waren met deze voorletters en achternaam die, ongehuwd, in Utrecht woonden.

Daarna woonde er de heer HD van Boon, die overleed op 14 december 1948 toen hij 86 jaar oud was.  Na hem was een van de bewoners Susanne Julie (“Puck”) van Oven (04.11.1909 – Utrecht 01(?02).08.1966, die ongehuwd bleef. Ze werkte als apotheker. Bijzonder is dat er wel een schilderij is van haar, gemaakt in 1933, door haar oom Coen van Oven.

Puck (Susanne Julie) Van Oven in 1933, geschilderd in het atelier van haar oom en door haar oom, Coen Van Oven (1833-1963). Het schilderij werd gemaakt ter gelegenheid van de zilveren bruiloft van haar ouders (bron: Stichting Coen Van Oven).

Nummer 7 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 9

De eerste die werd ingeschreven was op 31 oktober 1902 Jan Huibert Smeets (Gulpen 15.09.1867 – Hengelo 28.01.1913) met zijn vrouw Henriette Walkate (Kampen 05.10.1872 – Kampen 28.04.1947) en hun dochters Henriette (Utrecht 20.07.1899) en Cornelia (Utrecht 19.08.1901). Hun inwonende dienstbode was Lubberta Bosch (Kampen 10.10.1879). Ze kwamen uit de Nachtegaalstraat 67, en verhuisden weer eind 1905 naar Johan van Oldenbarneveltlaan 5. Voor een meer uitvoerige beschrijving zie aldaar.

Daarna kwam begin 1906 Cornelis Kraijenhoff Sloot (Tienhoven 28.06.1856 – Utrecht 08.03.1931), zijn vrouw Charlotte Seibert (Friedberg 05.03.1873 – Utrecht 13.04.1945) en hun dochters Cornelia  (Utrecht 21.11.1902 – De Bilt 28.09.1965) en Wilhelmina (Utrecht 13.10.1904 – Driebergen 19.01.1967). Van tijd tot tijd hadden ze mensen op kamers, wat meestal leraressen waren, soms uit Duitsland. Een ervan was Catharina Schuitemaker (Medemblik 06.11.1851 – Utrecht 28.07.1919) die vanuit nummer 11 naar nummer 9 verhuisde. Ze vertrokken begin 1910 naar de Van Noortstraat 119. De naam van Cornelis is wat vreemd, omdat zijn ouders  Matthijs Sloot en Cornelia Kraijenhoff waren, en hij dus in feite Cornelis Sloot zou moeten heten. De reden ervoor is dat de familie Kraijenhoff van adel is, en zo de naam doorgegeven werd. Cornelis is een afstammeling van baron Cornelis Kraijenhoff (1758-1840), die arts was, uiteindelijk in het leger ook generaal-majoor werd, in dienst van Napoleon werkte (die een hoge pet van hem op had), en ook minister werd.  Hij werd in 1815 door koning Willem I in de adelstand verheven.

Baron Cornelis Kraijenhoff (1758-1840).

Bij Cornelis staat als beroep “adjunct commies ter secretarie” maar waar dit was (welke gemeente?) is niet duidelijk. Cornelia (die maar liefst 6 voornamen had) huwde in 1934 Peter van Dijk (Amsterdam 06.02.1904). Ik vond niet dat ze kinderen kregen. Wilhelmina is nooit getrouwd en kreeg geen kinderen.

In Februari 1910 kwam er de familie Damme wonen: Marinus Damme (Den Haag 17.12.1880 – Hilversum 24.06.1961), zijn vrouw Emilie Arntzenius (Sidoarjo 30.11.1883), hun zoon Marinus Damme (Tilburg 19.04.1906), dochter Emy Damme (Tilburg 26.07.1908 – Middelburg 10.08.1995) en de zus van moeder, Carolina Arntzenius (Sidoarjo 16.04.1882 – Batavia 08.06.1945). Marinus sr was werktuigkundig ingenieur bij het spoor en werd uiteindelijk directeur van NV Werkspoor. Hij was de drijvende kracht van de bouw van de werkplaats voor Werkspoor in Zuilen. Marinus sr. wordt vaak verward met zijn neef, die ook Marinus Damme heette, directeur van de PTT was en minister werd.

Een van de vuurloze stoomlocs die bij Werkspoor Zuilen gemaakt werd (1930).

Emy trouwt in 1931 met Johannes Hupkes (23.04.1908- Klosters [Zwitserland] 12.03.1976), tuinbouwkundige, en ze krijgen drie kinderen: Peter; Willem, 1933-1984; en Joan. Marinus jr. trouwt in 1931 met Elly Leegstra (Soerabaja 1909), van wie hij in 1943 weer scheidt. Carolina trouwt in 1913 met Johan Anton H van Leeuwen (Salatiga 01.03.1886), die resident is van Pekalongan op Java, en komt om aan hongeroedeem in kamp Sint Vincentius aldaar aan het eind van WO II.

Marinus sr. werd ook bestuurder van de Jaarbeurs; dat deed hij samen met Kraijenhoff, die eerder op nummer 9 woonde. Wellicht kenden ze elkaar daar van.

Marinus Damme (3e van links op de 2e rij) als bestuurder van de Jaarbeurs

Een tweede bijzonderheid die ik tegenkwam is dat in augustus 1907 de familie vanuit Tilburg op vakantie ging in Domburg en daar van Emilie een vakantiefotootje lieten maken in klederdracht (alle vakantiegangers werden toen geregistreerd):

Emilie Damme – Arntzenius op vakantie in 1907 in Zeeland; op de achterkant zette ze Emy Damme, geh Arntzenius (fotograaf: E Helder, Middelburg).

Rond 1915 komt er te wonen Johannes Antonie Thoomes (Utrecht 20.05.1878 – Heerenveen 03.01.1951) met zijn vrouw Johanna Louisa Kijftenbelt (Winterswijk 05.05.1872 – Heerenveen 31.07.1949), met hun kinderen Johannes (Utrecht 02.06.1904), Jan Gerhard (Utrecht 24.11.1909 – Baarn 14.03.2004), en Wilhelmina (Utrecht 01.01.1911). Daar wordt ook hun zoon Richeld (Utrecht 15.07.1915 – 20.02.1986) geboren. Johannes was kantoorbediende, en Johanna was onderwijzeres handwerken. Jan Gerhard trouwde met Elly van der Schoot (Semarang 07.02.1917 – Ede 09.06.1996), en ze kregen 4 kinderen: Frederik 1947-2010; Hugo 1953-2000; en twee kinderen die nu nog in leven zijn en van wie dus de gegevens niet beschikbaar zijn; ze hebben tenminste 9 kleinkinderen.  Richeld trouwt later met Elisabeth Cramer. Wilhelmina werd eind jaren 20 lid van de Blauwe Week Commissie, tegen het alcoholgebruik, voor welk werk ze ook geridderd werd. De commissie maakte fantastische posters, waarvoor je meteen zou stoppen met alcohol drinken.

Posters van de Blauwe Week Commissie uit 1928 (links) en 1936 (rechts)

Rond 1920 kwam er op kamers wonen Cornelia (“Cor”) Jacoba Beijen (Barneveld 26.05.1844 – Garderen 1926). Eerder woonde ze ook op kamers op verschillende adressen, waarna ze telkens vertrok naar Zwitserland. Na wat zoeken vond ik dat het een nogal avontuurlijke dame was, en erg op haar onafhankelijkheid stond. Ze werkte veelal als gouvernante bij welgestelde families (haar vader was arts in Barneveld). Ze kreeg als 31 jarige een zoon Pieter Hendrik (20-04.1876), officieel zonder dat de vader bekend was, maar iedereen dacht dat Pieter Hendrik van de Wall Repelaer (uit de adellijke familie) dat was. Ze werd nog eens moeder, nu in Zwitserland, van een dochter Katharina Adelaide Lindsay (La Tour de Peilz 25.11.1881), waarvan de vader iemand uit de Schotse Lindsay clan was. Ze is nooit met hem getrouwd omdat hij enkele dagen voor de trouwdag een fatale val van zijn paard maakte. Haar beide kinderen leefden in Zwitserland, en vandaar het op en neer gereis. Ze verhuisde mee naar Est met haar dochter en diens man, en overleed kort erna. Haar dochter werd overigens 100 jaar oud.

Cornelia Jacoba Beijen (bron: het beijen.net)

Ik vond ook de huurprijs van die tijd van het bovenhuis: 50 gulden per maand (22,60 euro). In 1925 woonde er Jacob van Kampen (~1864- Utrecht 25.03.1927), die chef was bij het provinciaal elektriciteitsbedrijf in Utrecht (velen beter bekend als de PUEM). Hij woonde er met vrouw en kinderen. Daarna, rond 1930, woonde er mevrouw W Broekema. Ze zette advertenties in het Utrechts Nieuwsblad dat men kamers bij haar kon huren, zodat ze in feite als pensionhoudster functioneerde. Uiteraard wilde ze alleen nette mensen.

Advertentie van mevr Broekema in het Utrechts Nieuwsblad in September 1933.

 In 1940 woonde er Jan Hendrik Prins (Slochteren 16.07.1906 – Maarssen 12.11.1988). Hij was getrouwd met Aaltje Nieborg (Foxhol 10.03.1908 – Maarssen 12.06.1991) en had drie kinderen (gegevens nog niet openbaar). Hij was chef expeditie, maar het is niet bekend van welk bedrijf.

Het huis werd, verhuurd, in 1952 geveild en gekocht voor 5025 gulden (~2300 euro).

Nummer 9 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 11

De eerste die werd ingeschreven was op 27 augustus 1903 Jan van der Bilt (Kapelle 23.04.1876 – Doorn 21.09.1962), zijn vrouw Petronella Vernee (Scheveningen 28.06.1876 – Amstelveen 21.06.1951) en hun inwonende dienstbode Grietje van Dijk (De Bilt 11.07.1881). Later werd er hun dochter Catherine geboren (Utrecht 02.04.1906). Jan was luitenant ter zee geweest maar werkte toen als observator bij de Sterrenwacht. Hij had ook eerst op de Zonnenburg gewoond. Hij zou later lector sterrenkunde aan de RU Utrecht worden. Ze verhuisden in 1906 naar de Maliesingel 58. In 1918 zijn ze gescheiden.

Daarna kwam de familie Hillen: Hendrik Hillen (Heijthuijsen [bij Roermond] 13.08.1852), zijn vrouw Maria Holt (Haarlem 09.07.1865 – 1936) en hun zonen Johannes (“Jean”) (Blerick 11.12.1902 – Kamerik 08.01.1962) en Frederic (Blerick 24.01.1904). Hendrik was ingenieur. Ze kwamen uit Namen, en verhuisden in 1910 weer naar Maasbree. Jean trouwde in 1930 met Antonia Hauser (Rotterdam 04.02.1905); nergens wordt melding gemaakt dat ze kinderen kregen.

Daarna woonde er Leendert Hakkert (Rhenen 02.07.1880 – Jutphaas 11.09.1930), zijn vrouw Johanna Leurink (Apeldoorn 28.03.1886 ->1973) en hun dochter Jeanette Hakkert (Utrecht 27.01.1910). Later werd ook hun zoon geboren, Willem Hakkert (Utrecht 22.11.1911). De moeder van Leendert, Jeannette Lucia van Diggelen (Nederhemert 06.05.1845 – 1931) voegde zich bij hen in 1912; een paar jaar ervoor had zij haar brouwerij “Weduwe W. Hakkert” gesloten. Leendert was bloemist bij  Knopper, die een grote bloemisterij Aurora in de Korte Jansstraat had, Johanna was onderwijzeres, net als haar vader was geweest. Jeanette trouwde in 1935 met Frederik Bauer (Geertruidenberg 21.10.1901).

Korte Jansstraat 23 waar bloemisterij Aurora zat. In 1904 gebouwd; het beeld op de gevel stelt Flora voor, de Romeinse bloemengodin (bron: Utrechts archief).

Rond 1915 woonde er H de Bruijn, stoffeerder, waar ik geen details van kan vinden die ik met zekerheid aan hem kan koppelen. Later voegde zich bij hem W van Heukelom. Er is maar één man bekend in het Utrechts archief met deze achternaam en voorletter, en dat is Walrave van Heukelom (Amsterdam 03.12.1879 – Utrecht 17.01.1961). De naam Walrave als voornaam is zeer uitzonderlijk, maar er zijn wel 26 mensen die zo heten en de achternaam Van Heukelom hebben. Ook nu is er in Nederland tenminste één persoon die Walrave van Heukelom heet. De naam kwam vooral voor bij adellijke geslachten in de 14e en 15e eeuw. Men vermoedt dat de naam Germaans van oorsprong is waarbij Wal beschermer op het slagveld betekent en Rave naar de vogel verwijst die vereerd werd door de Germanen. Walrave van Heukelom is twee maal getrouwd geweest, en ten tijde dat hij op nummer 11 woonde was hij getrouwd met Lubiena Juliena Modderman (Arnhem ~1880 – Utrecht 19.04.1949). ik vond niet dat hij kinderen kreeg. Ik vond geen beroep maar hij moet van gegoede afkomst geweest zijn, net als zijn vrouw die uit de De Ranitz familie stamde.

Tussen 1920 en 1924 woont er kort de familie Mazirel: vader Hendrik Mazirel (1878 [?1877])- Utrecht 01.03.1923), moeder Marie Elisabeth Mazirel – Bollinger (1870 – 1949) en dochter Laura (“Lau”) (Utrecht 29.11.1907 – Saint Martin de la Mer [Frankrijk] 20.11.1974). De huurprijs die ze moesten betalen was 32 gulden (~14,50 euro) per maand. Moeder was directrice van de Utrechtse Fröbelschool aan de Frans Halsstraat 20, die in 1920 gestart was. Dochter Lau, flink beïnvloed door haar pacifistische ouders, vestigde zich later in de socialistische commune Het Rode Klooster, en werd sociaal advocate, pleitbezorgster voor gelijke rechten en was later actief in het verzet. Ze was betrokken bij de aanslag op het bevolkingsregister in Amsterdam in 1943. Ze was ook politiek actief, met name in de PSP.

Lau Mazirel

Eind 1924 wordt vermeld dat er woonde R Rijksen, Dzn. Makelaar. Waarschijnlijk is dit Rijk Rijksen (Utrecht 05.10.1882). Hij komt uit een groot gezin met meer dan 10 kinderen, die allemaal in de bouw werkten.  Bij hem voegde zich rond 1930 J Haitsma, reiziger. Het is niet mogelijk precies vast te stellen wie hij is geweest. Het huis wordt verkocht in 1936 voor 5200 gulden (~2350 euro). Vanaf 1940 woonde er L van Gelderen, pensionhouder, en ik vond nog dat in de jaren 60 er de familie Heesen woonde. Johan Heesen (12.10.1921 – Utrecht 25.10.1964) was in 1941 getrouwd met Anna Maria Keegel (Utrecht 1923) maar in 1946 al weer van haar gescheiden. Hij had een stratenmakersbedrijf, samen met de heer F Stomphorst.

Nummer 11 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 13

De bouwtekening voor de nummers 9, 11, en 13 werd tegelijk ingediend bij de gemeente in 1901. Er moesten 3 in plaats van de oorspronkelijke 2 huizen op die plek gebouwd worden, en nummer 13 moest wat minder diep worden vanwege de naastgelegen spoorlijn maar dat laatste kon gecompenseerd worden door een iets breder huis.

Bouwtekening van Hugo de Grootstraat 9, 11 en 13 uit 1901.

De eerste die werd ingeschreven was op 14 mei 1903 Jan Van der Lip (Utrecht 26.02.1855 – Utrecht 21.03.1914), zijn vrouw Johanna Deele (Leiden 23.10.1856 – Utrecht 09.11.1938), hun zoon Jan Hendrik (Utrecht 30.04.1885 – ) en dochter Susanna (Utrecht 05.02.1889). Hij was grossier van beroep, Jan Hendrik werkte bij het spoor. Ze vertrokken weer in 1906 naar de Weerdsingel 11. Jan Hendrik trouwde met Anna Brigitta van der Lee (Den Haag 10.11.1886- Den Haag 04.01.1938) in 1911, en samen kregen ze twee zonen Jan Hendrik (Amersfoort 07.05.1914) en Hendrik Willem (Amersfoort 09.04.1919). Susanna trouwde met de arts Ferdinand Scholte (Rotterdam 27.03.1897 – Amsterdam 30.03.1969) in 1931, maar scheidde weer van hem in 1937. Zover bekend kreeg zij geen kinderen.

Ze hadden een paar mensen op kamers, zoals jonkheer Karel Johan Schorer (Poppelsdorf [bij Bonn]27.08.1870 – Utrecht 31.01.1942) die advocaat was en later lid werd van de gemeenteraad en provinciale staten, en deken van de advocatuur, maar ook verdienstelijk tekenaar en houtsnijwerker (hij zou een jonkvrouwe huwen, en twee van zijn 3 kinderen deden dat ook); Mattheus Esser (Amsterdam 28.10.1881) die scholier was aan het gymnasium; jonkvrouwe Jacqueline Schorer (Bliitersdorf [gemeente Godesberg] 28.12.1871 – Leysin [Zwitserland] 12.07.1917), die familie was van Karel en net als hij tot de Zeeuwse adellijke Schorer – Radermacher familie behoorde; Frans van Maanen (Utrecht 26.12.1880 – Zeist 05.04.1941) die filosofie studeerde; en Guillaume Leignes Bakhoven (Kampen 27.02.1880 – Driebergen 25.12.1933) die ingenieur was bij het Spoor. Laatstgenoemde verhuisde mee naar de Weerdsingel.

Jonkheer Karel Johan Schorer

Voorjaar 1907 werd ingeschreven Arie van der Hulst (Rotterdam 17.08.1875 – Baarn 17.10.1964), zijn vrouw Sophie Braams (Rotterdam 06.05.1871 – Bilthoven 18.07.1955) en hun zonen Adrianus (Utrecht 01.06.1899 – Velsen 02.11.1989), Arie Joseph (Utrecht 02.06.1901), en Johan (Utrecht 15.04.1906). Hij was papierhandelaar hoewel in de gemeentearchieven staat dat hij grossier was. Ze kwamen van Hugo de Groot 8, en in voorjaar 1911 verhuisden ze weer naar de Kievitdwarsstraat 15. Daarna werd nog geboren hun dochter Anna Maria (Rotterdam 22.05.1912). Adrianus werd winkelier en trouwde met Cornelia Krijnen (Texel  02.04.1899 – Velsen 01.06.1992). Arie Joseph trouwde in 1925 met Maria van der Sandt (Rotterdam 06.04.1900). Er is opvallend weinig over de familie bekend; de reden ervoor ken ik niet.

Daarna kwam er wonen A Waasdorp; hij was leraar. Zonder nadere gegevens bleek het niet mogelijk met zekerheid vast te stellen wie hij verder was. Daarna kwam Arie Cornelis Bosson (Maartensdijk 25.07.1875 – Bilthoven 09.11.1965), die leraar schoonschrijven was. Hij was getrouwd met Jacoba de Kroon (Amsterdam 29.03.1874 – Bilthoven 06.12.1959), en ze kregen een zoon, Hendrik Cornelis (Utrecht 03.03.1906 – Utrecht 08.02.1907) die 11 maanden oud werd. Ik vond nergens dat ze nog meer kinderen kregen. Hij woonde er tot ongeveer 1930.

De volgende bewoner was weer iemand die bij het spoor werkte: het stond volgens het adresboek op naam van Jan Willem Entrop (Utrecht 04.06.1857 – Utrecht 05.06.1914) maar waarschijnlijk was zijn zoon Jan Willem (Utrecht 01.04.1888) de hoofdbewoner. Zijn moeder (Hendrika Vorkink, Utrecht 31.05.1857 – Utrecht 09.08.1935) was toen nog net in leven of net overleden. De familie had eerder al op Hugo de Groot 10 bis gewoond (zie daar). De laatsten van wie opgegeven wordt dat zij er woonden, waren de weduwe J van Osnabrugge en de familie De Groot – Beuming. Dat is zonder verdere gegevens niet goed verder na te gaan.

Nummer 13 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat: even nummers

De bouw van de huizen in de Hugo de Grootstraat was onregelmatig, de huizen werden niet allemaal tegelijk gebouwd of op een rijtje. Uitgaand van de inschrijving van de eerste bewoners was de volgorde dat eerst nummer 10 gereed was, daarna nummer 2, dan nummer 12, en nummer 4, 6 en 8 allemaal tegelijk in april/mei 1903. Behalve nummers 9-13 was de overkant dus eerder klaar. Verderop werden 14-20 vrijwel tegelijk opgeleverd, in zomer 1903, waarbij de bovenhuizen telkens een paar maanden later opgeleverd werden dan de benedenhuizen.

Hugo de Grootstraat 2

Hugo de Groot 2 werd tegelijk gebouwd met nummer 1 en met Johan de Wittstraat 1: alle 3 huizen hebben hetzelfde ontwerp, hoewel bij de afwerking en later er wel verschillen ontstonden. De bouwtekening staat bij nummer 1.

Op 9 april 1903 werd als eerste ingeschreven Jan van Slooten (Amersfoort 11.02.1864 – Amersfoort 12.12.1942) met zijn vrouw Johanna van Dijke (Zierikzee 31.05.1878 – <1942) Hij was ambtenaar bij Rijkswaterstaat en net opzichter geworden. Hij kwam uit de Asch van Wijkkade 8, zij uit Zierikzee, Ze verhuisden weer in mei 1907 naar de Staalstraat 23 bis. Zover bekend kregen ze geen kinderen. Hij heeft later, rond 1925, nog enige tijd in Hugo de Groot 36 bis gewoond.

De volgde die introkken waren Hendrik van Broekhuijzen (Paramaribo 08.12.1865) met zijn vrouw Maria Sluiterman (Den Haag 15.11.1880 – Den Haag 1933), hun dochter Paulina van Broekhuijzen (Bandang 25.08.1899) en hun inwonende dienstbode Alberta Meijer (Amersfoort 11.08.1866). Ze waren net, in juni 1907, getrouwd, Paulina was een voorkind geboren toen haar moeder 18 was. Ze bleven maar een paar maanden en vertrokken in oktober weer naar Ned Oost-Indie. Er is verder werkelijk helemaal niets over hen terug te vinden.

Daarna kwam in april 1908 Jan Dirk Udo (Rhenen 29.11.1869 – Zwolle 13.03.1948). Zijn vrouw was Wilhelmina De Reus (Utrecht 29.01.1882 – Den Haag 11.04.1966). Ze waren net ervoor gehuwd op 8 april 1908. Hun kinderen Willem Udo (Utrecht 11.05.1909 – Doorn 10.06.1990) en Wilhelmina  (Utrecht 15.08.1910) werden er later geboren. Jan Dirk werd later directeur van de PTT in Zwolle. Willem huwde in 1939 met Mieke Backx (1912-1991), werd notaris in Rijswijk, en kreeg samen met zijn vrouw 4 kinderen. Zover te vinden trouwde Wilhelmina niet en kreeg ze geen kinderen. De familie Udo is een eeuwenoud geslacht. Er is een prachtig verslag geschreven over de familie die een bekende familie in Rhenen was en het veer daar bemande (Oud Rhenen 1999;1:5-17). Maar de familie is nog veel ouder en bestaat minstens 600 jaar. De naam is afgeleid van de voornaam van een van de voorouders (sommige van ons kennen nog wel Udo Jurgens, van de eindeloze optredens tijdens het Eurovisie songfestival). Zo’n familienaam die van de voornaam van een voorouder is afgeleid wordt een “versteend patroniem” genoemd. De familie komt uit de Betuwe, maar heeft zich geleidelijk aan verspreid over Nederland (in 1947 waren er 611 personen bekend met de achternaam Udo). Er zijn verschillende versies van hun familiewapen bekend die wel allemaal een haan laten zien die de poot opheft. De haan wordt meestal gezien als een symbool van waakzaamheid (vergelijk de haan boven op de kerktoren).

Familiewapen van de familie Udo in 2 versies.

Jan Dirk wordt van het postkantoor in Utrecht eerst overgeplaatst naar St Pieter in Maastricht in november 1912 en zal van daaruit naar Zwolle vertrekken.

Er komt daarna weer iemand van het spoor er wonen: EA Jansen. Er blijken 3222 Jansen’s te zijn die in Utrecht wonen in die tijd, en er is een hele serie die bij het spoor werkt. Daardoor is nagaan wie hij precies is geweest, en of hij een gezin had en zo ja, of deze er ook woonden, niet goed mogelijk. Ze woonden er tenminste tot 1925 maar mogelijk tot 1935.

Er zijn wel meer gegevens over de volgende bewoner: Barend Willem van Lonkhuizen (Utrecht 03.10.1880). Zijn beroep wordt aanvankelijk aangeduid als letterzetter maar later als stationschef. Hij woont samen met zijn ouders eerst in Utrecht, verhuist in 1921 naar Eindhoven, getrouwd of als partner met Geziena Treu (Groningen 18.12.1886 – Stoutenburg [bij Leusden] 22.01.1949), met wie hij twee zonen heeft: Herman van Lonkhuizen (Leeuwarden 20.08.1912 – Lemmer / Bolsward 09.09.1956) en Willem Barend van Lonkhuizen (Leeuwarden 02.09.1920).

2Bis

Op 22 sept 1902 werd er ingeschreven mevrouw Elisabeth Van Diepen – Docen (Amsterdam 13.03.1850 – Utrecht 14.03.1917), weduwe van Willem van Diepen (Amsterdam 14.02.1849 – Utrecht 25.05.1902), met haar dochter Antonetta (Amsterdam 30.05.1876 – Utrecht 10.02.1925), zoon Hendrik van Diepen (Laren N-H 11.01.1886 – Nijmegen 30.04.1930) en inwonende dienstbode Hendrika van Bekkum (Amersfoort 11.09.1875). In 1904 voegde zich bij hen dochter Elisabeth van Diepen (Utrecht 05.03.1878 – Zeist 20.10.1933) die verpleegster was. Ze hadden nog een dochter, Jacoba van Diepen (Amsterdam 30.05.1876 – Zeist 25.07.1943), en eerder hadden ze een zoontje Willem (Utrecht 14.10.1881 – Laren 08.02.1885) dat op 3 jarige leeftijd overleed. De familie vertrok weer in april 1906, naar verschillende adressen. Jacoba trouwde in 1896 met Bernard van Lier (Utrecht 03.03.1871 – Utrecht 21.10.1910) en kreeg samen met hem Willem (Utrecht 01.07.1899), Jacob (Utrecht 27.12.1902), en Francisca (Utrecht 03.11.1896 – Driebergen 04.03.1935). Hendrik trouwde Elisabeth Maria Cuijpers (Roermond 04.06.1881) met wie hij samen een dochter Jacoba (Utrecht 24.02.1915) en een dochter Hendrika (Utrecht 11.05.1917) kreeg. Hendrik en Elisabeth waren beiden aanvankelijk toneelspelers maar bij Hendrik stond bij zijn overlijden “verzekeringsagent”.

Een maand later kwam op kamers bij de familie Van Diepen Johanna Vermaas (Den Haag 02.02.1875 – Den Haag 27.02.1950) die als klerk werkte bij de posterijen. Ze is nooit getrouwd geweest en kreeg geen kinderen.  Ze woonde er zonder partner of familielid. Er kwam een jaar later nog iemand op kamers: Simon Harendorf (Utrecht  01.06.1874). Hij was papierfabrikant. Hij vertrok tegelijk met de familie Van Diepen, naar een ander adres, nl Brigittenstraat 18 waar zijn vrouw Mariana van der Sluijs (Arnhem 19.08.1885), waarna ze naar Amsterdam verhuisden. Velen kwamen en gingen in die tijd, er wonend tegelijk met de familie Van Diepen.

De familie die hun plek innam was de familie Hafkemeijer . Mevr Geertruda Engelbregt (Delft 12.02.1848) was weduwe van de heer Constantinus Hafkemeijer (Den Haag 1832 – Utrecht 27.11.1894). Ze woonde ervoor in Johan de Wittstraat 3 met haar 2 zoons Petrus (Delft 06.01.1882) en Henri (Delft 28.11.1884) en toen ook nog met haar twee dochters. Die waren echter inmiddels het huis uit. Geertruida verhuisde in 1912 naar Den Haag; haar zonen waren toen inmiddels het huis al uit, Petrus naar Indie in 1906 en Henri naar Rotterdam in 1907. Toen Petrus het huis uit ging kwam op kamers wonen Magdelaine Van Selm (Utrecht 10.03.1846) die onderwijzeres was. Ze ging begin het jaar erna naar Zeist toe. Daarna kwam er de studente tandheelkunde Anna Otté wonen (Groningen 17.09.1885) die in 1910 terug ging naar Groningen.

In mei 1912 kwam de familie Van Nimwegen – De Winter: Johanna De Winter (Tiel 17.10.1862) was net weduwe geworden van Petrus van Nimwegen (Bergen op Zoom 26.10.1855 – Utrecht 19.09.1911). Hij had als machinist bij het Spoor gewerkt. Ze woonde er met haar zoon Johannes Franciscus Baptist van Nimwegen (Utrecht 13.09.1899) en dochter Dorothea (Nijmegen 05.11.1892).  Hun zoon Gabriel (Nijmegen 06.02.1888) werkte ook bij het spoor en woonde inmiddels in Arnhem. Hun zoon Johannes Franciscus Petrus (Nijmegen 18.01.1890 – Kamp Vught 08.02.1943) was slager in Oss. Hun zoon Gerard (Venlo 27.04.1894) werd kelner, en trouwde in 1922 met Johanna Smit (Losser 23.04.1889). Dorothea werd onderwijzeres. Nog een zoon, de tweede zoon die Johannes Franciscus Petrus (Nijmegen 18.01.1890) heette, huwde in 1926 met Anna Maria Fitze (Barmen [Duitsland] 1900).

Slagerij Ebbing aan de Zonstraat 21 rond 1922 (bron: Utrechts Archief).

De famile Van Nimwegen had op kamers de zussen Eugenie Poels (Gorcum 10.02.1887 – Utrecht 06.07.1939) en Willemina Poels (Gorcum 23.04.1889 – Etten-Leur 01.08.1962). Eugenie was studente farmacie, Willemina deed medicijnen. Eugenie trouwde in 1917 met Johannes Christoffel Motké (Asten 15.03.1889 – Utrecht 06.07.1939). Ze kregen tenminste zeven kinderen. Apotheek Motké – Poels bestaat nog steeds in Breda aan de Vismarktstraat 20. Willemina trouwde niet en kreeg zover bekend geen kinderen. Ze moet zich als arts in de omgeving van Eindhoven gevestigd hebben maar ik kan niet vinden waar precies.

Johannes Motké (2e rij, 2e van rechts) als luitenant der veldartillerie voor de poort van het Groot Arsenaal van de Seeligkazerne in Breda in ~1922 (bron: Stadsarchief Breda).

In 1923 staat ingeschreven AW Brandt (Zwolle 1889), toen hoofdinspecteur van de politie. Later, in 1927, werd hij hoofdinspecteur. Het Utrechts Nieuwsblad van 18 maart 1927 beschrijft hem als “.. een prettig mensch in den omgang en heeft in het politiecorps de sympathie van zijn ondergeschikten. Hij is streng en nauwkeurig maar nimmer onredelijk in zijn eischen.”  Ik zag zijn naam frequent opduiken in het Utrechts Nieuwblad als ergens de openbare orde gehandhaafd moest worden; blijkbaar was hij behoorlijk stevig want hij deed verdienstelijk mee in wedstrijden touwrekken in de categorie zwaargewichten. Hij speelde ook een belangrijke rol in de bond van het Hoger Politiepersoneel. Hij verhuisde daarna, in 1926, naar de Maliesingel 48.

Commissaris AW Brand in 1950 toen hij 40 jaar in dienst was (bron: Utrechts Nieuwsblad).

Daarna hebben er nog gewoond Johannes Arend Schuursma (Sneek 26.09.1908 – Bergen 12.04.1985), leraar Klassieke Talen aan het Stedelijk Gymnasium. Hij verhuisde in 1940 naar Groningen omdat men aldaar een niet-NSBer wilde hebben als opvolger van hun (Joodse) rector Engbers die uit zijn ambt gezet werd. Na hem woonde er mevr A Hien-Hüttl, die getrouwd was (?geweest; er werd niet gemeld dat ze weduwe was) met Ludwig Hien, en die een dochter Anna Marie Uit den Boogaard – Hien had die in 1938 getrouwd was.

Ik kan niet nalaten te melden dat ik weet dat er gedurende vele jaren vanuit 2bis in de middag blokfluiten klonken omdat er een muziek lerares woonde.  Ik kan haar naam niet vinden en degene die ik het vroeg kunnen zich het niet meer herinneren. Als iemand dat wel doet, hoor ik het graag.

Nummer 2 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 4

De eerste bewoners ingeschreven op 10 September 1903, waren Johanna Deierkauf (28.04.1858- 1914) en haar zus Geertruida (geb 26.02.1863 – 1924), met hun dienstbode Elisabeth Wildschut (26.12.1878). Vier weken later waren ze weer weg! Ze kwamen uit de Nobelstr 1 en gingen alle drie weer terug daar naartoe. De reden is me niet duidelijk. De familie Deierkauf is van oorsprong afkomstig uit de omgeving van Mainz in Duitsland, maar verhuisde eind 18e eeuw naar Nederland De zussen hebben 7 broers en zussen gehad die op een na allemaal vroeg zijn overleden; die ene broer kreeg 6 kinderen, zij zelf hebben geen kinderen gekregen. Een paar weken erna komt de volgende bewoner: Johanna Verhoeff (22.04.1862) met haar dochter Johanna (25.05.1897); vader was overleden. Ze kwamen uit Driebergen (ervoor uit regio Rotterdam) en vertrokken in 1906 naar de Maliesingel 48. In de tussentijd kwamen er nog wel anderen bij hen wonen: Geertruida van Beek (27.10.1886) was een andere dochter van mevr Verhoeff, en ook de moeder van haar overleden echtgenoot uit 1834 woonde er een half jaar. Daarna trok een nichtje in, Belia Verhoeff (18.12.1886), maar dat was maar voor een paar weken. Zo ging het maar door: maar liefst 9 verschillende mensen woonden er tot 1911. Waarom het verloop zo groot is geweest blijft me onduidelijk. Vanaf 1911 woonde er mej Susanna Henrietta Palmer van den Broek (28.01.1867-01.06.1944). Ze was geboren in Soerakarta. Ik heb moeten opzoeken waar dat lag: het is een keizerrijkje dat op Java lag, en waarvan de heerser semi-zelfstandig aan de macht was. Een aantal van haar familieleden heeft in dat deel van Java gewoond en gewerkt maar oorspronkelijk kwam de familie uit Jelsum (Friesland). Er is in het Tropenmuseum veel meer over deze familie te vinden. Susanna was boekhoudster van beroep, en woonde tevoren in de Schoolstraat 20. Zij is er lang blijven wonen. Ik denk dat ze eind 1928 is vertrokken ‘naar Indië’ want toen stond er een advertentie in de krant van een inboedel die te koop was:

advertentie in krant die de inboedel beschrijft
Advertentie van 18 September 1928 in het Utrechts Nieuwsblad waarin mevr Palmer van den Broek haar hele inventaris te koop aanbiedt.

Zo zie je wat een familie aan spullen had! Susanna is uiteindelijk in Den Haag overleden. Ze woonde er niet alleen: de weduwe Neeltje Stooker (11.04.1864-1918) woonde er tegelijkertijd met haar kinderen Simon (02.09.1898) en Neeltje (04.12.1903-1940) Koegelberg. De familie Koegelberg komt van oorsprong uit Noord-Holland, de familie Stooker uit Breukelen.

De huidige bewoners van 4bis konden me nog vertellen dat er lange tijd de weduwe Rietje Geurts heeft gewoond, die van verzamelen hield en in de loop der jaren erg veel huisraad en andere spullen vergaarde. Toen ze uiteindelijk het niet meer redde om alleen te wonen waren er twee volle containers nodig om de spullen af te voeren.

4Bis

De benedenburen van 4 hadden wel erg lang dezelfde bovenburen op 4bis: vanaf 12 mei 1903 woonde op 4bis de familie Van Omme-Van Lonkhuijzen. Teunis Gijsbertus van Omme (31.07.1846-13.01.1929) was eerst gehuwd met Engelina van Rijn (1853-1883) en is later, op 28 april 1887 hertrouwd, met Johanna Hendrika van Lonkhuijzen (08.09.1858 – 1933). Hij kwam van oorsprong uit Ede, en was daar eerst winkelier en later in Wageningen koopman.  Van haar wordt geen beroep gemeld, zij kwam van oorsprong uit Heteren. Ze kwamen er wonen met 2 kinderen: Geertruida geb 01.05.1889 en Johannes geb 25.11.1890 (beiden geboren in Wageningen).De familie is er blijven wonen tot mijnheer overleed in 1929.

Er woonden daarna een paar mensen kort, en daarna opnieuw een en dezelfde familie gedurende tenminste 20 jaar, nl de familie Olthoff. Nicolaas (Hilversum ~1887 – Utrecht 30.04.1955), zijn vrouw Gerritje van Kooten (Zeist 1888 – Utrecht 12.11.1943), zijn dochter Met(h)a (“Metje”) Mooy-Olthoff (? – Utrecht 02.10.1982), met diens echtgenoot PA Mooy, en zoon Abraham Johannes Olthoff (11.07.1916 – 15.03.1966), diens vrouw Hendrica Zwerina Verweij (24.07.1914 – 24.07.2003) en een aantal kleinkinderen. Hun kleinzoon, die eerst aangeduid wordt als Nicootje, wordt  N Olthoff, beëdigd makelaar / taxateur april 1953. Zij woonden er tenminste tot 1955.

4bis moet een plezierige plaats zijn om te wonen: ook de huidige bewoners wonen er al erg lang, 26 jaar.

Hugo de Grootstraat 6

Op 6 juni 1903 werd als eerste ingeschreven Fredrik Huibertus Leusden (Schoonhoven 17.07(?06).1866 – Utrecht 25.02.1928), met zijn vrouw Helena Margaretha Van den Brink (Utrecht 20.05.1867 – Utrecht 26.06.1940) en zonen Johannes Leusden (Soerabaya 03.02.1892 – Tilburg 28.10.1946) en Frederik Leusden (Magalang 27.06.1893 – Java 18.09.1944). Hun inwonende dienstbode was Jacoba den Broeder (Woerden 12.12.1882). Frederik was militair apotheker in Indië geweest en met verlof. Ze kwamen toen rechtstreeks uit Indië, en hij ging er in voorjaar 1904 weer heen. Zijn vrouw en kinderen bleven er wel wonen. Johannes zal in 1924 trouwen met Maria Vogt (Utrecht 16.12.1893 – ). Van Frederik is maar één ding terug te vinden: hij was aan boord van het transportschip Junyo Maru dat op 18 september 1944 werd getorpedeerd juist buiten de kust van Sumatra waarbij hij verdronk; hij zat op het schip omdat hij sinds maart 1942 in een gevangenenkamp zat op Java. Bij ‘beroep’ werd nog ingevuld dat hij op een suikerrietplantage werkte.

Japanse interneringskaart van Frederik Leusden uit 1944 (bron: Nationaal Archief).

Rond 1910 trok bij hen in vanuit Hugo de Grootstr 8 mevrouw Aleida Maria Voormolen – Wentholt (Hellevoetsluis 28.04.1866 – Driebergen 07.04.1913), weduwe van Willem Voormolen (Enkhuizen 10.05.1856 – Den Haag ?07.1909) en moeder van Alexander Nicolaas Voormolen (Rotterdam 03.03.1895- Leidschendam 12.11.1980) en Alieda Maria Voormolen (Rotterdam 27.03.1900). Willem was eerst marine officier, werd daarna burgemeester van Veendam en Doesburg, en vervolgens hoofdcommissaris van politie in Rotterdam. Alexander trouwt vier maal: met Henriette Van Beeck Calkoen, Eliza Musschenbroek, Marcelle Chouillet en Alice Grierson maar kreeg geen kinderen. Hij was componist van beroep. Alieda trouwt met August Eduard Roest van Limburg (Middelburg 20.08.1901- Laren 29.07.1972) en krijgt één dochter. August was overigens de neef van de opvolger van Alieda’s vader als commissaris in Rotterdam;  wellicht dat ze elkaar zo leerden kennen.

Links hoofdcommissaris Willem Voormolen; midden componist Alexander Voormolen; rechts een portret van Alexanders door Isaac Israels.

Jan Jerfas Wesselo (Utrecht 25.04.1885 – Utrecht 22.11.1929) kwam er vlak na zijn trouwen in 1915 wonen met Cornelia Anthonia Schadee (Utrecht 23.07.1886 – Utrecht 31.03.1974). Hij was kunsttandzetter van beroep, net als zijn vader Johannes Wesselo, die overigens oorspronkelijk goudsmid was. Wii zouden tegenwoordig zo iemand tandtechniker noemen. Het echtpaar kreeg een zoon Johannes Laurens Wesselo (Utrecht 18.07.1916 – Utrecht 08.06.1967) en een dochter Hendrika Wesselo (Utrecht 16.02.1918 – Zeist 11.06.1919). Ik kende de voornaam Jerfaas (Jerphaas) niet. Er blijken ongeveer 25 mensen in Nederland te zijn die deze voornaam hebben. De herkomst is niet helemaal zeker maar het meest waarschijnlijk is het een mengsel van Germaans (Ger = speer) en Keltisch (Vass = knecht), dwz lansknecht. Een alternatieve schrijfwijze is Gervaas

Rond 1930 woonde er A Bakker waar zonder meer data geen gegevens over te verkrijgen zijn, en daarna kwam er rond 1940 Teunis Gijsbertus Jansen van t land (Bussum 19.08.1901 – Utrecht 26.08.1967). In de gemeentearchieven staat eerst dat hij electricien is, maar later dat hij tuinman is.  Hij trouwde in 1926 met Wietske Dam (Schoterland 09.10.1901). Ze kregen 2 zonen en een dochter.

6Bis

Op 15 april 1903 werd als eerste ingeschreven Henri Wesenhagen (Suriname 21.01.1846 – Utrecht 04.04.1908), zijn vrouw Harriette Campbell (Paramaribo 05.09.1845) en hun kinderen Henriette (Suriname 27.03.1872), George (Suriname 01.04.1883 – Zeist 14.03.1951), Alexander (Suriname 10.07.1884), Susanna (Paramaribo 09.04.1874) en Henri (Suriname 21.01.1878). Henri sr en Harriette waren beiden gepensioneerd ambtenaar die in Suriname hadden gewerkt. De familie Wesenhagen woonde al generaties lang in Suriname en heeft vele functies aldaar bekleed. George was semi-arts bij inschrijving, Alexander leraar stenografie, en Henri jr ambtenaar van het emigratie departement. Susanne en Henri jr gingen in 1903 en 1905 weer terug naar Suriname, de anderen verhuisden in voorjaar 1910 naar de FC Donderstraat 50bis. Susanna trouwde in 1903 met Heinrich Thamm (Berlijn 1862), en ze kreeg tenminste 2 kinderen. George trouwde in 1911 met Maria Hendrika Dwars (Kampen 1886) en kreeg tenminste een zoon; waar hij zich als arts vestigde weet ik niet. Er is op de site van het Rijksmuseum een hele serie foto’s te vinden van het verblijf van de familie Wesenhagen in Suriname. Dat is dan vooral de familie van Jacob Evert Wesenhagen (1862-1924), die gouvernementsgeneesheer was in Paramaribo.

Zaza, de ‘nenne'(kinderjuffrouw) van de familie Wesenhagen in Suriname (rond 1900) (bron: Rijksmuseum).

Daarna kwam er de familie Huinck wonen: Willem Christiaan Huinck (Utrecht 23.08.1881 – Hilversum 13.01.1966) met zijn vrouw Cornelia Johanna Kelfkens (Utrecht 20.05.1875 – Hilversum 01.01.1954); ze werden ingeschreven een week voor hun trouwen in 1911. Het jaar erna voegden de ouders van Willem zich ook bij hen: Adrianus Huinck (Utrecht 26.06.1847) en Jeanette (“Jansje”) Margaretha Goudeau (Utrecht 01.08.1857). Ik vond niet dat Willem en Cornelia kinderen kregen. Ze zijn in 1932 gescheiden. Willem stond ingeschreven als koopman maar in dit geval betekende dat kunsthandelaar, wat hij deed in Amsterdam (Herengracht 469), samen met zijn compagnon Scherjon, waarbij hij gespecialiseerd was in de Haagse en Amsterdamse school. Zijn vader Adrianus was ook al kunsthandelaar.

Links Willem Huinck, midden het vroegere pand aan de Herengracht waar zijn kunsthandel was (is in 1958 afgebroken); rechts een voorbeeld van een aankondiging van een vernissage van zijn kunsthandel.

In 1916 woonde er Jan Spijkerboer (Krimpen aan de Ijssel 10.06.1885 – Utrecht 27.09.1974) die leraar was aan het Christelijk Gymnasium en ook werkte als assistent Universiteit. Hij was getrouwd met Henriette Catharina Dekker (Utrecht 13.01.1889 – Utrecht 28.06.1975)  Zoontje Gerrit overleed op 11 jarige leeftijd (Utrecht 02.09.1914 – Bussum 01.07.1926),en ze kregen verder teminste nog een dochter Hendrika (“Hennie”) (Utrecht 22.04.1918 – Utrecht 08.07.1889), die later in 1948 zou trouwen met Willem Merckel (1918-2008) en een zoon Derk Jan (Bussum 14.09.1931 – Utrecht 30.12.1981), die zou trouwen in 1957 met TW Van de Velde, en 6 kinderen kreeg.

Begin jaren twintig woonde er Hermina Hendrika Rapis (Rheden 26.03.1873 – Utrecht 04.10.1923) die onderwijzeres was geweest. Ze trouwde nooit en had geen kinderen. Toen ze overleed, checkte haar broer of ze wellicht nog schulden had door een advertentie in de krant te zetten:

Advertentie in het Utrechts Nieuwsblad van 9 oktober 1923 om na te gaan of Hermina Rapis nog ergens schulden had

Waarschijnlijk is direct daarna in haar plaats er komen wonen haar zus Diederika Johanna Rapis (Rheden 11.08.1874 –  Utrecht 07.09.1962) die weduwe was van Hendricus Gijsbertus Van de Westeringh (Valburg 31.12.1871 – Utrecht 06.05.1929). Het is ook mogelijk dat ze vanaf het begin samen op 6bis woonden. Ze had de zonen Hendricus Gijsbertus (Utrecht 10.06.1902), Jan Gerrit (Utrecht 21.08.1905), Matthijs Jan (Utrecht 04.10.1903) en dochters Diederika Johanna (Utrecht 02.12.1914) en Hermina Hendrika (Utrecht 09.02.1917). De familie zal oorspronkelijk ongetwijfeld uit Bergamo (Italie) komen waar de Rapis familie een oude, adellijke familie is geweest. De familie moet tussen 1935 en 1940 weer verhuisd zijn.

Daarna woonde er mevr J Hessler en de familie L Hoogendoorn, waar ik zonder verdere gegevens niets over kon vinden.

Hugo de Grootstraat 6 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 8

Op 17 juli 1903 werd als eerste ingeschreven de familie van der Hulst. Vader Arie (Rotterdam 17.08.1875 – Baarn 17.10.1964), moeder Sophie Josephina Braams (Rotterdam 06.05.1871 – Bilthoven 18.07.1955), zonen Adrianus (Utrecht 01.06.1899 – Velsen 02.11.1989) en Arie Joseph (Utrecht 02.06.1901) de zus van moeder Josephine Braams (Rotterdam 11.05.1883) en de inwonende dienstbode Jansje Boerkool (Beek en Donk 20.11.1882). Later werd er nog geboren hun zoon Arie (Utrecht 01.02.1904) en zoon Johan (Utrecht 15.04.1906), ze kregen nog een levenloos geboren kind op 26.06.1908, en na verhuizing naar Rotterdam werd nog geboren Anna Maria Sophia (Rotterdam 22.05.1912). Arie sr was papierhandelaar. Ze verhuisden in mei 1907 naar de Hugo de Grootstr 13, alleen de zus van moeder ging terug naar Rotterdam. Adrianus trouwde in 1925 met Cornelia Krijnen (Texel 02.04.1898 – Velsen 01.06.1992) en werd winkelier.  Arie Joseph trouwde in 1925 met Maria van der Sandt (Rotterdam 06.04.1900). Er is verder opvallend weinig van de familie bekend, de reden ervoor ken ik niet.

De volgende familie was de familie Sluijter: Dirk Barend (Oudshoorn 12.02.1875 – Vreeland 31.01.1959), Petronella Flier (Breda 08.05.1873 – Amsterdam 22.04.1909), en hun kinderen Anna Clasina (Breda 06.10.1901), Johannes Nicolaas (Breda 18.04.1904), Johanna Martina (Breda 01.09.1905), Nicolaas Wilhelm (Utrecht 08.07.1907) en Maria Petronella (Utrecht 08.07.1907 – Vreeland 20.05.1950). Dirk Barend was administrateur bij de Koninklijke Stoomvaart Maatschappij “Nederland”, wat meestal in het dagelijks verkeer verkort werd tot “de Nederland”. De rederij heeft bestaan tussen 1870 en 1970, en ging samen met enkele andere rederijen in de Nederlandse Scheepvaart Unie wat in 1977 bekend werd als Nedlloyd.

De gids van de Koninklijke Stoomvaart Maatschappij “Nederland” uit 1911.

Petronella overleed op voorjaar 1909.  In april 1909 ging  het gezin naar Princenhage (bij Breda), en vader Dirk Barend hertrouwde in 1911 met Maria Gerharda Bosman (Beilen 21.02.1873). Anna Clasina trouwde in 1924 met Teunis Dorlas (Gouda 07.07.1900) van wie ze in 1937 weer scheidde, Johanna trouwde in 1927 met Jean Martin Ambagtsheer (Amsterdam 17.07.1901), Johannes werd luitenant ter Zee en trouwde in 1928 met Maria Wilhelmina Bouma (Bodjonegro 1906). Maria trouwde in 1929 met Herman Johannes Scheuer (Amsterdam 27.01.1906).

In 1912 werd ingeschreven Gerardus Johannes Lubbers (Vianen 21.09.1857 – Utrecht 20.01.1938), zijn vrouw Elisabeth De Reuver (Schalkwijk 08.03.1861 – Utrecht 27.01.1946), en hun kinderen Theodorus (Vreeswijk 08.01.1898 [?1900]), Antonius Gerardus (Utrecht 04.04.1899), Gerardus Johannes (Utrecht 09.04.1901), Catharina (Utrecht 07.07.1903), Hermanus (Utrecht 14.09.1905), en Gerarda (Utrecht 20.02.1897). Gerardus sr is schoenmaker van beroep geweest maar werd later makelaar. Zoon Theodorus wordt leraar Frans en trouwde met Elisabeth Geertruida Bombach (Amsterdam 06.05.1888) in 1921 Ze blijven er lang wonen, minstens tot 1925.

Na hen kwamen er wonen PJ Lavies, koopman. Ik kan niets over hem vinden, mogelijk kwam hij uit een Angelsaksisch land. De familienaam Lavies komt in Nederland wel voor, en dan vooral in Den Haag, maar in Utrecht had je ook Jan Lavies die een bekend affiche ontwerper was. Rond 1940 woonde er Leonardus Johan van Lent (Wageningen 06.05.1903 – Zeist 17.09.1979), die in 1934 getrouwd was met Engelina (“Liny”) Manning (Musselkanaal [in Groningen] 10.06.1907 – Zeist 05.03.1994). Hij was etaleur van beroep. Een site die afstamming op zeer lange termijn aangeeft, laat zien dat Engelina een achterkleindochter (x 40!) is van Karel De Grote! Ik weet niet of ze dat zelf geweten heeft…

De afstamming van Liny Manning van Karel de Grote (rechts).

Van degenen die er na woonden is het aardig te noemen dat in 1949 de familie Harder woonde op nummer 8. Hij was als militair uitgezonden naar Indonesië en werd bij terugkeer hartelijk ontvangen door de straat, waar vooral buren J Holtslag en W Verheul hier actief voor waren.

Jan Harder wordt verwelkomd in 1949 na terugkeer uit Indonesië (bron: Utrechts Nieuwsblad).

8Bis

De familie Itallie kwam op 19 mei 1903: Hartog (Meppel 22.10.1842 – Utrecht 26.10.1909), zijn vrouw Minette van Gelder (Amersfoort 30.09.1838), hun dochter Emma Gerarda (Utrecht 26.09.1870) en de zus van moeder, Eva van Gelder (Amersfoort 24(?27).05.1834 – Utrecht 18.10.1919), die weduwe was van Samuel Wijzenbeek (Culemborg ~1835), en hun inwonende dienstbode Johanna Brouwer(Amersfoort 22.07.1886). In 1909 voegde zich bij hen hun dochter Bertha Wilhelmina Itallie (Utrecht 27.03.1869). Hartog had gewerkt als leraar aan het gymnasium, en Bertha werkte bij een levensverzekeringmaatschappij “De eerste Nederlandsche”. Deze verzekeringsmaatschappij was opgericht in 1882, en fuseerde later met twee andere maatschappijen tot Ennia, dat weer samen met AGO  verder ging in 1983 onder de naam AEGON. Toen vader eind 1909 overleed, verhuisde de familie kort erna naar Amsterdam.

Porseleinen bordje van de Eerste Nederlandse (rond 1900).

Daarna kwam er kort wonen Alieda Maria Wentholt (Hellevoetsluis 28.04.1866 – Driebergen 07.04.1913). Ze was net weduwe geworden van Willem Voormolen (Enkhuizen 14.04.1878 – Den Haag ?07.1909). Hun dochters Alieda Maria Voormolen (Rotterdam 27.03.1900). Clasina (Doetinchem 06.07.1888) en zoon Alexander Nicolaas (Rotterdam 03.03.1895 – Leidschendam 12.11.1980) woonden ook bij hen. Willem is destijds hoofdcommissaris van politie in Rotterdam geweest, Clasina jr was studente filosofie, en Alexander werd componist. De familie staat verder beschreven bij Hugo de Grootstraat 6 want daar verhuisden ze naar toe. Ze hadden op kamers jonkvrouwe Berthe Louise Elise Senarclens de Grancy (St Michielsgestel 28.11.1890 – Den Bosch 03.05.1958), studente rechten. De Senarciens de Grancy familie is een oud-adellijke Zwitserse familie welke sinds 1814 ook in de Nederlandse adel was opgenomen. Ze trouwde met Nicolaas Johannes Bink (Amsterdam 17.07.1897 – Rosmalen 08.12.1980). Ze kregen geen kinderen en het adellijk geslacht is in Nederland nu uitgestorven.

Links de familie Senarclens de Grancy in 1939wanneer hun tuinman Hannes 40 jaar bij hen in dienst is. Berthe is de 3e van rechts op de voorste rij die op een stoel zit (bron: Heemkunde Vereniging De Heerlijkheid Herlaar). Rechts landhuis Haanwijk en Tolhuis ‘t Vaantje te Haanwijk waar Berthe woonde.

Er woonde daarna een groot aantal andere families op 8bis van wie het zonder meer gegevens moeilijk is met zekerheid te bepalen wie zij verder zijn geweest. Mevr Reuser, de familie Decker (hij  was eerste luitenant van de veldartillerie), de familie Groeneijk, de familie Van Ravenswaaij  (hij was koperslager), en de weduwe D Gerdes. Alleen van de familie Groeneijk kon ik meer vinden. Vader is Jacobus Walraven Groeneijk (Hedel 25.05.1878 – Voorburg 11.06.1949) die in 1906 getrouwd was met Hendrina Willemina Hupkes (Dieren 26.04.1880). Hij werkte als adjunct inspecteur bij de posterijen.

Nummer 8 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 10

De bouwtekening van Hugo de Groot 10 werd volgens het archief in 1902 ingediend en goedgekeurd. Ik schat echter dat er al eerder tekeningen werden ingediend en alleen nog kleine veranderingen nodig waren, zodat men al met de bouw bezig kon zijn. Anders is het moeilijk te verklaren hoe in Mei al de eerste bewoners werden ingeschreven.

Bouwtekening van Hugo de Groot 10 uit 1902

Op 28 mei 1902 werd als eerste ingeschreven de familie Lagerwij: Johannes Wouter Lagerwij (Utrecht 25.09.1874 – Utrecht 18.07.1934), zijn vrouw Geertruida (“Trui”) Hessel (Utrecht 29.10.1871 – Utrecht 04.10.1935), met hun zoon Johannes (Utrecht 15.05.1901). Later werd er nog geboren Pieter (Utrecht 04.09.1902), Gerardus (Utrecht 18.09.1907 – Utrecht 15.08.1909) en dochters Maria (Utrecht 21.01.1905), Jacoba (Utrecht 29.04.1906 – Voorburg 23.02.1947) en Geertruida (“Truus”) (Utrecht 03.04.1910). De vader van Geertruida sr, Pieter Hessel (Utrecht 19.03.1831 – Utrecht 16.08.1915) woonde ook bij hen. Vader Johannes was timmerman van beroep (net als zijn vader) en werd later aannemer. Hij bouwde onder meer in die tijd Villa Adriana en Villa Juliana aan de Nassaulaan 38-40 in Baarn.

Villa Adriana en Juliana in Baarn, met ervoor de familie Lagerwij (helemaal rechts Trui, ernaast Johannes Wouter). Rechts Johannes Wouter Lagerwij in 1921 (bron: www.familiehessel.nl)

Opa Pieter was sigarenmaker van beroep, aan de Wijde Begijnestraat 3 (wat nu het Eye hotel is).  Truus trouwde met haar neef Piet Hessel (1917), Maria trouwde met Pieter van der Kaaij (Utrecht 18.08.1907 – Oestgeest 02.04.1944), Pieter met Jacomina Van Wijngaarden (Utrecht 1900), Jacoba met Willem Enklaar (Utrecht 06.11.1904 – 01.03.2005), en Johannes met Marie Keijzer. Alleen van Johannes is bekend dat hij een kind kreeg, Truus (Den Haag 29.01.1934 – Amsterdam 26.05.2017). Ze woonden er ruim 10 jaar. Aardig te melden is dat de familie Lagerwij ook aan de Kievitdwarsstraat  17 heeft gewoond, en dat meer dan 100 jaar lang. In onze buurt kennen we wel families die al 50 jaar hier wonen, maar 100 jaar is exceptioneel.

Rond 1915 kwam er wonen Piet Jan Frederik van Nieuwcasteel (Utrecht 04.03.1876 – De Bilt 19.04.1949), die getrouwd was met Neeltje Bos (Veenendaal 24.08.1876 – De Bilt 30.01.1936) met dochter Neeltje Barendina (Utrecht 20-05-1900 – Valkenswaard 18.04.1989) en zonen Johannes Jacobus (Utrecht 01.09.1901) en Piet Jan (Utrecht 01.11.1903). Neeltje jr trouwde met Johan Benjamin van Zuilichem (Dordrecht 05.09.1896 – Utrecht 03.04.1962). Piet Jan jr trouwde met Cornelia Adriana Driessen (Zeist 15.11.1900). Ik weet niet of ze familie zijn geweest van Jacob en Jan Jacob Van Nieuwcasteel, zeer bekende zilversmeden uit Utrecht (in de Mariastraat) waarvan prachtige stukken in het Centraal Museum te zien zijn. Piet Jan sr was grossier, en samen met T Rensen de oprichter in 1906 van de federatie van groothandel in levensmiddelen, tegenwoordig verkort tot de Groothandel in Levensmiddelen (GIL).  Ze woonden tenminste 10 jaar op nummer 10.

Rond 1930 trok in Johanna Catharina van Giessen – Sauerbier (Rotterdam 03.12.1855 – Maartensdijk 14.05.1947), weduwe van Jan Hendrik Van Giessen (Utrecht 19.04.1838 – Utrecht 18.10.1926). Jan Hendrik was opzichter van beroep geweest maar het is me niet bekend of dit in de bouw of elders was. Mogelijk dat een of meer kinderen bij haar woonden maar dat staat niet vermeld. De laatste die ik vond was de familie De Ouden, waarvan hij incasseerder van beroep was; de naam is te frequent om met zekerheid vast te stellen wie hij precies is geweest. 

10Bis

Op 11 augustus 1902 werd er ingeschreven Thierry Boom (Maastricht 26.08.1849 – Den Haag 29.06.1929), en zijn nicht Carolina van Holst Pellekaan (Den Haag 16.11.1884 – Djokjakarta 02.09.1931) met hun inwonende dienstbode Pieternella Verbeek (Deil 04.01.1871). Hij was kolenhandelaar van beroep. In voorjaar 1905 verhuisde de hele familie naar Johan de Wittstraat 10. Voor een verdere beschrijving zie daar.

Daarna werd ingeschreven Jan Willem Entrop (Utrecht 04.06.1857 – Utrecht 05.06.1914), zijn vrouw Hendrika Johanna Vorkink (Utrecht 31.05.1857 – Utrecht 09.08.1935) en dochters Maria Johanna Entrop (Utrecht 28.10.1883 – Utrecht 27.01.1947), en Johanna Hendrika Entrop (Utrecht 10.10.1881 – Utrecht 02.10.1949). Later voegde zich bij hen Christiaan Entrop (Utrecht 10.09.1885 – Amersfoort 01.04.1963). Christiaan werkte bij het spoor, Johanna was onderwijzeres. Johanna trouwde met Jan Willem Brinkgreve (Utrecht 13.07.1882 – Utrecht 16.03.1940), Christiaan met Johanna Hendrika Paap (Utrecht 14.05.1898 – Amersfoort 23.08.1967); zover ik kan nagaan bleef Maria ongetrouwd.

In 1906 namen ze op kamers Willem Adeodatus van Griethuijsen (Haren 22.10.1883 – Leiden 20.04.1962). Willem was toen student theologie en werd later predikant, net als zijn vader was.

De familie van Griethuijsen; Willem Adeodatus is de middelste; zijn vader heette ook Willem Adeodatus en was ook predikant. De foto moet rond 1908 gemaakt zijn

Willem Adeodatus is later, in 1911, getrouwd met Wilhelmina Reinhardina Cambier van Nooten (Lopik 07.05.1885 – Buurmalsen 17.07.1919). Ze was de dochter van Sebastiaan Cambier van Nooten, burgemeester van Lopik en later ook Maarssen.  

De Familie Cambier van Nooten in ong 1900, met vader links en Wilhelmina naast hem

Ze kregen samen kinderen: Willem Adeodatus (Buurmalsen 19.06.1912 – Utrecht 03.01.1953), tweelingzus Marie Henriette (Buurmalsen 19.06.1912 – Aa en Hunze 09.03.2006), Sebastiaan (Buurmalsen 07.04.1914 – Haarlem 12.02.1944) en in 1917 kregen ze nog een doodgeboren zoontje waarvan geen naam bekend is. Wilhelmina overlijdt jong, en Willem sr hertrouwt in 1923 met Reina Guepin (Amsterdam  10.09.1893 – Leiden 06.06.1971), met wie hij nog 3 kinderen krijgt: Jean Pierre, Ernestine en Reinier. Hij is zowel in Nederland als Belgie geridderd.

In 1911 kwam in de plaats van Willem op kamers wonen Hendrik Ernst Beker (Steenderen 09.04.1886 – Doetinchem 04.11.1970) die ook student theologie was. Ook hij werd later dominee in Welsum (bij Olst), Gorssel en Haarlem. Hij zou in 1913 trouwen met Everdina van Eldik (Zutphen 01.08.1886 – Doetinchem 08.11.1968), ze zouden 6 kinderen krijgen. Enkele van zijn zonen werden ook predikant, en een van hen, Ernst, werd later hoogleraar dogmatiek in Amsterdam.  In zijn plaats kwam in 1912 er  wonen Herman Eppo Boer  (St Anna Parochie 18.02.1883 – 1951). Hij zou later trouwen met Elisabeth Dijkman (1889 – 1974). Herman was ingenieur.

Na vertrek van de familie Entrop trok mevrouw  Maria Johanna Koot (Utrecht 15.09.1879 – Utrecht 07.07.1936) in. Zij was weduwe van Salomon Meijer Kleinkramer (Gorinchem 14.02.1875 – Zaandam 13.10.1916), die bakkersknecht van beroep is geweest. Hun enige dochter, Anna Wilhelmina Kleinkramer (Utrecht 20.02.1912 – Utrecht 29.04.1929) overleed al op jonge leeftijd. Waarschijnlijk had mevrouw Kleinkramer – Koot ook mensen op kamers maar dat is met de beschikbare gegevens niet na te gaan. Rond 1940 woonde er Johannes Fredericus (“Joop”) Van Wieringen (Amsterdam 22.04.1909 – Utrecht 05.06.1945) die in 1936 getrouwd was  met Hendrika (“Hennie”) Dam (Aengwirden [bij Heerenveen]17.05.1910 – Doesburg 26.01.1993). Hij voerde als beroep op pensionhouder. Ze kregen geen kinderen.

Hugo de Grootstraat 12

De bouw van nummer 12 was nadat nummer 10 er al stond. De bouwtekening werd in 1902 door de gemeente goedgekeurd.

Bouwtekening van Hugo de Groot 12 uit 1902

Op 24 februari 1903 was de eerste ingeschrevene Henri Charles Bekking (Poerworedio 24.02.1850 – Utrecht 07.08.1904), zijn vrouw Elisabeth Kornelia Martina Rietdijk (Klundert 31.07.1859 – Utrecht 08.07.1922), de moeder van Henri, Henriette Adriana Frederique Le Clerq (Java 26.09.1824 – Den Haag 03.11.1904), weduwe van Henri Charles Bekking (1818 – 1866) die resident van Rembang was. Elisabeth was onderwijzeres geweest, Henri was portretfotograaf (hoewel elders ook vermeld stond dat hij opgeleid was als had als werktuigkundige). Al na een jaar overleed Henri, zijn moeder vertrok naar Den Haag en overleed ook zeer kort erna, en in voorjaar 1905 vertrok Elisabeth weer.

Daarna trok in de familie Meeuwesse: Leonard Michiel Meeuwesse (Utrecht 29.09.1869 – Utrecht 19.01.1936), zijn vrouw Cornelia Catharina Paulowna Dekker (Nijmegen 23.03.1872 – Utrecht 19.07.1931), en hun kinderen Wilhelmus Cornelis (Utrecht 22.11.1900 – Apeldoorn 31.03.1945), Hortense Bartholina (Utrecht 18.06.1902), Maria Wilhelmina Cornelia (Utrecht 28.08.1903), en Catharina Hortense Adriana (Utrecht 06.05.1905). Later werd er nog geboren Johanna Baptista Antonia (Utrecht 25.07.1906 – Utrecht 31.05.1907), en Cornelia Leonore Catharina (Utrecht 13.12.1907 – Utrecht 09.08.1909) die beiden als kind overleden, Leo Bernardus (Utrecht 26.02.1909 – Utrecht 07.03.1989) en Alberdina (“Tiny”) Cornelia Leonore (Utrecht 10.10.1910 – Dalfsen 08.10.1940). Hun inwonende dienstbode was Hermine van Lemmen (Achttienhoven 20.02.1888). Leonard was  musicus van beroep. Hortense is in 1931 getrouwd met Nicolaas Paré, van wie ze in 1940 weer scheidde, en hertrouwde in 1946 met Adriaan Walter Vos. Leo trouwde in 1936 met Wilhelmina Maria de Rijk  (Utrecht 06.03.1915 – Utrecht 15.03.1988(?9)) met wie hij 4 kinderen kreeg. Maria trouwde in 1923 met Louis Johannes Sluijers van wie ze in 1929 weer scheidde. Wilhelmus werd muziekleraar, trouwde in 1924 met Wilhelmina Jacoba Schermer, van wie hij weer scheidde in 1931. Van de anderen zijn geen betrouwbare data te vinden. De familie bleef tenminste tot 1930 er wonen; wellicht dat ze verhuisden na het overlijden van Leonard sr.

Later, rond 1940, kwam er Gijsbertus Leonardus Roeleveld (Wilnis 20.11.1899 – Loenen aan de Vecht 03.09.1991) wonen. In 1935 trouwde hij met Maria Euphemia Evers (Almelo 13.09.1909 – Utrecht 19.12.1992). Zover ik kon vinden kregen ze geen kinderen. Hij was grossier.

12Bis

Op 11 mei 1903 werd er ingeschreven Cornelis Eliza van Koetsveld (Lonneker 15.06.1869 – Den Haag 21.04.1945), zijn vrouw Wilhelmina Ulricke Van Nooten (Schoonhoven 02.12.1876); ze zouden een paar maanden later, in 1903, trouwen. Hun inwonende dienstbode was Dirkjen Puper (Hoogeveen 04.10.1883). Bij hen woonde in Maria Magdalena Holsboer (Den Haag 05.11.1878). Cornelis was van beroep essayeur. Een essayeur is iemand die het gehalte aan zuiver zilver of goud in legeringen bepaalt. Een dergelijk keurmeesterschap kreeg je alleen als je door het Rijk hiervoor was aangesteld. Wellicht werkte hij bij de Munt, wat toen nog stond aan het Neude op de plaats waar later het postkantoor (en nu de bibliotheek) verrees. In voorjaar 1905 vertrokken ze naar Rijsenburg.  Ze kregen later een dochter Josina Jacoba van Koetsveld (Den Bosch 09.07.1910 – Arnhem 16.10.1990)  die huwde met Frederik Alexander van Ettinger (29.09.1915 – 04.06.1996).

De familie Bos volgde daarna: Johannes Bos (Zwolle 16.12.1859 – Doorn 28.03.1918), zijn vrouw Margaretha Cornelia Susanna van Tooren (Hendrik Ido Ambacht 02.03.1857 – Doorn 09.04.1916), de zonen Johan Cornelis Bos (Kralingen 06.10.1891) en Cornelis Pieter (Den Haag 30.11.1892) en dochter Susanna Gerdina (Kralingen 05.05.1890), en de zus van moeder Margaretha, Leonora Adriana van Toorn (Katwijk 01.12.1864 – Utrecht 03.04.1923). Johannes was commies bij de telegrafie. Ze vetrokken allemaal tegelijk naar Amsterdam eind 1908. Toen Margaretha overleed, trouwde Johannes sr in 1918 met Leonora; mogelijk werd dat om financiële redenen gedaan: hij overleed binnen een maand na het trouwen. Johan Cornelis werd van beroep departementschrijver, en trouwde in 1920 met Gerritje van de Craats. Ik schat dat departementschrijver hetzelfde is als klerk maar heb er geen goede omschrijving voor kunnen vinden.

De volgende familie was de familie Van Bork: Johanna Elisabeth Van Bork (IJsselmonde 07.01.1862 – 1948), die net weduwe was geworden van Wilhelm Marie de Haan (Utrecht 04.02.1910 – Utrecht 04.02.1910), met haar kinderen Wilhelmina Maria Jacoba De Haan (Rotterdam 05.03.1888 – Vught 17.12.1928), Pieter de Haan (Rotterdam 06.02.1890), Wilhelm Marie De Haan (Rotterdam 02.12.1892 – Westerbork 27.10.1945). Wilhelm sr was boomkweker bij Knopper geweest. Wilhelmina was apotheker assistente, en trouwde met Adrianus Hendricus Haaks; zover bekend regen ze geen kinderen. Pieter was stuurman op de MS Nederland en werd later schout bij nacht; hij trouwde met Geertruida Engelina Klaassen (Leeuwarden 17.11.1890) die lerares van beroep was. Wilhelm jr werd opticien en trouwde met Wilhelmina Maria Vink (Arnhem 18.01.1892); Wilhelm jr overleed in kamp Westerbork maar na afloop van WO II. Vader heeft psychiatrische problemen gehad waarvoor hij opgenomen werd; tijdens een opname overleed hij.

In voorjaar 1911 kwam er Sebastiaan Wesselink (Vlagtwedde 11.03.1860 – Utrecht 04.03.1912) met zijn vrouw Geertruida Kok (Schiedam 23.05.1856 – Utrecht 15.12.1944). Ze hadden een zoon Sebastiaan (Utrecht 20.05.1890), en een tweeling Alwina Cecilia (Utrecht 24.03.1893 – Utrecht 28.09.1905) en Jacobus Theodorus (Utrecht 24.03.1893 – Utrecht 15.03.1895), die beiden jong overleden. Sebastiaan sr werkte als inspecteur bij de politie in Utrecht.

De commissarissen en inspecteurs van de Utrechtse politie in 1909; 4e van links Sebastiaan Wesselink.

Tussen 1915 en 1922 woonde er M de Ruijter, die deurwaarder van de belastingen was. Er zijn in het Utrechts archief 19.485 entrees bekend van personen met deze achternaam. En zonder meer gegevens lukt het niet met zekerheid vast te stellen wie hij verder is geweest en of hij een gezin had. Er is een Martinus de Ruijter die schoenmaker was en een zoon Martinus (Utrecht 31.10.1900 – Utrecht 02.11.1900) had, maar andere M de Ruijter’s kon ik niet vinden.

In Maart 1922 kwam er de familie Kramer wonen. JB Kramer was hoofdonderwijzer aan de Willemschool in Uithoorn. Meer gegevens zijn er niet te vinden.

In 1926 huurt Mr. Anovar gedurende een aantal maanden twee kamers op 12bis:

Advertenties van de waarzegger Mr Anovar in het Utrechts Nieuwsblad van 1926

Ik zocht hem na. Hij zet zijn eerste advertenties in 1923 in een Haagse krant, dan nog voor mensen die liefdesperikelen hebben, maar daarna reist hij het hele land door, blijft telkens enkele maanden op één plaats, huurt er twee kamers, en zet advertenties in de plaatselijke krant.  Hij zegt Perzisch van afkomst te zijn, Nederlands leren spreken in Indië, en al op zijn 16e met waarzeggen begonnen te zijn. Logisch, want het is erfelijk: in zijn familie komen al 500 jaar waarzeggers voor, en zijn vader is het ook. Hij werkt door handlijnen te lezen. In eind voorjaar 1926 zet hij in de Rotterdamse Courant dat hij nog een week te consulteren is, maar daarna niet meer vanwege de zomervakantie. Daarna is hij spoorloos verdwenen. Maar zelf had hij dat natuurlijk al lang voorzien!

Ik schat dat hij de kamers gehuurd heeft van de weduwe, mevr JM Bijsterveld – Koenraads die er rond die tijd woonde. Ik kan verder weinig met zekerheid over haar vinden. In die periode woonde ook de koopman FT Blom op 12bis. Rond 1940 woonde er G van Diermen, bloemist.

In de jaren 50 was in 12bis een maatschappij gevestigd, “De Halmo” die in huizen en boten deed, en eindeloos advertenties in het Utrechts Nieuwsblad zette. De firma is uiteindelijk failliet gegaan in april 1957. Het huis kwam toen te koop te staan waardoor we iets meer weten van prijzen toen: de huurprijs in april 1957 voor 12bis 49,60 gulden (euro 22,51) per maand, voor het benedenhuis 12 42,05 gulden (19 euro). Het hele huis, verhuurd, wordt verkocht  in dat jaar voor 12.000 gulden (5445 euro).

In 1961 werd een bewoner van 12bis er een bekende Nederlander: de 27-jarige Cor van dijk bericht dat hij de apomaat heeft uitgevonden.

Bericht in het Utrechts Nieuwsblad van 6 juni 1961 over Cor van Dijk met de apomaat

Cor had een 4 jarige meerkataap maar was geregeld van huis en dan was er het probleem om het aapje te voeden. Dus maakte hij een apparaatje dat gedurende 4 dagen geleidelijk aan voldoende eten aan het aapje gaf. De krant vond het geweldig, en het werd landelijk nieuws toen hij twee weken erna, op vrijdagavond 23 juni 1961, bij de AVRO op TV erover mocht vertellen. Grappig genoeg vond ik dat de liefde voor zijn aapje van relatief korte duur was: in het Utrechts Nieuwsblad van 17 mei 1963 wordt door mhr Van Dijk een “tam aapje met kooi” te koop aangeboden. Tja.

12 is nu ook een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 14

De bouw van nummer 14 was nadat nummer 10 en daarna 12 er al stonden. Nummers 14 en 16 werden tegelijk gebouwd. De bouwtekening werd in 1902 door de gemeente goedgekeurd. De bouwer was de firma Lagerwij, die ook een aantal van de andere huizen in de straat bouwde; de familie Lagerwij woonde zelf een aantal jaren op nummer 10.

Bouwtekening van Hugo de Groot 14 en 16, uit 1902

De eerste bewoner werd ingeschreven op 16 februari 1904. Het was de familie Van Duijn: Ijsbrand Koolen Van Duijn (Naaldwijk 02.06.1876 – Zeist 09.01.1946), zijn vrouw Ariena Huberta Corstiana Daane Bolier (Sliedrecht 09.09.1880 – Zeist 08.10.1928) en hun zoon Gabriel Ijsbrand Koolen Van Duijn (Scherpenisse 26.05.1903) en hun inwonende dienstbode Catharina van der Werff (Scherpenisse 22.04.1887). Later werd hun dochter Jozina Gerardina Ariena (Utrecht 04.05.1905) er ook geboren. Het gezin verhuisde naar nummer 16bis in voorjaar 1906, waarna nog geboren werd Ijsbrand David Koolen van Duijn (Utrecht 25.07.1911). Ijsbrand was mecanicien van beroep maar stond later in de gids als directeur van een elektriciteitsbureau. Gabriel werd inspecteur bij de belastingdienst en trouwde Eppien Kok (Kamerik 04.05.1909), en ook broer Ijsbrand jr werkte bij de belastingdienst en trouwde in 1937 met jonkvrouwe Cornelia de Brauw (Domburg 06.04.1910). Jozina trouwde in 1925 met Jochem Straks (Driebergen 19.12.1897 – Zeist 05.01.1942). IJsbrand hertrouwde in 1930 na het overlijden van Ariena met Adriana Catharina Hartog (Scherpenisse 14.11.1886).

De voornaam Koolen is uitzonderlijk; het is een patroniem: een vadersnaam die verwijst naar de voornaam van iemands vader. Coolen komt van Cool’s zoon, en dat is weer een verkorting van Nicolaas. Er zijn maar een paar families in Nederland (<5) die deze voornaam gebruiken. De naam Van Duijn komt vooral voor in  Katwijk en omgeving; daar zijn nu nog elektricien bedrijven bekend die Van Duijn heten, maar of ze verwant zijn met Ijsbrand is niet goed bekend.

Daarna woonde er korte tijd Henriette Maria van der Hoff (Middelburg 30.01.1842 – Utrecht 09.02.1909) en haar zuster Elisabeth (Biervliet 26.06.1844 – Utrecht 15.01.1909). Beiden zijn nooit getrouwd geweest en hadden geen kinderen. Ze verhuisden in zomer 1908 al weer naar de Brigittenstraat 4, waar ze beiden het jaar erop kort na elkaar overleden.

Diezelfde zomer kwam de familie Ten Bensel er wonen: Franciscus Hendrikus Ten Bensel (Arnhem 16.12.1871 – Soest 24.03.1945), zijn vrouw Christina Adriana Cornelia van Buuren (Zwolle 13.11.1875 – Renkum 11.11.1956), de zus van Christina, Gerritje Cornelia Elisabeth (Utrecht 21.09.1885), en de kinderen Paul Frederik Franciscus (Utrecht 22.02.1906), Cornelis Anne Johannes (Utrecht 31.08.1908 – Assen 08.04.1944), Franciscus Johannes Marie (Utrecht 15.08.1910), en Herman Theodoor (Utrecht 08.09.1915 – Valkenburg 11.05.1940). Franciscus sr werkte bij het spoor, Christina was onderwijzeres, Cornelis werd arts en Gerritje was verpleegster. Herman overleed bij de gevechten rond vliegveld Valkenburg in mei 1940; hij was op dat moment korporaal. Ook Cornelis overleed aan oorlogshandelingen, aan het eind van WO II. Gerritje vertrok apart naar Breda, de anderen in voorjaar 2010 naar de Abstederdijk 315.

De volgende bewoners waren Johannes Pieter de Mink (Utrecht 18.07.1867 – Utrecht 05.03.1919), zijn vrouw Hellegonda Cornelia van Nieuwenhuijzen (Utrecht 14.09.1864 – Utrecht 1937), en de kinderen Berdina Johanna Maria (Utrecht 26.10.1889 – Hilversum 21.05.1958), Hellegonda Cornelia Johanna (Utrecht 10.02.1893 – Leiden 10.02.1968), Cornelis Johannes Pieter (Utrecht 09.01.1897), en Betsij Louise Catharina (Utrecht 26.10.1900). Ze hadden ook de zonen Pieter Johannes Nicolaas (Utrecht 27.02.1891) en Johannes Cornelis Pieter (Utrecht 18.02.1895) maar die werden niet ingeschreven; mogelijk waren zij al eerder overleden, want ze waren nog wel erg jong om het huis uit te gaan. Johannes werkte als kantoorbediende bij de brandweer. Berdina wordt naaister en trouwt in 1922 met Cornelis van Daalen en in 1926 met Franciskus Schoonhoven (Utrecht 22.03.1894 – Hilversum 29.10.1934), Cornelis met Theodora Jourika van der Werf (Utrecht 27.05.1903), Hellegonda met Erasmus Augustinus Kaijadoe (SiriSori Seram 05.08.1887), en Betsy met Jan Tuininga (van wie ze in 1949 weer scheidt). Over Erasmus Kaijadoe is veel meer te vinden in het Moluks Historisch Museum.

In 1916, vlak na hun trouwen in 1915, woonden er Peter Josef Reinartz  met zijn vrouw Johanna Maria Gerradina van Kesteren en hun dochter Catharina (Utrecht 15.05.1916). Hij werkte in de leerverwerking, m.n. in het verven van leer.

In 1920 woonde er de familie Fischer. Jan Hendrik Eliza Fischer (Delden 03.10.1870 – Utrecht 07.03.1922), zijn vrouw Adriana Barbara Scheffer (Doesburg 09.11.1874 – Utrecht 29.07.1933) en hun kinderen Herman Frederik (Utrecht 04.04.1896), Jan Hendrik (Utrecht 03.01.1898 – Utrecht 22.08.1962) en Jeanne Henriette Eliza (Utrecht 29.10.1899) Jan Hendrik sr was handelsreiziger maar liet later opschrijven dat hij directeur was van een olieslagerij een bedrijf dat in plantaardige oliën doet, zoals lijnzaad). Dat bedrijf was echter in 1911 al weer failliet gegaan. Jan Hendrik trouwde in 1926 met Maria Johanna Arts. De familie bleef er 13 jaar wonen, ook toen Jan Hendrik sr overleed in 1922. Rond 1930 nam Adriana wel op kamers mhr A van den Brink, die bij het spoor werkte.

Vanaf januari 1935 woonde er Anthonis Wilhelmus Linnebank (Utrecht 20.05.1911; hij was architect, hoewel op andere plaatsen stond dat hij timmerman was.  Hij was getrouwd met Maria Anna Raes (Mechelen 12.10.1903 – Utrecht 09.12.1962), van wie hij in 1941 weer scheidde. Zover bekend kregen ze geen kinderen.

14Bis

Op 27 februari 1904 werd ingeschreven Jacob Pieter Van Lonkhuijzen (Heteren 06.04.1876 – Arnhem 03.03.1951), zijn vrouw (die ook zijn nichtje was) Hendrina Maria Theresa Van Lonkhuijzen (Arnhem 08.08.1879 – Arnhem 01.07.1979), en hun inwonende dienstbode Hendrika van der Horst (Utrecht 04.09.1882). Kort na intrekken werd hun dochter Nanette (Utrecht 30.03.1904 – Seattle [USA] 15.02.1992) er geboren. Ze vertrokken weer allemaal voorjaar 1906 naar de Willem Barentszstraat 27. Daar werd nog geboren hun dochter Geertruida (Utrecht 13.06.1906 –  Utrecht 18.06.1906) die een paar dagen na de geboorte overleed. Na hun zoon Derk (Utrecht 19.07.1907) werd nog een dochter geboren die ook Geertruida Jacoba (Utrecht 09.05.1909 – Zeist 20.01.2004) genoemd werd. Nanette trouwde in 1930 met Willem Marie Pruijs (Apeldoorn 14.08.1902 – Seattle 06.06.2002). Willem was directeur van BPM Curaçao, de Bataafse Petroleum Maatschappij, wat later een onderdeel van Shell werd. Ze kregen drie kinderen. Derk trouwde met Arnolda Hendrina van Schaik, Geertruida met Johannes Cornelis Van Waalwijk van Doorn (Rotterdam 14.05.1908 – Bakel 06.08.1986) die ook bij BPM Curaçao werkte. Jacob was houtvester bij de Nederlandse Heide Maatschappij, het latere ARCADIS.

Gebouw van de Heidemaatschappij in Arnhem rond 1920 (rechts). Links in 1912 de eerste steen die door de koning samen met Jacob van Lonkhuijzen werd gelegd

Degene die na hem kwam werkte bij dezelfde maatschappij: Albert Berend Brouwer (Diepenveen 12.06.1871 – Zwollerkerspel 06.05.1952), zijn vrouw Johanna Frederika Hulscher (Diepenveen 27.02.1872 – Zwollerkerspel 19.04.1948) en hun dochter Petronella (“Nel”) Christina Johanna (Deventer 14.05.1903). In 1910 voegde zich bij hen mevr Gerritjen Ter Wheme (Voorst 18.09.1829 – Enschede 31.07.1911), weduwe van Jan Christiaan Brouwer (Bathmen 1824– Diepenveen 18.01.1894), en hun nichtje Jenneken Veldwijk (Heerde 24.09.1886 – Den Haag 13.04.1934), die als huidhoudster functioneerde voor oma Gerritjen. In voorjaar 1911 ging de familie naar Den Haag, behalve oma Gerritjen die naar Enschede vertrok. Jenneken trouwde met Johannes Jacobus van Santen. Albert was oorspronkelijk onderwijzer van beroep, en werd uiteindelijk hoofd van de inspectie van de visserij van Binnenlandse Zaken. De Heidemaatschappij was oorspronkelijk vooral gericht op bossen en grond, maar vanaf 1897 betrok men ook de visserij er bij. Petronella werd tekenlerares en trouwde Henny Scholten (1902) die dierenarts in Olst was; ze woonden op De Heesterhof.

De Heesterhof in Olst in 1905

Na hen kwam Gerhardus Bartholomeus Heijdeman (Amsterdam 08.02.1865 – Utrecht 02.07.1933) met vrouw Gerharda Johanna Francoise Van Woerden (Utrecht 15.05.1873 – Utrecht 08.06.1952) en zoon Gerhardus Johannes (Arnhem 07.01.1898) er wonen. Gerhardus jr trouwde in 1925 met Luisa Schibgilla (Werden [Duitsland] 23.06.1907). Gerhardus sr werkte bij het spoor.

In 1916 woonde er Adriana Van Roosendaal  (Rotterdam 16.12.1845 – Utrecht 13.02.1924) en haar zoon Daniel Johannes van der Pauwert (Rotterdam 23.09.1877 – Maarn 26.02.1939). Adriana was weduwe van Daniel van der Pauwert (Schiedam 15.09.1844 – De Bilt 15.01.1911). Daniel jr werkte bij het spoor en trouwde in 1912 met Helena Johanna Anna Deckers. Ze kregen tenminste twee dochters, Adriana Anna (Utrecht 03.06.1913) en Emmy Johanna Marie (Utrecht 15.07.1914). Toen moeder overleed bleven Daniel jr en Helena er wonen, tenminste tot 1931.

Ze zullen wel mensen op kamers gehad hebben. Een ervan liet in het Utrechts Nieuwsblad van 8 april 1930 een bijzondere vondst noteren. Het blijft bijzonder dat dit soort dingen in de krant kwamen!

De zwarte poes met witte vlek die de bewoner van Hugo de Groot 14 als gevonden voorwerp liet noteren in 1930. Maar ook als je je spoorkaartje kwijt was kon je naar het Hoofdcommissariaat van Politie komen.

Rond 1940 woonde er Antoine Hugo Van Wieringen (Java 24.09.1878 – Utrecht 02.02.1959), die gepensioneerd was en ervoor in Indië werkte als ambtenaar. Hij was in Jakarta getrouwd met Johanna Dahler (Semarang 27.08.1884 – Utrecht 24.11.1967). Ze kregen een zoon Gustaaf (Soekarta 16.11.1911 – Lelystad 31.08.1992).

Hugo de Grootstraat 16

Nummers 14 en 16 werden tegelijk gebouwd; dat wordt onder nummer 14 verder beschreven. De aannemer van de huizen is Lagerwij, en dat was ook de familie die zich op 29 juli 1903 als eerste liet inschrijven op nummer 16: Johannes Wouter Lagerwij (Utrecht 25.09.1843 – Baarn 16.10.1934), zijn vrouw Maria Van Luijn (Utrecht 01.10.1843 – Baarn 16(?5).11.1930) en de dochters Geertruida (“Ger”) Maria (Utrecht 11.10.1872 – Baarn 08.07.1950), Clasina Maria (Utrecht 16.03.1877 – Utrecht 06.11.1937) en Susanna (“Suus”) Mathilda (Utrecht 08.11.1884 – Baarn 28.03.1961), en ook hun neef Nicolaas Velthuijsen (Baarn 21.11.1881 – Utrecht 21.02.1952) trok bij hen in. Zoon Johannes Wouter ging op nummer 10 wonen met zijn gezin (zie daar);  het echtpaar had nog meer kinderen maar die woonden niet meer thuis. Behalve Clasina en neef Nicolaas verhuisden allen in 1906 naar Baarn, waarschijnlijk nog niet naar de villa die ze daar zelf aan de Nassaulaan 38-40 bouwden want die was toen nog niet klaar. Clasina trouwde later met neef Nicolaas.

Li: 1930 Johanna Hessel (getrouwd met Johannes Lagerwij jr) en Susanna Lagerwij (getrouwd met Nicolaas Hessel). Midden: 1935 Geertruida en Clasina Lagerwij. Re: 1940 Geertruida Lagerwij. (bron: www.familiehessel.nl)

De  volgende familie was de familie Heuzeveldt: Boudewijn Heuzeveldt  (Rotterdam 05.11.1861 – Nijmegen 01.09.1943), zijn vrouw Euphemie Elise Gips (Dordrecht 24.09.1865 – Nijmegen 26.09.1932), dochter Euphenie (Breda 08.12.1899 – 15.02.1983), zoon Boudewijn (Teteringen 09.08.1901), en inwonende dienstbode Aaltje Koimans (Tiel 03.09.1886). Boudewijn sr werkte bij het spoor als stationschef. Ze vertrokken weer in voorjaar 1910 naar de Bellamystraat 18. Boudewijn jr zou in 1924 trouwen met Hendrina Hermina Kleine (Rotterdam 16.01.1899). Euphemia is een behoorlijk ongewone voornaam en betekent ‘goede spraak’ of  ‘goede naam’.

Daarna kwam er kort na hun trouwen in 1911 wonen Maurits Eduard Danner (Utrecht 10.06.1884 – Zeist 23.05.1962), zijn vrouw Jacoba Hendrika La Riviere (Utrecht 04.01.1885 – Zeist 17.09.1946) en later werd er geboren hun dochter Elisabeth Antonia (Utrecht 03.03.1912 – Utrecht 09.07.1998) en hun jong overleden zoon Gerrit Jan (Utrecht 20.12.1913 – Utrecht 05.07.1922). Maurits zelf kwam uit de Witte Vrouwenstraat 38, zijn vrouw Jacoba kwam uit de Heerenstraat 29. Maurits was oorspronkelijk boekbinder van beroep. De ouders  van Maurits waren Frederik Hendrik Danner (Den Haag 21.08.1936 – Utrecht 02.01.1903) en Elisabeth Anthonia Westhuis (Den Haag 12.09.1843), en ook Frederik was boekbinder, net als een van de broers van Maurits, Anthonie Jacobus (Utrecht 30.07.1871 – Utrecht 06.06.1956). Elisabeth trouwde in 1941 met Albertus Herman Heide (Gameren 08.10.1913).  Het is bijzonder dat Elisabeth begraven is samen met haar oom Antonie en zijn vrouw (Margaretha Danner-Vermeulen 1883-1977) en niet bij haar ouders. Ik vermoed dat Antonie ook meewerkte in de etuifabriek. Want vanaf 1916 start Maurits een etuifabriek, eerst langdurig op nummer 16, later, rond 1928, vestigt de fabriek zich op nummer 36. De fabriek maakt “etui’s, cassettes, etalagewerken, monster- en autokoffers”. Er stonden geregeld advertenties in de krant voor meisjes die er konden komen werken maar die mochten dan wel niet ouder zijn dan 16.… Na overlijden van Maurits zet zijn dochter de etuifabriek voort. Ik heb zelf de ‘fabriek’ nog gezien toen ze ophield te bestaan, in 1992, en het liet een fantastisch ouwerwetse manier van werken zien. Ik vond dat er in Apeldoorn ook een Danner etuifabriek geweest is, maar kan niet vinden hoe de relatie is geweest met de etuifabriek hier.

Rond 1940 woonde op nummer 16 Willem Hessel. Ik weet niet zeker welke Willem Hessel dit is geweest: wellicht de Willem die met Alida Lagerwij was getrouwd en dus familie was van de familie Lagerwij die op nummer 10 en 16 heeft gewoond; of een Willem Hessel die getrouwd was met Wilhelmina Gerritse. Zonder verdere gegevens nu niet te bepalen. Als beroep wordt ‘fabrikant’ aangegeven. De laatste bewoners waar ik gegevens van kan vinden zijn Louise (“Loes”) Henriette De Beer (Bindjei 08.01.1929 – Naarden 04.07.2011) en Eddy August del Prado (18.11.1922 – 28.05.1974) die in 1953 trouwden. Ze verhuisden kort erop naar Leiden, en kregen drie kinderen: Marion, Karin en Xander.

16Bis

Op 21 april 1903 werd ingeschreven Catharina Johanna Schuitemaker (Medemblik 06.11.1851 – Utrecht 28.07.1919) die gescheiden was van Leonard Gerard Vernée (Hoorn 30.01.1847 – Kleef 04.09.1904). Hij was commissaris van politie in Schevingen geweest. Ze kwam er wonen met haar dochters Catherine Marie Louisa Vernée (Amsterdam 25.03.1874) en Petronella (“Nellie”) Marguerite Vernée (Scheveningen 28.06.1876 – Amstelveen 21.06.1951). Ook moeder’s nichtje Wilhelmina Adriana Maria Catherina Ter Haar (Wageningen 30.06.1870) kwam iets later bij hen wonen. Hun inwonende dienstbode was Gerritje Van Dijk (Rhenen 12.11.1886). Verder namen ze nog op kamers Alberdina Henderika Wilhelmina Spruijt (Leeuwarden 30.05.1878) en een jaar later Claire Flavie Verkouteren (Apeldoorn 21(?12).02.1858). Catharina Marie Louisa trouwde al in 1903 met Guido Giacometti (Legnago 11.09.1882 – Rome 07.11.1968) verhuisde al snel naar Waialua op Hawai. Guido was een Italiaans politicus, voor de socialistische partij en werd vanaf 1948 lid van de Italiaanse senaat. Petronella verhuisde naar Hugo de Grootstr 11 in aug 1903 toen ze trouwde met Jan van der Bilt (zie daar), Wilhelmina trouwde in 1906 met Pieter Nicolaas van Dam (Helmond 09.11.1867 – Zeist 13.08.1956) en moeder verhuisde naar 9bis in mei 1906.

In voorjaar 1906 trok de familie Van Duijn in. Ze hadden eerst gewoond op nummer 14 en worden daar in meer detail beschreven. Na 5 maanden vertrokken ze al weer, nu naar Velzen.

De volgende familie woonde er ook maar erg kort: Hendrik De Noo (Utrecht 08.04.1877 – Utrecht 29.03.1961), zijn vrouw Elizabeth de Waerd (ook wel gespeld als Waard) (Nieuwenhoorn 08.04.1877 – Westerbork 07.05.1945), de dochters Hermana Pieternella (Nieuw Helvoet 16.09.1902 – Utrecht 11.09.1973), en Pieternella Sophia (Utrecht 31.05.1906 – Groenekan 17.10.1992), en zoon Hendrik (Utrecht 09.02.1904 – Ukkel 25.05.1975). Hendrik sr was elektricien van beroep hoewel hij eerder had opgegeven dat hij machinist was bij de marine. Zeven maanden later verhuisden ze naar de Hartinghstraat 12. Later werd nog geboren Leendert Gerrit De Noo (Utrecht 28.05.1911). Hermana trouwde in 1932 met Jan Cornelis Goekoop (Leiden 20.03.1904), Hendrik jr werd ingenieur van beroep en trouwde in 1931 met Cornelia Margaretha Pluister (Den Haag 07.04.1909), Leendert trouwde in 1936 met Jacoba Grietje van Nie (Meppel 21.02.1914). De naam De Noo is volgens onderzoekers afkomstig van de Romeinse vorm van de naam Daniel, waarbij de uitgang –(i)el evolueerde van – ellu naar het Franse – (e)aux en het Nederlandse -oo. De naam is zo verwant aan bijv de achternaam De Nooij. De naam kwam vroeger vooral rond de grote rivieren voor en in Belgie. De familie is uitzonderlijk goed nagezocht; de oudst bekende is Merovech die overleed in ~456 na Christus, hoewel de achternaam De Noo voor het eerst opduikt rond 1635. Er is een zegel bekend van Arjen De Noo uit 1750.

Zegel van Arjen de Noo(y) als schepen van Nederhemert uit 1775. De stempel zou van zijn vader Jan Gijsbertse uit 1669 zijn (bron: www.huiberts.info)

De volgende familie was in voorjaar 1907 Johanna Jacoba Van der Blij (Leiden 04.08.1868 – Breda 03.06.1958) weduwe van Johan Andreas Peverelli (Den Haag 21.03.1868), met haar zonen Pierre (Leiden 26.06.1895 – Amsterdam 1992) en Johannes Jacobus (Leiden 25.08.1896 – Ede 23.06.1945). Johannes s was beroepsmilitair, Johannes jr werd bouwkundige en trouwde in 1926 met Emma Lachappelle. Pierre werd arts, trouwde in 1923 met de onderwijzeres Elisabeth Gerharda Schippers (Amsterdam 17.09.1894) en was hoofd van een plaatselijk gezondheidsdienst op Java, in ieder geval tot 1939. Hij schreef leerboeken over de manier waarop met hygiëne omgegaan moest worden op school op Java.

Bij het gezin woonden in Hendrik Willem Filbrie / Filbri (Delft 04.08.1875 – Utrecht 28.07.1931), boekhouder, en Cornelia Hermina Wieringen (Arnhem 12.05.1886), student Pharmacie. Ze bleven er een jaar wonen, en verhuisden toen naar Oudegracht 220bis; de twee die een kamer huurden gingen met hen mee.

De families bleven elkaar snel opvolgen. De nieuwe familie heette Huijbers: Henricus Franciscus Maria (Utrecht 26.12.1881 – Nijmegen 17.03.1929), zijn broers Bernardus Johannes Josephus (Utrecht 03.03.1884 – Soest 21.10.1957), en Johannes Richardus Josephus (Utrecht 06.08.1887) en hun zus Margaretha Cornelia Maria (Utrecht 23.03.1885 – Nijmegen 23.11.1960). Hendricus was “doctor in de letteren”, trouwde in 1913 met Maria Joanna Gerarda Baesjou (Amsterdam 08.10.1880), en werd later hoogleraar Vaderlandse Geschiedenis in Nijmegen; hij overleed jong vanwege een nierkwaal. Bernardus was student medicijnen, werd arts, trouwde met Paulina Maria Martha Van Pelt (Amsterdam 29.07.1885); een van hun kinderen was Bernard Huijbers (1922-2003), de componist die veel muziek schreef bij de teksten van Huub Oosterhuis. Johannes jr was destijds leerling kunstschilder en werd later fotograaf en visueel artiest, en trouwde met Friederika Rosa Fuchs (Wenen 21.07.1896). De laatste verhuisde naar Antwerpen, de anderen gingen naar de Bellamystraat 28 behalve Margaretha die terug ging naar de Heerenstraat 48.  Hun vader was notaris Johannes Henricus Huijbers (Den Bosch 27.04.1844 – Utrecht 10.03.1908), bij wie ze woonden toen deze laatste overleed.

We zijn inmiddels in najaar 1909 wanneer de familie Smedes komt: Jacob Albert Smedes (Onstwedder 30.03.1857), weduwnaar van Sijertje Houkes (Assen 24.06.1853 – Rotterdam 06.08.1906), zijn zoon Egbert (Assen 01.02.1889), en andere zoon Johannes Jacob Arend (Assen 27.10.1893 – Bennekom 13.03.1975). Ze hadden eerder op nummer 22 gewoond. Jacob sr zou later, in 1910, hertrouwen met Neeltje Adriana van der Lip (Utrecht 18.04.1868) met wie hij nog een zoon Anthonie (Utrecht 28.06.1913) zou krijgen. Neeltje kwam van nummer 24bis, waarschijnlijk hebben ze elkaar zo leren kennen. Jacob sr is agent bij de Rijks Verzekerings bank, de voorloper van de Sociale Verzekeringsbank. Johannes jr trouwt in 1917 met Johanna Maria Janssen (Utrecht 19.12.1894 – Bennekom 23.01.1990). Ook de stiefdochter, geboren uit een eerdere relatie van Sijertje met Willem Hadders (Beilen 11.02.1856), de verpleegster Vrouwgien Hadders (Assen 10.10.1883 – Hilversum 31.03.1957) woonde bij hen. Zij zou in september 1911 trouwen met de architect Gerrit Rietveld (Utrecht 24.06.1888 – Utrecht 26.06.1964) met wie ze 6 kinderen zou krijgen.

Vrouwgien Hadders met Gerrit Rietveld in 1911 (li) en Gerrit met Truus Schröder (datum onbekend)

Rond 1915 woont er Harm Hendrik Zeeven (Veendam 04.07.1877 – Groningen 27.08.1920). Hij was getrouwd met Helena Burema (Zuidbroek 20.06.1872 – Den Haag 06.04.1938) en was al weduwnaar van Hinderika Veersema (Bellingwolde 18.05.1871 – Ommelanderwijk 29.03.1899). Hun kinderen waren Assina Jantje (Veendam 13.09.19), Johannes Hitjo (Veendam 29.10.1901) en Evert (Ommelanderwijk 23.10.1909). Helena was modiste van beroep, Harm was eerst koopman geweest maar werd daarna inspecteur van de Friesche levensverzekering. Die bestond al lang, werd aanvankelijk het begrafenisfonds Memento Mori genoemd. Later werd dit De Algemeene Friesche, en daarna AGO, wat in 1983 samen met ENNIA verder ging als Aegon.

Poster voor de Algemene Friesche Levensverzekering, gemaakt door Andre Vlaanderen, uit 1910

Rond 1920 wordt het Josephus Petrus Sloots (Den Haag 21.07.1890), zijn vrouw Adriana Alida Maria De Vries (Horst 09.08.1884), en hun kinderen Anna Diederika Josephina Maria Sloots (Utrecht 24.01.1915) en Christiaan Hendrikus Josephus Sloots (Utrecht 21.07.1918). Josephus was ambtenaar ten behoeve van de staatsmijnen in Limburg.

Rond 1925 kwam er mej A van Lonkhuijzen, wonen, die er tenminste tot 1940 bleef. Ik weet niet met zekerheid of ze familie was van de familie Van Lonkhuijzen die op nummer 4 en op nummer 14bis heeft gewoond, hoewel het me waarschijnlijk lijkt dat het wel het geval is geweest. Als beroep wordt opgegeven pensionhoudster, dus ik verwacht dat velen bij haar woonden voor kortere of langere tijd zonder dat ze in de gemeente archieven als zodanig geregistreerd waren.

16 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 18

Nummers 18 en 20 werden tegelijk gebouwd, en opnieuw was de aannemer de familie Lagerwij, die ook nummer 6 en 8 bouwde en daarna ook 14 en 16.

Bouwtekening van Hugo de Groot 18 en 20 uit 1902

Op 4 juni 1904 werd de familie Van Gosliga als eerste op nummer 18 ingeschreven: Dirk Van Gosliga (Wymbritseradeel 06.03.1871 – Zeist 02.04.1942), zijn vrouw Maaike Lanting (Leersum 30.01.1870 – Zeist 10.11.1947) en dochter Anke Margaretha (Den Helder 30.01.1898), samen met hun inwonende dienstbode Anna Goodijk (Oldeclooster 17.09.1881). Later werd er nog geboren Ella Mea Gilberta van Gosliga (Utrecht 05.04.1905). Dirk was inspecteur van “EOAVMJ”: een afkorting die toen blijkbaar duidelijk was voor een gemeentearchief maar ik kan niet vinden waar deze afkorting voor heeft gestaan. Ze verhuisden in zomer 1907 naar de Frederik Hendrikstraat 50. Anke trouwde met Joseph Nicolas Ignace Geurts (Roermond 1892) in 1923, Ella trouwt met Minne Jacob van der Hoek (Haskerland 27.03.1901 – Zeist 29.12.1951).

Na een paar maanden kwam er wonen Roelof Bloemendal (Enschede 20.03.1878) met zijn vrouw Elisa Philippine Johanna Douglas (Kota Radja 23.03.1885). Later werden er nog geboren Roelof Bloemendal (Utrecht 13.03.1909 – Heemstede 14.05.1977), en Antonius Bloemendal (Utrecht 01.03.1911) en in 1911 voegde zich de broer van Dirk, Arnold (Enschede 17.09.1887) bij hen. Roelof was ingenieur bij het spoor, Elisa was onderwijzeres. Zijn broer Arnold was toen medisch student. Laatstgenoemde verhuisde naar Deventer in 1912, en werd later tandarts. Hij trouwde in 1912 met Elisabeth Pieternella Jacomina Wisse (Ellewoutsdijk 22.06.1889) die ook tandarts was.

Rond 1915 kwam de familie Hiddinga er wonen: Leonard Julius Hiddinga (Sneek 12.04.1872 – Utrecht 13.09.1918) met zijn vrouw Maria Stockeij (Arnhem 26.12.1865) en hun kinderen Hendrika Geertruida Johanna Hiddinga (Amsterdam 13.07.1895) en Maria Leonora Augusta Amalia Hiddinga (Baarn 27.09.1899 – Dordrecht 16.01.1952). Leonard en Maria kregen eerder in 1899 ook een doodgeboren kind. De naam Stockeij of Stockei komt vooral in Duitsland in de streek Westfalen veel voor. Maria trouwde in 1920 met Frederik Hordijk (Noordeloos 24.12.1893 – Dordrecht 29.06.1977). Leonard werkte voor de firma J Oldenborgh en zonen in Dordrecht, een zeer oude wijnhandel die al in 1799 startte. Er zijn zelfs boeken over deze wijnhandel geschreven.

Wijnpakhuis van de firma Oldenborgh in Dordrecht

De familie bleef er wonen toen vader Leonard al jong overleed. Pas rond 1940 kwam er de familie De Bruin wonen; zonder verdere gegevens is niet te bepalen wie dit precies is geweest. Mhr De Bruin was conciërge van beroep.

18Bis

Op 22 april 1903 werd ingeschreven Dirk Barneveldt (Vianen 12.05.1849 – Utrecht 01.12.1907). Dirk was agent bij de rijks verzekeringsbank geweest. Hij woonde er met zijn vrouw Elsje Maria van den Berg (Jutphaas 10.12.1860). Een half jaar nadat Dirk overleed verhuisde Elsje naar de Jutphaseweg 19.

Begin 1908 kwam er de weduwe Henriette Antonia Van Nues (Utrecht 30.09.1830) wonen, samen met haar zuster Agnes (Utrecht 30.01.1845 – Utrecht 06.08.1927). Agnes is nooit getrouwd geweest, Henriette wel, in 1878, met Hilennius Bruin (Jengum 1811 – Utrecht 14.01.1888) toen hij 67 was en zij 47. Beide zussen kregen geen kinderen. Ze verhuisden al binnen een half jaar weer naar de Pallaesstraat 32.

Tegelijk met hen trok in de familie Lankamp: Gerrit Frederik Lankamp (Amsterdam 30.01.1836 – Utrecht 28.08.1918), zijn vrouw Mina Engelina Walhof (Hengelo 01.02.1847 – Utrecht 28.08.1918) en hun zonen Johannes Frederik Engelbert Lankamp (Venlo 22.07.1886) en Gerard Christiaan Lankamp (Den Haag 12.12.1887). Gerrit gaf als beroep op zending leraar. Het duurde even voor ik vond dat men hiermee bedoelde dat iemand als leraar naar onder-ontwikkelde gebieden ging maar dan tegelijkertijd probeerde het geloof te verkondigen.

Een voorbeeld van een boek van een zending leraar

Vaders werk had blijkbaar invloed:  beide zonen vertrokken in resp 1908 en 1911 naar Indië, waarbij Johannes eerst boekhouder werd en daarna in 1911 trouwde met Martina Van Rijn (Utrecht 27.03.1884).

Bij hen kwam nog op kamers wonen toen de dames Van Nues vertrokken waren Gerard Jacobus Van Zuijlen (Breda 29.03.1884), die klerk was bij het spoor. De ouders bleven er wonen, tot ze op dezelfde dag overleden, en namen telkens weer anderen op kamers. Dat waren Berend Viëtor (Groningen 25.04.1879), met vrouw Catharina Gerardina Justine Paravicine di Cappeli (Naarden 26.01.1877 – Hilversum 17.03.1948) en zoon Cornelis Dasse Viëtor (Watergraafsmeer 12.01.1908). Berend was directeur van de asfaltfabriek die in de Zonstraat lag, waar nu het Zonnehof ligt. Tegenwoordig wordt asfalt van aardolie gemaakt maar in die tijd was het nog uit steenkool. Het zorgde ook toen al voor een enorme vervuiling: de omwonenden klaagden dat hun wasgoed geregeld erg zwart werd! Ook de Minstroom werd er door vervuild, en dat kwam bij de al bestaande vervuiling door de wasserijen (er zijn beschrijvingen van een soppende Minstroom).

Er is geen afbeelding van de asfaltfabriek in de Zonstraat maar wel van deze: die van Stein en Takken aan de Gansstraat 132 (die in 1920 afbrandde; alleen het depothuis staat er nog)

De familie Viëtor verhuisde daarna naar De Bilt waar nog hun dochter Maria Anna Catharina (De Bilt 21.12.1916) werd geboren. Vervolgens Adriaan van Maanen (Sneek 31.03.1884 – Passadena 26.01.1946) die toen sterrenkunde student was. Hij promoveerde in 1911, werd astronoom, verhuisde naar de VS, waar hij de rest van zijn leven werkte. In 1917 ontdekte hij een nieuwe ster, die naar hem de ster van Van Maanen genoemd wordt. De ster is een zgn witte dwerg, heeft een diameter bijna gelijk aan die van de aarde, een enorme dichtheid, ligt in het sterrenbeeld vissen maar is met het blote oog niet te zien.

De rode stip geeft aan waar in het sterrenstelsel de ster van Van Maanen ligt

Na van Maanen kwam er Jan Rambonnet (Groesbeek 13.04.1872), commies bij de posterijen. Hij zou later trouwen met Anna Catharina Hissink (? – Zeist 31.01.1952).

Ronda 1915 kwam de familie Gerritsen er wonen : Gerardus Gerritsen (Arnhem 29.11.1863 – Arnhem 23.11.1937), zijn vrouw Francina Lafeber (Gouda 03.10.1874 – Utrecht 15.06.1925), dochter Francina Gerritsen (Vreeland 12.07.1898 – Utrecht 21.07.1952), en zoon Lodewijk (Utrecht 06.01.1904). Ik vond dat Gerardus al op jonge leeftijd gepensioneerd was, en denk dat hij bij de Spoorwegen werkte. Zijn zoon Lodewijk werd later verwarmingstechnicus. Van Francina vond ik geen beroep, wel dat ze in 1924 huwde met Jan Kater; zover mij bekend kregen ze geen kinderen. De familie verhuisde in 1910 naar het bovenhuis, 9bis.

Rond 1930 kwam er wonen Derkje Heuvelman (Voorst 18.12.1882), weduwe van Cornelis Adrianus Faber (Curacao 31.01.1881 – Utrecht 09.10.1927). Ook haar zonen Jan Cornelis Adrianus Faber (Katwijk 29.08.1908 – Seillans {Frankrijk] 16.10.1958) en Hendrik Albertus Faber (Utrecht 19.03.1912) woonden bij haar. Ze hadden eerder nog een dochtertje verloren enkele maanden na de geboorte, Betje Arabella (Utrecht 06.02.1910 – Utrecht 29.06.1910). Cornelis sr was sergeant bij de genie geweest. De appel viel niet ver van de boom: Jan Cornelis werd ook militair, uiteindelijk luitenant kolonel. Vanwege zijn optreden gedurende WP III in Indië kreeg hij in 1947 de Willems Orde.

Jan Cornelis Adriaan Faber ontvangt de militaire Willemsorde op 25 augustus 1947

Tot haar trouwen in 1938 woonde er mevr Agnieta Margaretha Jeannette Klaver (Eenrum 28.04.1900); zij trouwde toen met Hendrik Gerrit Overeem (Amersfoort 07.03.1889).  Beiden waren eerder getrouwd geweest en nu gescheiden. De vader van Agnieta was de notaris Izaak Klaver, maar het  eigen beroep van het echtpaar kon ik niet vinden.

Als laatste is het aardig te melden dat 18 en 18bis via een openbare verkoping op 26 maart 1965 verkocht werden. De huurprijzen toen waren f75,90 (34,50 euro) per maand voor 18 en f69,05 (31,30 euro) per maand voor 18bis. De verkoopprijs voor het huis, geheel verhuurd, bedroeg f19.800 (bijna 9000 euro). Het werd verkocht aan mhr B de Kier.

Nummer 18 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 20

Nummer 20 is tegelijk gebouwd met nummer 18. De bouwtekening staat al bij nummer 18.

De familie Veenstra was de eerst ingeschreven familie op 15 juni 1904. Schelto Leonard Veenstra (Hardenberg 17.12.1874 – Den Haag 12.04.1951), Doetje Heidstra (Dantumawoude 22.03.1881 – Den Haag 08.02.1951), en hun zoon Onno Gerben Veenstra (Utrecht 23.02.1903) en hun inwonende Jacoba de Jager (Barneveld 08.04.1886). Ook woonde er Herman Hendrik Kolkmeijer (Haarlem 12.11.1882 – Waardenburg 13.01.1923); of hij alleen op kamers zat of een familierelatie had is niet bekend; hij verhuisde wel een aantal malen met de familie mee. Hij zou trouwen met Cornelia Hillegonda De Vlieger en later predikant worden. De naam Schelto of Schelte heeft dezelfde oorsprong als het woord ‘schout’ wat komt van het oud-Friese woord skelta of skeltata, wat betekent ‘bestuurder van bezittingen’. Schelto was toen observator aan de Sterrenwacht. De familie vertrok voor korte tijd naar Londen in zomer 1905, alleen Onno bleef in Nederland en ging naar Naarden. Hij ging werken voor de Nederlandse Indische Handelsbank en trouwde in 1927 met Henriette van den Arend. Schelto en Doetje kregen nog een dochter Tjetske Greta Hanna Veenstra (Amsterdam 03.02.1907. ) die in 1925 trouwde met Jacob Luining Prak (Ter Apelkanaal 20.10.1898). Schelto werd kapitein voor het Leger des Heils, werkte een tijdje als leraar in Den Haag, en was de eerste inspecteur van de reclassering van Nederland. Hij wordt in de Canon van de Reclassering beschreven als een diep gelovigen ruim denkend mens. Hij schreef een mooi overzicht over het Leger des Heils in 1910.

Het overzicht over het Leger des Heils dat Schelto Veenstra schreef in 1910.

In 1906 kwam Jannes Lanjouw (Hoogeveen 26.06.1867 – Arnhem 16.06.1955), met zijn vrouw Helena Elisabeth Lous (Hellendoorn 27.07.1866 – Oudenrijn 08.10.1948) en hun zonen Johan(n) Leonhard (Amsterdam 31.12.1894), Leonhard Elisa (Hilversum 10.10.1896 – 03.11.1942), Otto (Amsterdam 13.03.1900) en Joseph (Amsterdam 21.08.1902 – Bilthoven 05.01.1984). Jannes was kantoorbediende bij de “Utrecht”. Ze verhuisden in voorjaar 1912 naar de Stadhouderslaan 44. Otto werd analist en trouwde in 1925 met Maria Cornelia De Vries (Wormerveer 10.04.1899), Johan trouwde in 1921 met Clasina Cornelia Edelkoort (Utrecht 10.10.1895), Leonhard werd beroepsmilitair, kwam in een Japans gevangenkamp als luitenant kolonel van de artillerie en overleed daar. Mogelijk is Otto ook naar Indië gegaan maar ik vond geen definitief bewijs daarvoor. Joseph trouwde met Bertha Raven, studeerde biologie, promoveerde op de plantenwereld in Suriname, werd hoogleraar en later rector van de Rijks Universiteit Utrecht.

Leonard (links) en Joseph (rechts) Lanjouw

Rond 1915 kwam er wonen Petrus Antonius Johannes Brecheisen (Amsterdam 26.11.1858 – Utrecht 13.11.1917) met zijn vrouw Di(e)na Geertruida Schevikhoven (Utrecht 02.03.1863 – Zeist 13.06.1938). Had 5 kinderen waarvan een er ook weer Petrus (“Piet”) Antonius Johannes (Dordrecht 25.06.1895 – Tilburg 27.11.1968) heette. De anderen waren Johanna Barendina (Dordrecht 30.10.1886 – Rotterdam 01.07.1912), Anna Maria Wilhelmina (Dordrecht 24.01.1889), Wilhelmina (Dordrecht 11.10.1890), en Johanna Hendrika Maria (Dordrecht 11.04.1903 – Utrecht 03.04.1943). Petrus sr werkte bij het goederenvervoer NS. Het is aardig om eens overzicht te hebben wat hij toen verdiende, wat in de NS archieven zo terug te vinden is.

Overzicht van de aanstelling van Petrus Brecheisen sr bij het Spoor, inclusief zijn salaris over de jaren.

De familie is kort na het overlijden van vader Petrus weer verhuisd. De volgende bewoner was Cornelis de Weerdt (Zeist 08.12.1858 – Zeist 14.01.1942), en zijn kinderen Paulus Cornelis (Utrecht 07.02.1886 – Driehuis 26.06.1962), en Johannes Cornelis (Utrecht 17.11.1894). Zijn vrouw Johanna Catharina Croes (Heeze 01.10.1857 – Utrecht 27.09.1915) was kort ervoor overleden. Hij kreeg vlak voor of na de verhuizing een relatie met Regina Francisca Barendina Hoogen Stoevenbeld (Bergh 1881), die vast familie was van Henk Hoogen Stoevenbeld, de latere secretaris van de PSP: bijna iedereen met deze achternaam komt uit de regio Zutphen – Doetinchem. Ze hadden nog een dochter Adriana (Utrecht 18.08.1884 – Bilthoven 22.01.1965), die als verpleegster naar Batavia was vertrokken maar later terugkwam, ik schat toen al getrouwd met de veel jongere Hendrik Johannes Jacobus Weurman (Sorabaja 02.09.1910 – Rotterdam 12.07.1994). Cornelis was opgeleid als bouwkundige en was hoofdinspecteur bouw- en woningtoezicht in de gemeente Utrecht.

Rond 1925 woonde er de familie FT Blom. Het gezin kwam in 1923 terug uit Australie, maar meer details die zeker aan hen toe te schrijven zijn ken ik niet. Ze woonden er ongeveer 15 jaar. Hij stond geregistreerd als onderwijzer en later als leraar moderne talen. De laatste van wie ik vond dat deze er woonde was de familie Haarbrink, rond 1940. Zonder meer gegevens is niet te bepalen wie zij verder zijn geweest. Het meest waarschijnlijk is het Willem Haarbrink (Utrecht 16.07.1894) geweest die toen kleermaker was en getrouwd was met Hermina Antonia Hanssen (Utrecht o1.07.1899): er stond toen geen enkele andere W Haarbrink ingeschreven. Maar wellicht was het toch iemand met deze naam die van buiten Utrecht kwam, en ik moet onzeker blijven.

20Bis

Op 22 juni 1903 werd als eerste ingeschreven Maria Hasina van Wagtendonk (Enkhuizen 05.04.1855 – Utrecht 25.08.1929), weduwe van Christiaan Hendrik Moll (Enkhuizen 1859 – Schoonrewoerd 07.02.1903), haar dochters Gesina Maria Moll (Leerdam 10.12.1886 – Alkmaar 11.04.1942), Swaantje Lamberta Moll (Schoonrewoerd 23.12.1887) en Christina Hendrika Moll (Schoonrewoerd 03.01.1893 – 12.02.1964) en zonen Jacob Moll (Schoonrewoerd 04.10.1889 – Harderwijk 19.06.1952) en tweelingbroer Lambertus Moll (Schoonrewoerd 04.10.1889 – Rotterdam 11.02.1945). Ook de zus van moeder, Anna Elisabeth Van Wagtendonk (Enkhuizen 03.01.1865 – Utrecht 28.09.1941) woonde kort bij hen. Gesina ging al na een paar jaar in 1906 naar Westschellingerwerf en trouwde in 1913 met Wilhelmus Hermanus Kingma (Makkum 16.05.1885). Swaantje was apothekersbediende en vertrok in 1910 naar Zeist. Christina trouwde in 1918 met Leendert Hoejenbos (Utrecht 12.06.1892 – 29.12.1945). Jacob trouwde in 1919 met Jolina Wielinga (Huizen 21.08.1894 – Harderwijk 19.10.1955) en werd rector van een lyceum. Lambertus trouwde in 1918 met Anna Irmgard Bakhuizen (Barleben [D’land] 27.03.1898). De zus van moeder verhuisde naar Johan de Wittstraat 6 in 1904 (zie daar).

Mevrouw Van Wagtendonk is er 26 jaar blijven wonen, tot haar overlijden in 1929.

Daarna heeft er tenminste 10 Jaar gewoond mejuffrouw A Bruining. Er wordt geen beroep genoemd en niet meer voorletters, en het aantal personen dat dan voldoet aan deze omschrijving blijft groot. Erna komt er Anna Charlotte Ter Woort wonen, tot 1943 (26 juni) waarop de overlijdt. Ze werkte als verpleegkundige in het AZU, en werd begraven op Kovelswade.

20 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 22

De bouwtekening van nummer 22 werd in 1902 ingediend tegelijk met de tekening voor 24, 26 en 28, hoewel het voorstel liet zien dat de huizen niet allemaal precies hetzelfde zouden moeten worden.

Bouwtekening van Hugo de Groot 22 tot en met 28 uit 1902

De eerst ingeschrevene op nummer 22, op 11 September 1903, is de familie Nieuwenhuijsen: Henri Martinus (Utrecht 05.04.1867 – Cannes [Frankrijk] 10.12.1940), zijn vrouw Anna Beunk (Lochem 24.06.1870 – Den Haag 11.08.1954) en hun kinderen Willy Martinus (Brussel 14.07.1891), Henri Martinus (Waterval onder Z [Zuid Afrika] 20.08.1894), Anna Hermine (Middelburg [Zuid Afrika] 27.09.1896 – Den Haag 07.01.1989), Hermina Johanna (Waterfontein [ Zuid Afrika] 09.04.1898) Albert (Amsterdam 18.03.1902) en later werd er nog geboren Henriette Anna (Utrecht 10.01.1904). Hun inwonende dienstbode was Geertje Van Mazijk (Lexmond 01.11.1878). Henri sr was bouwkundige. Willy trouwde in 1916 met Maria Huberdina Heutgens (Tilburg 10.04.1886), Anna werd klerk bij het spoor en trouwde in 1928 met Cornelis Johannes Lington (Utrecht 21(?2).06.1898 – Den Haag 04.10.1977), Hermina trouwde in 1930 met Eltje Jacob Hemmes (Arnhem 21.04.1900), Henriette trouwde in 1934 met Carel Frederik Teseling. De hele familie vertrok weer in voorjaar 1906 naar de Amsterdamse Straatweg 148 waar ze nog een dochtertje verloren 1 dag na de geboorte (Albertine, Utrecht 13.02.1907 -14.02.1907). Er wordt nergens genoemd wat de familie in Zuid Afrika deed.

In winter 1906 kwam er de familie Smedes wonen: Jacob Albert Smedes (Onstwedde 30.03.1857) met zijn zoon Egbert (Assen 01.02.1889), zoon Johannes Jacob (Assen 27.10.1893 – Bennekom 13.03.1975). Vader was zeer kort tevoren weduwnaar geworden door het overlijden van zijn vrouw Sijertje Houkes (Assen 24.06.1853 – Rotterdam 06.08.1906). Moeder had van een eerdere relatie een dochter Vrouwgien Hadders (Assen 10.10.1883 – Hilversum 31.03.1957). Jacob werkte bij de Rijks Verzekeringsbank. Ze verhuisden najaar 1909 weer naar Hugo de Groot 16bis. Zie aldaar voor meer informatie, inclusief de relatie die Vrouwgien met de architect Gerrit Rietveld zou krijgen.

Daarna trok in Adriaan Julius Harting (Utrecht 28.10.1884 – Zeist 26.09.1968), zij  vrouw Wilhelmina Elisabeth Johanna Frederika Havekotte (Utrecht 25.08.1884 – Zeist 21.09.1957), hun zoon Hendrik Jan Harting (Utrecht 06.01.1912 – Zeist 06.04.1990) en de broer van moeder, Jan Frederik Havekotte (Utrecht 10.10.1894 – Zeist 05.10.1936) die toen nog scholier op de plaatselijke HBS was, en in 1911 weer naar Kampen ging voor een verdere opleiding. De moeder van Jan Frederik was Susanna Nieuwenhuijsen (1861-1943) die wellicht familie was van de familie Nieuwenhuijsen die er eerder woonde. Adriaan was instrumentmaker van beroep. De familie bleef er wonen tot tenminste 1922. Hendrik Jan huwde in 1936 met Maria Katharina Theodora Kowsky (Munster 26.12.1914 – Zeist 27.01.1958), Jan Frederik huwde met Beredina Emmelot (Groningen 14.03.1903) in 1928.

Rond 1920 woonde er Dirk Jan Jansen (Gouda 09.05.1882 – Utrecht 29.12.1953) die in 1907 getrouwd was met Cornelia Broers (Nijmegen 23.09.1882) met wie hij samen twee kinderen kreeg, Johannes Gijsbertus (’s Gravenzande 01.12.1910)  en Barend Pieter (’s Gravenzande 07.03.1913). Dirk Jan was ambtenaar bij het spoor. Er is verder weinig met zekerheid van de familie bekend.

Tussen 1925 en 1930 kwam er de familie Van Voorthuijsen wonen. Vader Petrus van Voorthuijsen (Rhenen 05.11.1889 – Utrecht 14.01.1940), zijn vrouw Maria Gerharda Klomp (Ede 21.05.1895), en hun zoon Cornelis Hendrinus van Voorhuijsen (Veenendaal 04.12.1918 – Groningen 30.08.1943), zoon Petrus Dirk (Utrecht 23.12.1933 – Villach [Oostenrijk] 11.08.1980), dochter Wijnanda Hendrika van Voorthuijsen (Veenendaal 15.07.1917) met haar echtgenoot Cornelis Hollaar (Rotterdam 26.04.1916); ze zouden samen 2 kinderen krijgen, Cornelis (Utrecht 26.01.1944) en Petrus (Rotterdam 30.10.1946). Petrus sr en Maria kregen nog een zoon Hendrik Willem (Veenendaal 17.04.1924) die manager bij de KLM zou worden en in New York ging wonen, en ze hadden een dochter Hendrina Wilhelmina eerder verloren als pasgeborene (Veenendaal 06.11.1922 – Veenendaal 20.01.1923). Het beroep van Petrus is niet bekend, Cornelis jr was ten tijde van zijn overlijden ambtenaar betrokken bij de distributie, en Cornelis Hollaar was waterbouwkundig ingenieur, en is erg in de familiegeschiedenis van de familie Van Voorthuijsen gedoken en schreef er drie boeken over! De familie is nog enige tijd na het overlijden van vader en zoon op nummer 22 blijven wonen.

De naam Voorthuis of Voorthuis/zen komt van huis aan een voorde of voort, wat een doorwaarbare plaats is door een beek of rivier. In feite dus lijkend op een naam als Oxford  waar -ford hetzelfde betekent.  Zover bekend is de naam Voorthuizen op 3 plaatsen ontstaan: een bij Barneveld, een bij Drempt [bij Doesburg] en een bij Elten [ook bij Doesburg]; bij deze laatste locatie is de doorwaadbare plek bekend: die door het riviertje de Wild waar de heerweg van Zutphen naar Keulen doorheen liep. De aanduiding Voorthuizen voor een groot huis (men noemt het wel een waterburcht) komt al voor in een acte uit 966 van Keizer Otto de Grote. De familienaam wordt voor het eerst gebruikt in 1252. Er is een prachtige stamboom gemaakt die tot die tijd teruggaat, 526 blz lang (!), door AJW van Voorthuijsen die ik ieder die het wil graag zal toesturen.

22Bis

Op 1 november 1902 werd als eerste ingeschreven mevrouw Catharina Geertruida Rietveldt (Utrecht 22.06.1844 – Utrecht 15.02.1926), weduwe van Jacobus Christiaan van Dooremaal (Breda 16.09.1837 – Den Haag 20.06.1893), en haar zonen Gerardus Cornelis (Den Haag 07.01.1880 – Leiden 22.06.1919), en Jacob (Den Haag 06.05.1883). Ook de zuster van moeder, Petronella Johanna Rietveldt (Utrecht 19.10.1834 –Utrecht 03.03.1913), weduwe van Willebrordus Andreas Van Everdingen (Utrecht 22.12.1829 – Utrecht 21.02.1902, trok bij hen in. Vader Jacobus was oogarts van beroep, die ook wetenschappelijk onderzoek deed mede op aandringen van zijn beroemde leermeester Prof Donders, en was in 1873 gepromoveerd over wat er gebeurt als je iets lichaamsvreemds in iemands oog zet. Jacobus is eerder gehuwd geweest met Maria Cornelia Van Koetsveld van Ankeren (Utrecht 03.06.1834 – Veenhuizen 10.06.1870). Gerardus was destijds ‘volonteur bij Smulders’ en werd uiteindelijk elektricien en trouwde met Elisabeth Adriana Huter (Leiden 15.07.1994), Jacob was kantoorbediende en werd later accountant. De familie vertrok deels naar Leiden, deels naar Haarlem en deels bleven ze in Utrecht. Jacob zou in 1915 in Batavia trouwen met Jeannette (“Netty”) Bernardine Raaff (Semarang 22.03.1893).

In de zomer van 1909 werd ingeschreven Jacoba Hendrika Kuijper (Amsterdam 08.04.1871 – Baarn 01.04.1968), die in 1907 gescheiden was van Gerrit Willem Schaink (Amsterdam 20.07.1864 – Muiden 17.02.1931). Scheiden was in die tijd minder gewoon dan nu. Gerrit was toen kantoorbediende en zou uiteindelijk hoofd van de gemeentelijke publieke werken in Amsterdam worden. Ze kwam er wonen met haar dochter Aletta Schaink (Amsterdam 28.02.1901 – Amsterdam 22.03.1945), en kreeg in najaar 1909 een dochter Antonia (Utrecht 10.10.1909) die als achternaam Kuijper kreeg. Wie de vader was wordt niet vermeld. Aletta trouwde in 1927 met Friedrich Wilhelm Bremer (Amsterdam 08.04.1897 – Amsterdam 23.08.1975) met wie ze twee kinderen kreeg, Willem en Aletta. Antonia trouwde in 1934 met Hendricus Willem Kindt (Den Haag 28.09.1910) die matroos was.

Jacoba noemde zichzelf pensionhoudster en er woonden inderdaad een groot aantal mensen bij haar op kamers. Samuel Augustinus Hamer (Meppel 19.12.1883) en Johan Diederich Bruggemann (Kampen 02.02.1885) waren beiden opzichters bij rijkswaterstaat. Jan de Tempe (Makkum 08.11.1886 – Amsterdam 09.08.1915) was landmeter bij het kadaster. Pieter Kooijman (IJsselmonde 18.12.1886) was student veeartsenij. Wilhelm Franciscus Josephus Anderegg (Mill 23.01.1884 – Nuenen 01.05.1959) stond genoteerd als student medicijnen, net als zijn vader Martinus en oom Franciscus die huisarts waren; maar er waren er velen in de familie die arts waren. Wilhelm werd uiteindelijk huisarts in Oirschot en later in Nuenen. Johannes de Greeuw (Amsterdam 04.09.1884) als ingenieur. Sommige van hen hadden ook op kamers bij Jacoba gezeten toen ze nog in de Lange Elisabethstraat 8bis of de Korte Nieuwstraat 8bis woonde, toen ze ook al pensionhoudster was. Wellicht dat een van hen ook de vader van Antonia was?

Pas in voorjaar 1911 kwam er weer een gezin wonen: Antoon Hendrik de Koff (Utrecht 09.09.1868 – Den Haag 22.09.1940), zijn vrouw Elisabeth Johanna Marijnus (Utrecht 22.01.1868 – Den Haag 27.12.1949), hun zoon Hendrikus Martinus (Utrecht 01.05.1897 – Utrecht 01.03.1935) en hun dochters Antonetta Hendrika (Utrecht 02.12.1898 – ) en Elisabeth Johanna Antonia Hendrika (Utrecht 25.12.1903). Antoon was metselaar van beroep en werd later aannemer. Hendrikus trouwde in 1924 met Jenneke Sijke van Sijderveld (Utrecht 28.04.1898), Antonetta trouwde in 1928 met Johannes Christiaan Franciscus Staal (Zwolle 09.05.1887 – Utrecht 12.04.1958), en Elisabeth trouwde in 1928 met Jan Willem Ferdinand Sligting (Amsterdam 1899 – Velsen 14.02.1956) die kantoorbediende was en van wie ze later weer zou scheiden.

Rond 1915 komt er de familie Both wonen: Carel (“Charles”) Everhard Christiaan Both (Zevenaar 08.05.1863 – Utrecht 22.05.1925) met zijn vrouw Jeannette Lampe (Wijhe 11.09.1869 – Amsterdam 13.05.1955) en hun kinderen Carel Everhard Christiaan (Gouda 09.10.1899 – Rotterdam 03.04.1968), Henrica Adolphina Agneta (Ede 17.06.1901 – Helmond 31.03.1969),  en Hendrik Rijntjes (Ede 16.04.1910 – Amsterdam 07.09.1959). Charles sr was controleur bij de NS. Charles jr trouwde in 1930 met Alida Rebekka Reusen (Rotterdam 11.04.1900 – Rotterdam 23.02.1986), Henrica trouwde in 1928 met Jan Kuperus (Gaasterland 16.05.1904 – Helmond 23.07.1976). Hendrik werd reclametekenaar, en trouwde in 1939 met Marie Louise Ittalie (04.05.1917 – 20.10.2008).

De familie Both: links Carel (“Charles”), midden Jeannette, rechts Hendrik. De naam Both komt in heel Nederland voor maar vooral in de omgeving van Dirksland.

De familie blijft er wonen tot Charles sr overlijdt  in 1925, en moeder verhuist daarna, ook omdat de van plan zijn om het huis uit te gaan en te trouwen. Rond 1930 komen er twee mensen als hoofdbewoner wonen: de heren Bisschoff en Bijsterveld.  Eerst woont er Johan Coenraad Bischoff (Nijmegen 04.03.1876 – Utrecht 07.12.1935) was ingenieur maar overlijdt voor hij 60 jaar is; of hij er tegelijk met anderen woonde is niet bekend. Pieter Jacob Olivier Bijsterveld (Ede 25.11.1905 – Driebergen 19.03.1973) is als hij er gaat wonen nog ongetrouwd maar die in 1940 zal trouwen met Coks Petri (De Bilt 15.12.1909 – Driebergen 07.04.2003).

Na hen in 1940, komt er vanuit Coevorden wonen Willem Hendrikus Kisjes (Utrecht 16.02.1895 – Utrecht 10.11.1965). Hij was eerst amanuensis maar werkte zich op tot chemicus Hij trouwde in 1918 met Maria Everdine Nagtegaal (Utrecht 28.12.1895 – Leusden 07.06.1982) maar na de scheiding in 1923 trouwde hij in 1925 met Neeltje Klomp (Veenendaal 1901; vader van Hendrina Cornelia Kisjes die getrouwd is met Willem Henri Eduard Danner. Ze kregen een dochter Wilma die op de leeftijd van 3 jaar overleed (Utrecht 1957 – Utrecht 24.11.1960), en een dochter Marjanne van wie verder geen andere gegevens te vinden zijn. Ik ga er van uit dat er wel een familierelatie bestaat met de familie Danner die op nummer 16 woonden, hoewel ik Willem Danner niet terugvindt in die stamboom.

Nummer 22 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 24

De bouwtekening van nummer 24 is bij nummer 22 al beschreven omdat ze voor 22-28 in één keer werden ingediend.

De eerst ingeschrevene op nummer 24, op 19 maart 1903, is de familie Takken. Vader Pieter Richard (Utrecht 19.06.1878 – Amsterdam 29.10.1942), Johanna Maria Linnenbank (Utrecht 21.11.1873 – Utrecht 05.07.1950), en hun zoon Rijk Pieter Takken (Utrecht 14.06.1901). Pieter was smid van beroep zoals vele anderen in zijn familie dat ook waren. Later werd hij verzekeringsagent. In begin voorjaar 1906 verhuisden ze naar Oude Gracht 179. In 1911 scheidde het echtpaar, waarna Pieter hertrouwde met Johanna Josephine Bottinga (Leeuwarden 14.02.1878), ze gaan in Castricum wonen en daarna in Amsterdam. Er is daarna nog één keer iets van hem te vinden in het Amsterdams archief:

Beschrijving van de hechtenis neming van Pieter Richard Takken op 2 oktober 1942; enkele weken later is hij overleden (bron: Amsterdams Archief)

Er wordt nergens vermeld waarom hij in hechtenis is genomen. Of er een verband bestaat tussen de hechtenis en zijn overlijden een paar weken later weet ik niet.

Daarna kwam Gerrit Parree (Utrecht 22.09.1879) met zijn vrouw Clara Lampe (Apeldoorn 11.06.1884 – Bloemendaal 05.07.1949). Gerrit was commies bij de posterijen. Ze verhuisden in 1910 naar de Tolsteegsingel 31bis. Zover ik heb kunnen vinden hebben ze nooit kinderen gekregen.

De volgende was Johannes Landzaat (Utrecht 23.06.1867 – Utrecht 26.05.1958), zijn vrouw Henriette Cornelia Horn (Lobith 06.03.1870 – Utrecht 02.08.1931) en hun kinderen Johannes (Utrecht 03.04.1901) en Cornelia (Utrecht 29.10.1903 – Utrecht 03.11.1934). Als beroep staat er bij Johannes sr schilder, tekenaar, stads-timmerhuis. Johannes jr werd kantoorbediende en trouwde in 1930 met Sophia Drukker, met wie hij samen 3 kinderen kreeg.  

Rond 1916, en waarschijnlijk vlak na hun trouwen in de zomer van 1916, kwamen er wonen Johannes Aloysius Stringa (Utrecht 16.05.1893 – Amsterdam 26.01.1974) met zijn vrouw Cornelia Maria Servaas (Utrecht 08.12.1890 – Amsterdam 15.12.1967). Ze kregen samen 3 kinderen, Cornelia, Wilhelmina en Helena. Johannes was handelsreiziger van beroep. Ze bleven er maar een paar jaar wonen.

Toen kwam Franciscus Breijer (Arnhem 30.04.1885 – De Bilt 30.05.1957) met zijn vrouw Wilhelmina Josephina Sanders (Arnhem 20.03.1888 – De Bilt 16.09.1959) en hun zoon Franciscus jr (Utrecht 10.06.1918 – Hillegom 12.03.1998). Franciscus sr was bouwkundige. Franciscus jr trouwde in 1945 met Gerritdina Willemina de Haan (Utrecht 24.05.1920) en samen kregen ze twee dochters. Er is niet veel over de familie Breijer bekend, maar één ding wel: Franciscus sr speelde mandoline:

Advertentie in het Utrechts Nieuwsblad van 3 juni 1921

Rond 1930 woonde er Jan Hendrik Schuring (Nieuwe Pekela 24.07.1866 – Utrecht 14.01.1946) die getrouwd was met Henderika Dijkhuis  (Veendam 18.01.1875 – Utrecht 14.04.1962). Ze hadden twee kinderen, Hendrik Jan (Veendam 08.06.1904) en Ties Johan (Veendam 17.03.1907). Het beroep van vader wordt meestal aangegeven als ambtenaar bij de posterijen. Ik weet niet of ze familie zijn van de familie Schuring die rond 1950 in de Johan de Wittstraat 7 woonde. De familie verhuisde rond 1940 naar de Maliesingel 44. Dat deden ze dan wel zonder hun pathefoon met platen, want in het Utrechts Nieuwsblad werd die in december 1936 te koop aangeboden.  

Een pathefoon uit 1930 zoals te koop aangeboden door de familie Schuurman in 1936

In 1940 woont er Marinus Gathier (utrecht 27.09.1894) met zijn  vrouw Christina Wilhelmina Alvina Va Emmerik (Heine [Pruisen] ) 08.03.1905). Marinus was eerst apothekersbediende maar klom later op als ‘afdelingschef’; alleen wordt de aard van het bedrijf niet genoemd.

24Bis

Op 3 februari 1903 werd als eerste ingeschreven Jan Jacob (“Jean Jacques”) Grond (Heerlen 24.08.1842 – Utrecht 14.05.1903), zijn vrouw Emilie Adele Caulier (St Quentin [Frankrijk] 22.12.1839) en hun kinderen Petrus Mathias Nicolas Grond (Utrecht 27.12.1883), Johanna Maria Elisabeth Adele Grond (Nieuwer-Amstel 17.04.1878 – Rotterdam 23.01.1938), en Maria Geertruida Margaretha Grond (Utrecht 04.06.1881). Jan Jacob was eerst boekhouder en werd correspondent, hoewel niet aangegeven werd waarvoor Moeder, Petrus en Maria verhuisden kort na overlijden van vader naar Berchem bij Antwerpen, Johanna werd onderwijzeres, ging naar Amsterdam, en trouwde 1904 met Teije Veen (Arnhem 24.04.1877). Ze scheidden weer in 1926, zover ik weet zonder kinderen, en een maand later was Teije weer getrouwd met Anna Petronella de Rooij (Amsterdam 12.10.1873 – Amersfoort 11.02.1949).

Daarna kwam Carel Bahnsen (Utrecht 21.12.1839 – Utrecht 02.02.1926) met verschillende ‘diensters’ en huishoudsters. Zijn vrouw Sophiea (ja, je schrijft het echt zo) Johanna Usener was in 1894 al overleden en de 5 kinderen waren het huis uit. In voorjaar 1907 verhuisde Carel met huishoudster en een van de dienstbodes naar de Begijnenkade 2. Carel was apotheker geweest en was tevens amateurschilder. Een van de allereerste apothekers in Nederland die een registratie kreeg, was Jan Viel uit Utrecht in 1807. Zijn apotheek lag aan de Mariaplaats. De schoonzoon van Jan was Carl Bahnsen, de vader van Carel, die ook deelnam als compagnon. Carel was vanaf 1867 eigenaar van de apotheek. Hij stopte in 1900. In 1957 werd de apotheek gesloten.

Links Carel Bahnsen ca 1880. Rechts apotheek Viel en Van Dijk uit 1975 (niet die aan de Mariaplaats waar geen foto van bleek, maar die in de Korte Jansstraat 15((bron: Utrechts Archief)

De volgende was Charles Henri Juliën Driessen (Roermond 17.07.1879 – Zeist 27.10.1960) met zijn vrouw, jonkvrouwe Alida Frederica Remelia Van Beijma thou Kingma (Djamber [Java] 20.09.1883 – Apeldoorn 07.12.1927). Charles was ingenieur bij het Spoor. Ze kwamen uit Apeldoorn en verhuisden weer naar St Pieter in Limburg.  Ze kregen samen twee kinderen, Jacques (St Pieter 11.12.1908- Epe 19.07.1977) en Petrus (St Pieter 06.05.1912). Charles zou later, na het overlijden van Alida, hertrouwen met Ida Hulst (Boxmeer 27.04.1897 – Utrecht 02.10.1950) met wie hij nog een kind zou krijgen. De familie Van Beijma (of Beyma) thou Kingma is een adellijk geslacht dat begint bij een landeigenaar in Lichtaard in 1527, wiens zoon Johan Juckz Beyema burgemeester van Dokkum werd, en diens zoon Julius van Beyma weer hoogleraar te Franeker; daarna waren er vele generaties zowel in het leger als in de provincie Friesland die belangrijke posten innamen, dat later ook in de landelijke politiek deden, totdat uiteindelijk in 1842 de familie ingeschreven werd in de Nederlandse adel. Het valt op dat er binnen de familie zeer geregeld neef-nicht huwelijken voorkomen.

Het Wapen van de familie Van Beijma thou Kingma

Eind 1908 trok in Anthonie van der Lip (Utrecht 21.07.1838) met zijn dochter Neeltje Adriana van der Lip (Utrecht 18.04.1868) en wisselende dienstbodes. Zijn vrouw Anna Sebilla Arendts (Utrecht 16.10.1842 – Utrecht 07.07.1902) was toen al overleden, en zijn vier andere kinderen waren ofwel al overleden ofwel al getrouwd en het huis uit. Anthonie was bouwkundige van beroep. Neeltje verhuist in 1910 naar nummer 16bis als ze trouwt met Jacob Smedes (zie daar).

Mevrouw Johanna Helena Frederika Jacoba ten Harmsen van der Beek (Hantum [Westdongeradeel] 23.01.1864 – Utrecht 09.12.1947), weduwe van Cyprianus Johannes van der Veen (Leeuwarden 14.03.1855 – Bolsward 06.07.1910) woonde er vanaf 1915. Het echtpaar kreeg samen 3 kinderen: Johannes (Sloten 26.03.1886), Karel (Sloten 06.06.1888) en Catharina Wilhelmina (Utingeradeel 07.03.1890 – Utingeradeel 11.09.1890), die een paar maanden oud werd. Karel kwam met zijn moeder mee, werd civiel ingenieur bij de NS, en huwde in 1918 Henriette Caroline Maria Slutterheim (Den Haag 02.12.1890 – Den Haag 25.07.1973). Karel bleef na zijn trouwen op 24bis wonen, moeder verhuisde naar de Keizerstraat 10.  Johannes verhuisde toen hij in 1920 trouwde met Elisabeth Hagen (Utrecht 17.06.1896) die daarvoor vlakbij woonde aan de ABC-straat 1, en werd later notaris.

Cyprianus is een naam die binnen de Friese tak van de familie Van der Veen veel voorkomt. Mr Cyprianus van der Veen die op 18 juni 1796 geboren werd, was advocaat en procureur in Leeuwarden, en was vanaf 1850 jarenlang lid van Gedeputeerde Staten van Friesland en lid van de Tweede Kamer vanaf 1848. Hij wordt beschreven als ‘geestig’ en ‘gezellig in de omgang.’ Hij overleed in 1863. De Cyprianus van der Veen die op 24bis woonde was zijn kleinzoon (zijn vader was Johannes 1825-1893), was ook jurist en werd burgemeester, eerst van Utingeradeel (1889-1898) en daarna van Bolsward, van 1898 tot zijn dood in 1910. Waar Johannes notaris werd kon ik niet vinden.

Cyprianus van der Veen 1796-1863

Rond 1923 kwam er wonen Adrianus Waasdorp (Noordwijk 18.03.1856 – Utrecht 16.11.1928). Hij was vroeger hoofd geweest van de mulo school: de school lag aan het Janskerkhof en werd later de Willem de Zwijgerschool genoemd in 1920. Na een aantal fusies in de 60er jaren verhuisde de school in 1975 naar de Wittevrouwenkade en werd het uiteindelijk onderdeel van het Traiectum college, dat weer opgeheven werd in 1981.

De school aan het Janskerkhof 17 in 1900 en de 6e klas van de school in 1903. Het zou best wel eens kunnen dat de man links Adrianus Waansdorp is: er zijn meerdere klassenfoto’s, de leraar rechts wisselt, maar jarenlang zit dezelfde persoon links; dus het schoolhoofd?

Zijn vrouw was Adriana Maaskant (Dubbeldam 31.03.1859 – Utrecht 13.12.1923); bij haar stond geen beroep vermeld. Ik weet niet of zij al overleden was voor ze verhuisden. Ze kregen 7 kinderen: Maria Adriana (Bergen op Zoom 25.12.1880 – Utrecht 13.12.1943), Leendert (“Leonard”) Adrianus (Zaandam 20.08.1886 – New York 14.03.1967), Wilhelmina Maria (Utrecht 11.09.1890 – Utrecht 28.11.1957), Cornelis Adrianus (Utrecht 18.12.1893 – Rochester 19.02.1937), Adrianus jr (Utrecht 08.02.1896 – Utrecht 07.01.1965), Johannes Pieter (Utrecht 23.02.1900), die later boekhandelaar werd, en Aart (“Arthur”) (Leiderdorp 04.10.1882 – New York 01.10.1971).  Drie van de kinderen emigreerden, op de ‘Rijndam’ of de ‘Noordam’ vanuit de haven van Rotterdam, op verschillende momenten naar de VS, en begonnen zich daar Waasdorf te noemen.

Vanaf 1930 woonde er de familie Tempel, die er minstens 10 jaar bleef wonen. Hendrik Gerardus Tempel (Utrecht 05.02.1878 – Utrecht 07.05.1953) trouwde met Carolina Elisabeth Lorette (Utrecht 29.01.1882 – Utrecht 16.03.1952) in september 1903, en 4 maanden later werd hun zoon Arnoldus Gerardus (Utrecht 31.01.1904) geboren, later gevolgd door Hendrik Gerardus (Utrecht 28.04.1912). Hendrik sr werkte vanaf 1894 bij de NS en werd in 1935 op verzoek eervol ontslagen “wegens maligniteit”. Blijkbaar kon deze behandeld worden want hij overleed eerst 18 jaar later.

Hugo de Grootstraat 26

De bouwtekening van nummer 26 is bij nummer22 al beschreven omdat ze voor 22-28 in één keer werden ingediend.

De eerst ingeschrevene op nummer 26, op 15 april 1903, was Wilhelmina Carolina Triebart (Deventer 01.05.1848 – Baarn 06.11.1933) met haar kinderen Asuerina Johanna Dwars (Osaka [Japan] 17.05.1876), Johanna Carolina Hubertina Dwars (Osaka 01.11.1878) en Bernard Wilhelm Carel Dwars (Deventer 25.12.1880). Wilhelmina was weduwe van Bernard Wilhelm Dwars die apotheker was geweest.  De twee dochters vertrokken binnen een jaar weer, moeder en zoon Bernard verhuisden naar Hugo de Grootstraat 28. Asuerina stond ingeschreven als apotheker, en vertrok uiteindelijk naar Helmond. Ik checkte het internet: ik kan geen enkel ander persoon vinden met als eerste voornaam Asuerina (wel een uit 1785 die het als 2e naam had, Hendrika Asuerina van den Berg uit Amerongen), en zelfs het Meertens instituut geeft er geen betekenis aan.

Bernard Dwars stond ingeschreven als student, en trouwt in 1907 met Adriana Maria Onnen. Johanna trouwt op 30 april 1903 met Willem Kraak.  Het echtpaar Dwars-Triebart had nog een kind: Adriaan Wilhelm Carel Dwars (Osaka 09.06.1874 – Nijmegen 18.12.1946), die ingenieur was en getrouwd was met jonkvrouwe Juliana Sophia Dutrij van Haeften (Dordrecht 19.11.1873 – Utrecht 11.04.1942); hij werd later directeur van de MTS in Utrecht, werd hoogleraar aan de universiteit van Santiago in Chili, schreef boeken en speelde een belangrijke rol in het bedrijf Royal HaskoningDHV (de D staat voor Dwars).

Een maand later voegde zich heel kort bij hen de familie Van der Lip: Jan Cornelis, zijn  vrouw Johanna Alida Deele, zoon Jan Hendrik Cornelis van der Lip, en dochter Susanna Margharetha. Bovendien hadden ze op kamers Jan Harm Iemhoff (Wielen [Pruisen] 14.11.1887 – Wielen 19.11.1962), Antje Voorn van der Naaten (Amsterdam 09.08.1871) en diens zus Maria Martha Voorn van der Naaten (Amsterdam 14.09.1872 – Amsterdam 20.02.1962). Er woonden dus korte tijd 11 mensen in het benedenhuis! De familie Van der Lip verhuisde kort erop naar nummer 13, en wordt daar beschreven.

De familienaam Voorn van der Naaten is ontstaan doordat aan de vader van Antje en Maria, Nicolaas, toestemming werd verleend, bij koninklijk besluit, om zowel de achternaam van zijn vader (Johannes Theodorus van der Naaten) als die van zijn moeder (Antje Vooren) te gebruiken, vanaf 22 januari 1880. Er wordt niet bij verteld waarom dit mocht cq gevraagd werd. Lang heeft de naam niet bestaan: zijn beide dochters kregen geen kinderen, en daarmee is de naam weer uitgestorven.

In 1908 kwam er de familie Ter Hart. Johan Frederik (elders wordt hij Johann Friedrich) genoemd Ter Hart (Amsterdam 20.05.1879 – Amersfoort 03.02.1961), zijn vrouw Elisabeth Frederika Jacoba De Haas (Amsterdam 06.02.1877 –Zeist 12.04.1949) en hun kinderen Hendrik Ter Hart (Utrecht 03.11.1908) en Elizabeth Frederika Jacoba (Utrecht 11.06.1911). Eerder in 1908 verloor het echtpaar een kind bij de geboorte, en later zouden ze nog een zoon Johan Frederik (Utrecht 13.09.1916 – Maarssen 30.08.1986) krijgen. Hendrik zou in 1934 trouwen met Johanna Magdalena Bodegraven (Tiel 06.01.1910), Elizabeth in 1939 met Pieter Hendrik Wallinga (Rauwerderhem 25.07.1910 – Amersfoort 09.12.1965), en Johan in 1940 met Margje Krijthe (Zwolle 03.03.1917 – Maarssen 20.07.2003).

Rond 1915 kwam er wonen Andries Bijvoet (Harderwijk 27.12.1827 – Utrecht 03.02.1919), zijn vrouw Christina Simons (Vlissingen 30.01.1837 – Utrecht 02.05.1926) en hun kinderen Frederica Louisa Wilhelmina (Bergen op Zoom 03.12.1876), Paulus (Den Helder 08.12.1883 – Baarn 28.11.1938) en Geertruida Adriana (Den Helder 04.12.1885). De andere kinderen, Willem Andries Cornelis (Maastricht 19.02.1863 – Den Haag 06.03.1925), Gerrit Jan (Breda 28.06.1864), Melis Pieter (Vlissingen 23.11.1867 – Den Haag 07.02.1904), Angelina Christina Adriana (Breda 27.04.1866 – Utrecht 07.02.1937), Maria Sophia (Bergen op Zoom 22.10.1870 – Den Haag 06.02.1954), Andries (Bergen op Zoom 21.10.1871 – Utrecht 16.01.1935), Christina Sophia Maria (Bergen op Zoom 04.02.1874 – Breda 14.03.1949), Adriana Margaretha Christina (Bergen op Zoom 11.09.1875 – Batavia 22.10.1939), Angeline Christina Adriana (Breda 27.04.1866 – Utrecht 07.02.1937), en Christoffel Jozef (Den Helder 30.12.1880 – Alkmaar 27.07.1951) waren inmiddels het huis al uit. Twee kinderen, Andries (Maastricht 07.09.1860 – Maastricht 23.09.1860) en Christoffel (Bergen op Zoom 28.09.1878 – Den Helder 12.11.1879) overleden in het eerste levensjaar. Vader Andries was eerst in dienst van het leger als sergeant majoor van de infanterie, en later als Adjudant onderofficier. Rond 1890 wordt hij in Utrecht als administrateur ingeschreven. Moeder Christina kreeg haar laatste van de 15 kinderen toen ze 48 was. Ze was wollennaaister toen ze trouwde, stond in Utrecht ingeschreven als winkelierster vanaf 1895, en heeft een zuivelwinkel gehad in de Voorstraat 44.  Ze stopte rond 1905 met de winkel, daarna werd het een bakker (bakker JW  Van Eijden).

Advertentie in het Utrechts Nieuwsblad van 1895 voor de zuivelproducten die Christina Bijvoet-Simons verkocht. Rechts het pand Voorstraat 44 in 1974 toen kunsthandel De Kraaij er in zat. Tegenwoordig zit er een videowinkel in (“Big choice”).

Paulus staat in Utrecht ingeschreven als schrijver, trouwt in 1909 met Engelina Jansen (Utrecht 12.07.1879) en wordt later handelaar in koloniale waren. Geertruida is getrouwd in 1933 met Derk Gijsbert Montenberg (Groesbeek 06.02.1872), Frederica in 1919 met Marinus Antonie Perin (Leiden 07.06.1876), Christoffel in 1907 met Neeltje Van Duuren (Utrecht 01.11.1883), Adriana in 1906 met Cornelis Leonardus Jacobus Coster (Leiden 13.01.1881), Christina in 1903 met Louis Pierre Alexandre Laboijrie (Rotterdam 14.08.1867), Angelina in 1890 met Evert Wassens (Anloo 11.03.1865), Gerrit in 1890 met Aaltje van Hinte (Maassluis 14.10.1867) en Willem in 1890 met Jacoba Dijkstra (Harderwijk 18.03.1868). Een aantal van de zonen gaan ook voor defensie werken, in verschillende functies. Als moeder Christina in 1926 overlijdt wordt  Martinus Perin, de man van Frederica, de hoofdbewoner.. Aanvankelijk staat hij ingeschreven als winkelbediende, later als tekenaar. Ze blijven er lang wonen, tenminste tot 1936. Ze zijn alle twee 43 als ze trouwen en krijgen geen kinderen.

Er is veel bekend over de familie Bijvoet. Er is een prachtige site waar nog veel meer details te vinden zijn: www.bijvoet.org  Daarin wordt ook uitgelegd dat de naam Bijvoet uiteindelijk afkomstig is van het plantje Bijvoet oftewel Artemisia Vulgaris.

Rond 1939  Gerardus Franciscus van Medevoort (Amsterdam 05.12.1866 – Menaldumadeel 07.02.1948), die getrouwd was met Geertruida van Helden (Dordrecht 04.08.1874 –Wieringen 07.11.1960). Hun dochter Geertruida Catharina (Amsterdam 18.07.1908) was in 1936 getrouwd met Bartholomeus Ijkelenstam (Utrecht 28.11.1909). Hun zoon Adriaan Johannes (Utrecht 02.04.1911) trouwde in 1938 met Henriette Charlotte Ijkelenstam (Utrecht 27.10.1911): dus een broer en zus trouwen met een zus en broer, zoals destijds vaker gebeurde. Hun zoon Gerardus Hendrik Willem (Amsterdam 07.04.1906 – Wieringen 03.02.1994) studeerde theologie, en trouwde in 1937 met Maria Carolo Lington (Amsterdam 16.12.1913 – Joure 06.09.1997), en werd dominee in verschillende plaatsen in Noord-Holland. Gerardus sr was meubelmaker van beroep. Ik schat dat de familie reageerde op de advertentie in het Utrechts Nieuwsblad; de huur was toen 32,50 gulden (14,75 euro) per maand.

Te huur aangeboden Hugo de Groot 26 benedenhuis in het Utrechts Nieuwsblad van 8 aug 1939

26Bis

Op 13 mei 1903 werd als eerste ingeschreven Philippus Wilhelm Frans (Den Haag 13.08.1853 – Zeist 27.09.1912) met zijn vrouw Catharina Hendrica Wildering  (Utrecht 24.08.1863 – Driebergen 21.01.1937), en hun dochter Catharina Hendrika (Utrecht 25.04.1892 – Utrecht 20.12.1913). In 1907 voegde zich bij hun Philippus Wilhelm Frederik (Utrecht 29.03.1882) geboren uit het eerdere huwelijk van Philippus sr met Christina de Haan (Kralingen 13.10.1850). Zowel Philippus sr als jr werkten bij de NS, Philippus jr ging later bij een verzekeringsbank werken. Hij trouwde in 1914 met Maria Elisabeth Van Lierop (Amsterdam 13.10.1889).

Rond 1920 kwam er wonen Anne van der Veer (Sneek 16.07.1869 – Zwartebroek [bij Barneveld] 29.03.1916) met zijn vrouw Jansje Wesselo (Utrecht 12.06.1878 – Utrecht 13.08.1962). Ze kregen twee dochters: Hendrika (“Riek”) (Utrecht 25.03.1903 – Utrecht 08.09.1919) en Berber van der Veer (Amsterdam 15.04.1902 – Bennekom 15.01.1975) en een zoon Pieter (Zwartebroek 18.06.1908). Anne was onderwijzer van beroep en werd uiteindelijk hoofdonderwijzer. Toen hij overleed bleef zijn vrouw Jansje tot tenminste 1940 op 26bis wonen.  Berber trouwde in 1935 met Frederik (“Frits”) Jacobus Bernardus Schiebaan (Rotterdam 19.07.1903 – 05.12.1996).

HdG26 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 28

Net als bij nummer 24 en 26 wordt verwezen naar nummer 22 voor de bouwtekening omdat ze voor 22-28 in één keer werden ingediend.

De eerste bewoners werden ingeschreven op nummer 28 op 29 juli 1902. Het was de familie De Koff: vader Antoon Hendrik (Utrecht 09.09.1868), moeder Elisabeth Johanna Marijnus (Utrecht 22.01.1868 – Den Haag 27.12.1949), dochter Antonetta Hendrika (Utrecht 02.12.1898) en zoon Hendrikus Martinus (Utrecht 11.05.1897 – Utrecht 01.03.1935), en later werd er geboren dochter Elisabeth Johanna Antonia (Utrecht 25.12.1903). Vader werd toen ingeschreven als metselaar. Eind voorjaar 1906 verhuizen ze naar de Balkstraat 25.  Vreemd genoeg zullen ze begin 1908 weer terugkomen om in zomer 1909 weer te verhuizen naar de Biltstraat 96. De reden hiervoor wordt niet vermeld.

In de periode dat de familie de Koff er niet woont, woont er Wilhelmina Carolina Friebart, de weduwe van apotheker Bernard Dwars, met haar zoon Bernard Dwars jr. Hun wedevaren staat uitgebreid beschreven onder nummer 26 waar ze vandaan kwamen. Mevr Dwars – Friebart zou naar Zeist verhuizen, Bernard jr naar Indië.

Daarna kwam er wonen Johannes Frederikus Ferree (Utrecht 26.04.1867 – Utrecht 22.03.1935), zijn vrouw Anna Theodora Henriette Hamelau Tacke (Utrecht 08.09.1869 – 1939) en hun kinderen Alida (Utrecht 17.08.1889 – Utrecht 29.09.1931), Cornelis Hendrikus (Utrecht 14.01.1891) en Anna Theodora Henriette (Utrecht 20.09.1894 – Utrecht 15.05.1930). Johannes jr (Utrecht 15.04.1888 – Utrecht 12.05.1910) was vlak er voor al overleden. Johannes is musicus van beroep, zijn dochter Alida is onderwijzeres. Zij trouwt in 1911 met Jan Rijlaarsdam (Delft 11.01.1887). Zoon Cornelis gaat in 1911 naar Indie. Moeder is de dochter van David Gustaaf Hamelau Tacke, toen de eigenaar van het pijpenmagazijn aan de Zadelstraat 13, wat diens vader in 1870  startte.

Pijpenmagazijn Hamelau Tacke aan de Zadelstraat 13 in 1913 (bron: Utrechts Archief)

In het persoonsregister staat de familie de Koff voor een derde maal ingeschreven op nummer 28 van 1915 tot 1920. Antoon wordt dan niet meer aangeduid als metselaar maar als bouwkundige en aannemer. Tja.  Zoon Hendrikus trouwt in 1924 met Jenneke Van Sijderveld (Utrecht 28.04.1898), Antonetta trouwt in 1928 met Johnnes Christiaan Franciscus Staal (Zwolle 09.05.1887 – Utrecht 12.04.1958) en in hetzelfde jaar trouwt Elisabeth met Jan Willem Ferdinand Sligting (Amsterdam 1898 – Velsen 14.02.1956).

Rond 1925 woonde er gedurende een aantal jaren de weduwe Anna Geertruida Wilhelmina Wentink (Den Haag 01.05.1876 – Rijswijk 30.09.1937), die haar man Pieter Willem Frederik van Es van Conkelenberghe  (Den Haag tussen 1.1. en 22.04.1874 – Den Haag 14.02.1911) overleefde. Bij zijn overlijden stond hij te boek als kassier. Hun zoon was Johan George van Es van Conkelenberghe (Den Haag 17.10.1905). Hij trouwde in 1932 met Sara Dorothea Johanna van Beerschoten (Amsterdam 26.08.1910) en nam van zijn moeder een winkel over aan de Voorstraat 75.  Op de site Huizen aan he Janskerkhof wordt de geschiedenis van het huis, wat vroeger een paardenstal was, tot in detail beschreven.

Voorstraat 75 in 1914 en 1963 (bron: Utrechts Archief)

In de jaren 30 woonde er Benjamin Philippus De Jong (Utrecht 29.03.1890 – Utrecht 27.06.1962) met zijn vrouw Jeanette Diederika Struve (Amersfoort 03.04.1900). Hij scheidde van Jeanette in 1937 en trouwde in hetzelfde jaar met Maria van der Linden (Utrecht 07.08.1903). Benjamin werkte bij het Spoor. De huurprijs voor het benedenhuis was toen, in 1930, 475 gulden (215 euro) per jaar.

Rond 1940 kwam er te wonen Joseph Johan Alphonse Crollaer (Amsterdam 23.10.1878 – Doesburg 24.10.1965). Hij was eerst getrouwd met Marianne Kadiks die jong overleed (Rotterdam 20.12.1876 – De Bilt 21.09.1932). Daarna trouwde hij  in 1933 met Jannetje van Wieringen (Kockengen 1914) van wie hij in 1941 scheidde.

28Bis

Op 30 0ctober 1902 werd als eerste ingeschreven Gerhard Middelbeek (Voorst 13.10.1854 – Utrecht 22.06.1939) met zijn vrouw Johanna van Daalen (Voorst 28.09.1863 – Hilversum 23.07.1951) en hun kinderen, de tweeling Barend en Gerhard jr (Utrecht 12.03.1900) en dochter Cunegunda (Utrecht 29.09.1901 – Utrecht 19.12.1905). Bij hen woonde ook nog in Wilhelmina Koordeman (Zutphen 13.03.1823 – Utrecht 28.01.1911), de moeder van Johanna. Ze verhuisden in juni 1903 naar de Johan de Wittstraat 7, en de familie wordt daar verder beschreven.

Na hen kwam Hendrikus Wilhelmus Roeby (Batavia 20.08.1871) met zijn vrouw Johanna Henriette Philippine De Riemer (Toeban 28.07.1874 – Hilversum 21.02.1958) en hun dochter Charlotte Johanna Sophia Wijnanda Roeby (Palimanan 21.01.1900). Aldaar werden nog geboren dochter Johanna Charlotte Wijnanda Sophia (Utrecht 23.02.1904) en zoon Wijnandus Lambertus Hendrikus Wilhelmus (Utrecht 20.08.1905). Hendrikus was luitenant bij de infanterie geweest, en ook zoon Wijnandus werd militair. Ze vertrokken naar Amsterdam in zomer 1906 maar gingen later weer terug naar Java. Charlotte trouwde er in 1919 met Jan Everts.

De volgende familie was de familie van Gelderen: vader Hona (Eibergen 23.12.1859 – Middelburg 15.06.1921), moeder Rosetta van Gelder (Rotterdam 10.08.1859), dochter Hanna (Soerabaya 07.03.1890), en zoon Jacob (Soerabaja 07.11.1900). Hona was ingenieur van beroep, en werkte aan de inpoldering van Walcheren. Ze verhuisden eind 1907 weer naar Den Haag. Jacob trouwde in 1922 met Sara Frederika Elisabeth Polak (Den Bosch 08.04.1898), Hanna in 1920 met Stephanus Abraham Blok (Groede 14.05.1899). De voornaam Hona wordt zowel voor jongens als meisjes gebruikt en komt af en toe voor in Joodse families. De betekenis ervan is niet goed bekend.

In mei 1908 kwam er de familie Bolt wonen. Margina Bennink (ook wel Marchiena Benninka) Bolt (Rozendaal [in Gelderland] 19.04.1850) werd opgegeven als hoofdbewoonster, en woonde er met haar zussen Alida Albertine (Rozendaal 08.08.1851 – Utrecht 22.09.1917) en Maria Geertruida (Arnhem 29.11.1856 – Breukelen 24.07.1931). In 1909, toen Maria Geertruida in Baarn ging wonen, voegde zich nog bij hen hun zus Petronella Everdina Bolt (Rozendaal 28.05.1853 – Utrecht 26.03.1922). Hun vader was de kunstschilder Cornelis Jan Bolt (Helpman 25.05.1823 – Utrecht 02.02.1879), en was getrouwd geweest met Geertruida Janssonius (Groningen 22.10.1825 – Utrecht 01.01.1906) die 10 kinderen kregen. Ze hebben lange tijd aan Maliesingel 42 (werd aanvankelijk genummerd als 27) gewoond, en kwamen over toen moeder en twee van hun broers waren overleden. Geen van de zussen was getrouwd, wat zeker voor die tijd erg uitzonderlijk was. Toen Petronella overleed in 1922 is Maria ook erna verhuisd, naar Breukelen. Twee van de kinderen noemden zich niet gewoon Bolt maar Bennink Bolt: Bennink was de achternaam van de moeder van moeder; waarom ze zich zo noemden is me niet bekend.

De vader van de dames Bolt, Cornelis Jan Bolt (1823-1879). Hij was gespecialiseerd in landschappen.

Nog in 1922 kwam er wonen Hendrik Cornelis Oudegeest (Utrecht 12.11.1878 – Utrecht 07.01.1931). Hij was in 1907 gehuwd met Adriana Van Driel (Utrecht 04.01.1884 – Ermelo 18.12.1950), en ze hadden een dochter Adriana Oudegeest (Utrecht 28.04.1908 – Johannesburg [Zuid-Afrika] 30.04.1983). Van hun zoon Willem Johannes Oudegeest is geen geboortedatum te vinden. Willem zou in 1940 trouwen met Antonia Catharina Swagers (Utrecht 21.11.1915 – Bilthoven 16.06.2012), Adriana trouwde met Willem Veenstra (21.04.1898 – Haarlem 11.09.1964). De vader van Hendrik was groefbidder van beroep: tegenwoordig zouden we zegger aanspreker, iemand die mensen uitnodigt om naar een begrafenis te gaan. De stad Utrecht had zelfs officieel het beroep “stads-groefbidder”, en de hoed van groefbidder Oudegeest wordt in het Centraal Museum bewaard.

De hoed van groefbidder Oudegeest in het Centraal Museum

Maar ook Hendrikus zelf had een bijzonder beroep: hij was leraar schoonschrijver. In zijn vrijetijd hield ie van schaken:

Aanbieding voor cursus schoonschrijven in het Utrechts Nieuwsblad van 16 sept 1924, en een schaakclub verslag uit het UN van 26 sept 1925.

Wanneer precies hij kwam is niet duidelijk maar in ieder geval woonde rond 1940 Nicolaas Johannes Maria van Wensen (Ruwiel 15.08.1876) er. Hij was getrouwd geweest met Hendrika Wilhelmina Vendrik (Maarsseveen 20.03.1873 – Utrecht 30.05.1926). Ze kregen zover te vinden geen kinderen. Hij was ambtenaar bij de NS wat hij tot zijn pensionering op 1 juli 1941 bleef, en waarvoor hij een lintje kreeg. Of hij alleen woonde in het hele bovenhuis of toch mensen op kamers had, is niet terug te vinden.

Hugo de Grootstraat 30

De eerste nummering van de huizen in de Hugo de Grootstraat geeft ten dele het verschil aan in bouwen van de verschillende percelen, waarbij telkens de nummering aangepast werd. Bovendien vielen sommige huizen de ene keer onder de Maliesingel of Johan van Oldenbarneveltlaan, en de andere keer onder de Hugo de Grootstraat. Dat maakt het soms moeilijk om er zeker van te zijn dat de juiste bewoners in de juiste straat werden geplaatst.

Voor Hugo de Grootstraat 30 weten we gelukkig dat het op de hoek stond met de Johan de Wittstraat, en dat dat nu ook nog het geval is.  De eerste bewoner die in het benedenhuis wordt ingeschreven, op 17 oktober 1902, is Antonie Willem Wilten (Utrecht 29.12.1875 – Zeist 26.04.1944) en zijn vrouw Cornelia Hillegonda Toens (Leeuwarden 01.05.1880 – Amersfoort 03.05.1950). Ze zijn dan net, 2 dagen ervoor, getrouwd. Ze verhuizen in voorjaar 1903 weer naar de Oosterstraat 2. Ze kregen geen kinderen.

Dan komt er wonen mevr Josephina Wilhelmina Frederika De Graaff (Rotterdam 28.02.1833 – Arnhem 22.01.1915), die weduwe is van eerst Gerhardus Josephus Antonius Smits (Zevenaar 17.02.1828 – Rotterdam 09.05.1865 ) en daarna van Cornelis Rademakers (Zwijndrecht 13.07.1823 – Delfshaven 24.10.1881), met een inwonende dame Anna Maria Elisabeth Werleman (Amsterdam 14.03.1825); hun relatie wordt niet verder uitgelegd. Werleman is een naam die veel op Aruba voorkomt. Ik vond dat ze eerst inwoonde bij een broer van Josephina, gedurende 10 jaar. Wellicht is het iemand die zo lang bij de familie in dienst is geweest dat ze als familie werd beschouwd. Ze vertrekken samen al weer in September 1903 naar de Weistraat 114bis.

De volgende bewoner is Johann Hinrich Abraham (Hilversum 06.12.1876 – Utrecht 07.03.1948) met zijn vrouw Wilhelmina Guldemond (Aarlanderveen 04.01.1870 – Maartensdijk 22.02.1956) en zoon Johan(n) Hinrich Abraham (Utrecht 18.12.1904) wordt er geboren. Ze krijgen later ook een zoon Wilhelm Abraham (Hilversum 05.08.1907). Johann sr is stukadoor van beroep. Eind 1905 vertrekken ze naar de Breedstraat 45bis. Wilhelm wordt organist, waarschijnlijk in Den Haag, en trouwt in 1933 met Aletta Elisabeth Lietze (Amsterdam 10.08.1905). Johann jr trouwt in 1940 met Maria Agnes Nathalie van Meeuwen (Lisse 07.06.1905).

Begin 1906 woont er Hendrik Iman Gerritzen (Arnhem 10.05.1873 – Arnhem 11.06.1926), samen met Caroline Josephine Frederique Stennekes (Japara 02.09.1874) en hun zoon Johan Leonard Maximiliaan Gerritzen (Bator Djadjar 16.06.1904). Hendrik is officier van Gezondheid in Java die met verlof is. In juni 1907 gaan ze weer terug naar Indië.

Kort erna komt de familie Visser: vader Hendrik Dirks Visser (Utrecht 06.10.1865 – Utrecht 24.04.1947), zijn vrouw Helena Louisa Mica (Utrecht 16.12.1862 – Zeist 26.11.1943), en de kinderen Cornelia Wilhelmina Maria (Utrecht 20.09.1888), Jan Hendrik (Utrecht 04.01.1890), Helena Louisa (Utrecht 20.04.1892 – Utrecht 06.09.1958) en Hendrik Dirks (Utrecht 06.10.1894 – Utrecht 10.06.1914). Hendrik sr is kantoorbediende. De familie verhuist uiteindelijk naar de Singeldwarsstraat 29 behalve moeder die naar de Oude Gracht 180 verhuist. In 1910 scheidt het echtpaar, en in 1913 hertrouwt Hendrik sr met Johanna Catharina Rusconi. Cornelia trouwt in 1919 met Harm Jan van den Vrede (Utrecht 16.10.1873 – Utrecht 30.08.1959).

In 1910 woont er George Nicolas Van Amstel (Utrecht 27.08.1879 – Utrecht 12.03.1931) en zijn vrouw Henriette Sophie Johanna Rogier (Utrecht 05.04.1879 – Utrecht 16.04.1953) die op hun trouwdag ingeschreven worden. George is kantoorbediende. Het jaar erna komt de nicht van moeder, Geertruida Johanna Henriette Rogier (Hatert 16.01.1902 – Barneveld 12.09.1989) en haar moeder Geertruida Johanna Hemke (Utrecht 21.03.1845 – De Bilt 11.08.1936), weduwe van Petrus Christianus Rogier (Bergen op Zoom 01.03.1844 – Nijmegen 13.10.1907), ook bij hen wonen; begin 1912 verhuizen naar het huis ernaast, nummer 32. George en Henriette kregen geen kinderen en gingen na 10 jaar uit elkaar, volgens de rechtbank vanwege “overspel van George”. Henriette hertrouwt in 1929 met Hendrik Hartemink (Utrecht 10.03.1892 – Utrecht 29.01.1962); George hertrouwt niet. Henriette’s opa is Cornelis Joannes Rogier, die i 1863  het ‘Rogier-orgel’ bouwde wat in de Margrietenkapel in Bergen op Zoom kwam, en later in de Lutherse kerk aan de Faurestraat aldaar. Na sluiten van deze kerk, en restauratie van het orgel, is het geplaatst in de Gertrudiskerk in Bergen op Zoom.  Nichtje Geertruida zou in 1926 Berend Noordhoff (Leeuwarden 04.12.1894 – Utrecht 29.06.1941 trouwen.

Cornelis Rogier en een van zijn “Rogier-orgels”.

Daarna kwam Wilhelmus Hermanus Kelderman (Enschede 18.07.1888 – Boekelo 24.12.1968). Hij was getrouwd met Maria Johanna Reijnders (Utrecht 08.10.1887 – Enschede 13.11.1964) en samen hadden ze een zoon Lambertus Elias Kelderman (Utrecht 13.03.1919 – Enschede 14.05.1974). Wilhelm was architect van beroep.

Rond 1925 wonen er Jacobus Hardebol (Utrecht 08.02.1867 – Utrecht 03.04.1927) met Johanna Angenita Eijsbroek (Rotterdam 1869 – De Bilt 02.08.1930). Ze kregen 8 kinderen waarvan er 2 in het eerste levensjaar overleden. De anderen waren hun zoon Jacobus Hardebol (Utrecht 1899 – Utrecht 11.10.1950), welke trouwt in 1924 met Johanna Petronella Volkers (Zwolle 13.06.1900 – Utrecht 08.05.1956), Jan Rijndert Hardebol (Velsen 23.05.1896 – De Bilt 13.06.1972) trouwt een week later met Paulina Reeskamp (Utrecht 04.11.1902 – Utrecht 07.12.1988),  hun dochter Jacoba Johanna Hardebol (’s Gravenzande 08.04.1902 – Utrecht 30.06.1985) getrouwd in 1927 met Aart Frederik Housheer (Utrecht 01.02.1903 – Utrecht 28.05.1985), dochter Johanna Josiena (Muiden 1893) getrouwd in 1916 met Abraham Jozias Leenhouts (Schoondijke 19.02.1893), zoon Pieter (’s Gravenzande 23.09.1897) getrouwd in 1933 met Elisabeth Johanna Margaretha Fischer, zoon Nicolaas (’s Gravenzande 14.07.1900 – Amsterdam 05.02.1960) getrouwd in 1930 in Djakarta met Nel Patima (Toboali 1912 – Djakarta 1943), en zoon Frederik trouwt in 1941 met Cornelia van den Berg. De familie Hardebol is al een heel oude Utrechtse familie, die al in 1231 deel uitmaakte van het bestuur van de stad Utrecht. Ze woonden toen in de straat die wij nu kennen als de Hardebollenstraat. Daar was rond 1200 een stadswaag gevestigd, waar men dus goederen kon laten wegen, en dat pand werd de Herdebollencule genoemd (cule  = achterste). Waarschijnlijk was er dus eerst dat pand, en is de familie later daarnaar vernoemd. De familie heeft vast niets te maken gehad met de raamprostitutie die vele jaren in de Hardebollenstraat zat.

Hardebollenstraat in 1930 gezien vanuit de Breedstraat met in de verte de Voorstraat (bron: Utrechts Archief).

Vanaf 1930 woont er ene JH Vocking. Er zijn twee kandidaten om wie het kan gaan: Johannes Hendrikus Vocking (Utrecht 23.07.1901), zoon van slager Herman Vocking aan de Steenweg die de naam aan de bekende Utrechtse donkere worst gaf. Johannes trouwt met Maria Hendrica Van Leer (Utrecht 02.05.1908) in 1927.

De donkere Vockingworst zoals die te koop was bij slagerij Vocking aan de Steenweg 29 (hier in 1943) (bron: Utrechts Archief)

De andere JH Vocking uit die tijd is Johannes Hendrikus Vocking (Utrecht 05.12.1847 – Sassenheim 13.12.1939). Omdat hij al in 1932 overleed, en in Sassenheim, lijkt de eerder genoemde JH Vocking meer waarschijnlijk de bewoner van nummer 30. Voor alle zekerheid geef ik zijn gegevens ook: hij trouwde in 1875 met Wilhelmina Johanna Scheers (Utrecht 17.01.1854 – Sassenheim 15.10.1931) en kreeg een groot aantal kinderen: zoon Hendrikus Albertus Maria (Utrecht 19.11.1877 – Den Haag 05.06.1960) trouwt met Maria Cornelia Uijterwaal (Utrecht 05.11.1876 – Utrecht 12.03.1943)  zoon Joannes Hendrikus Maria (Utrecht 30.03.1880 – Utrecht 23.05.1958) trouwt in 1905 met Antoinetta Dresmé, dochter Maria Anthonia (Utrecht 06.12.1883 – Utrecht 30.03.1953) trouwt in 1921 met Cornelis van den Wijngaard (Utrecht 01.08.1893 – Utrecht 04.08.1949), dochter Louisa Maria Catharina (Utrecht 30.07.1890) trouwt in 1916 met Lambertus Cornelis De Rijk, zoon Cornelis Johannes Maria (Utrecht 25.07.1888) trouwt in 1916 met Bertha Johanna Antonia Aders, zoon Antonius Johannes Maria (Utrecht 14.02.1895 – Amstelveen 23.03.1970) trouwt in 1918 met Ida Carolina Anthonia van Schaik (Utrecht 12.11.1895) en wordt hoofd van de Antoniusschool in Nieuwer-Amstel, Gerardina Johanna Maria (Utrecht 02.04.1885 – Den Bosch 20.04.1951)  dochter Everdina Maria Josephine (Utrecht 04.03.1882) zoon Hendrikus Albertus Maria (Utrecht 19.11.1877)  zoon Egbertus Jacobus Maria (Utrecht 10.05.1876 – Leiden 27.04.1944) trouwt in 1902 met Alida Helena Barbara van Koot (Utrecht 30.04.1873 – Leiden 16.03.1965). Johannes sr is koperslager van beroep.

Ik vond nog een openbare verkoping  van 30 en 30bis uit 1958: 9500 gulden (ruim 4300 euro). Het huis werd op dat moment verhuurd verkocht en de huuropbrengst was voor het benedenhuis 46 gulden per maand (21 euro) en voor 30bis 52,75 gulden per maand (24 euro).

30Bis

De eerste bewoner op 30bis op 24 april 1902 is Abel Martinus Roosenstein, dan 38 jaar, en van oorsprong komend uit Eexta (bij Scheemda). Hij was net getrouwd met Elise van der Steen uit Nijmegen, en ging er in Mei 1902 wonen. Zijn vader Martinus werkte al bij het Spoor, en hij deed dat ook, alleen wel als klerk. Hij verhuisde na ruim een jaar al weer, naar Hugo de Groot 48. Eerst snapte ik dit niet tot ik vond dat in augustus 1902 zijn dochter Elise werd geboren. Zijn vrouw was dus hoogzwanger, en hij moest snel een huis hebben; waarschijnlijk was dat de reden dat hij eerst in HdG30 woonde tot HdG48 klaar was. Later verhuisden ze via  de Grietstraat 1 naar Tolsteegsingel 27, om daarna in 1937 naar Den Haag te gaan, waar hij in 1957 op 82 jarige leeftijd overleed.

Daarna kwam er Dionisia Moll uit 1859 (Rotterdam 22.03.1859 – Utrecht 12.04.1924) wonen, samen met Sophia Stomp uit 1877; beiden woonden al in de Nachtegaalstraat 47. Ze zijn geen van beiden ooit getrouwd geweest. Ik heb niet kunnen vinden wat hun beroep was. Op HdG 20 woonde nog een mevrouw Moll, n.l. mevr Moll-van Wagtendonk, weduwe van Christiaan Moll, arts, die in 1903 was overleden; ze hadden samen 6 kinderen. Zover ik kan nagaan, zijn ze geen familie van elkaar, in ieder geval niet de eerste 3 generaties. De huurprijs die ze destijds betaalden, was 20 gulden (9 euro) per maand. Ze woonden er lang, tenminste tot 1925.

Rond 1930 wonen er twee dames, en het is niet zeker vast te stellen wie ze waren. Zeer waarschijnlijk gaat het om mej Alida Magdalena v d Berkhof  (Utrecht 13.10.1903) en mej Cornelia Gijsberta van Capelle (Muiden 01.05.1884) maar het is niet uit te sluiten dat het andere mensen van buiten Utrecht waren. Cornelia was telefoniste van beroep, van Alida is dat niet bekend.

Rond 1940 trekt in Andries Hendrikus Heierman (Tiel 08.02.1891) met zijn vrouw Frederika Helena van Nieuwka(s)steel (Utrecht 29.10.1901). Er is verder nauwelijks wat over hen te vinden, behalve dat Andries administratief werk voor een lampenfabriek doet. Ze hebben ervoor gewoond op nummer 32, het wordt daar beschreven.

Nummer 30 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 32

De huizen Hugo de Grootstraat 30, 32, en 34 werden tegelijk gebouwd. De bouwtekening werd aangeleverd aan de gemeente in 1902.

Bouwtekening uit 1902 voor Hugo de Groot 30, 32 en 34. Later werden nogal wat wijzigingen aan de gemeente voorgelegd.

Voor Hugo de Grootstraat 32  was de eerste bewoner die in het benedenhuis wordt ingeschreven, op 24 april 1902, is Maria Cazant (Breukelen 28.02.1835), weduwe van Arie de Graaf (Weesperkarspel  1824 – Weesperkarspel 10.03.1882), en haar kinderen Maria (Weesperkarspel 02.09.1868 – Abcoude 11.10.1954), Aaltje (Weesperkarspel 22.09.1868 – Hilversum 28.08.1955) en Cornelis (Weesperkarspel 06.02.1879). De andere zoon, Gerrit (Weesperkarspel 01.04.1872) was slager en verhuisde eerder naar Diemen, dochter Cornelia (Weesperkarspel 1876 – Muiden 22.11.1942) was getrouwd in 1890 met Hendrik van Ginkel, en dochter Oeda Jeannette (Weesperkarspel 11.03.1867 – Hilversum 22.05.1951) was in 1892 getrouwd met Hendrik Vlug. De rest van de familie verhuisde in de winter van 1908 naar Weesp. Maria trouwde met Dirk Harmen Hoogenhoud (Weesperkarspel 14.06.1868 – Abcoude 14.02.1942).

Kort erna kwam mevrouw Adriana Elena Fraterman (Dordrecht 02.08.1852 – Den Haag 29.12.1919), weduwe van Heinrich (“Henri”) Geul (1830 – Dordrecht 28.04.1895), er wonen, met haar kinderen: Elena (Dordrecht 06.01.1879 – Den Haag 22.07.1911), Barbara Johanna (Dordrecht 15.12.1890 – Aachen 18.07.1930) Johannes Jacobus (Dordrecht 02.10.1876 – Den Haag 20.03.1945) en Emilie (Dordrecht 17.06.1885 – Amersfoort 09.06.1969). Johannes was kunstschilder bij de Stichtsche Glasverzekering, dus eigenlijk een glasschilder; hij werkte ook jaren in Munchen. Ik vond geen schilderijen van hem, hoewel hij wel in allerlei overzichten genoemd wordt. Emilie was kantoorbediende, en Barbara was nog leerling op de lagere school. Ze verhuisden na een jaar al weer naar de Schoolstraat 20a.

Daarna woonde er in haar eentje Maria Catharina Simonis (Utrecht 14.03.1839 – Utrecht 14.05.1910) tot ze het jaar erna overleed. Ze was in 1885 gehuwd met Bernardus Grasso (Tilburg 21.05.1836 – Nijmegen 17.01.1912).Waarom haar echtgenoot niet bij haar woonde is me niet duidelijk. Maria stond op geen enkel moment met hem samen op hetzelfde adres ingeschreven. Ze woonde aanvankelijk met haar zuster Wilhelmina (Utrecht 22.03.1846) aan de Nieuwe Gracht 31, maar is daarna eindeloos vaak verhuisd, en woonde telkens op haar eentje maximaal 2-3 jaar op een adres. Haar echtgenoot, loodgieter van beroep, woonde vanaf 1904 in Nijmegen en ervoor bij de kinderen die hij met zijn eerste echtgenote had.

In najaar 1910 kwam Gerardus Joannes Maria Remmers (Raalte 31.05.1869 – Apeldoorn 30.10.1918), met zijn vrouw Barbara De Boer (Huizum [bij Leeuwarden] 29.09.1870 – Best 23.12.1950) en kinderen Gerardus Antonius Damiaan Maria (Amersfoort 08.12.1908 – Eindhoven 11.11.1962) en Willebrordus (“Wil”) Johannes Maria (Amersfoort 16.04.1910 – Deventer 13.08.1992). In 1911 werd er geboren Elisabeth Catharina Boudina Maria (Utrecht 13.09.1911 – Apeldoorn 18.01.1926). Gerardus was in Raalte winkelier geweest maar was in Utrecht boekhouder van beroep. Ze vertrokken in 1911 weer naar Nijmegen. Het huis werd toen voor verhuur aangeboden, voor 240 gulden (109 euro); per jaar wel te verstaan.

Advertentie voor verhuur van het benedenhuis 32 in 1913 in het UN

Daar na kwamen Geertruida Johanna Hemke (Utrecht 21.03.1844 – De Bilt 11.08.1936) met haar kleindochter Geertruida Johanna Henriette Rogier (Hatert 16.01.1902 – Barneveld 12.09.1989) over van nummer 30 waar ze eerst inwoonden bij een andere dochter van grootmoeder. Zij worden daar verder beschreven.

Rond 1915 komt er de familie van Doorn: Hendricus Cornelis Van Doorn (Veenendaal 06.02.1857 – Utrecht 01.10.1919) met zijn vrouw Margje Flokstra  (Dwingeloo 20.01.1855 – Utrecht 23.05.1934). Ze krijgen 3 kinderen:  dochter Maria Ada (Veenendaal 16(?17).04.1892), zoon Hilbert Gerrit (Veenendaal 09.12.1893), en dochter Gesina Barendina (Utrecht 14.05.1896). Ze komen in 1906 uit Veenendaal naar Utrecht, en blijven er wonen tot vader op 62 jarige leeftijd overlijdt.

Rond 1925 woonde er Anton Roelof Strunk (Brummen 12.03.1885) met zijn vrouw Antonia Meijnen (Helpman [bij Haren] 13.06.1887 – Leiden 06.04.1962). Hij was technisch ambtenaar bij de arbeidsinspectie en had zelfs een deel van zijn opleiding in Engeland voltooid. Zover me bekend kregen ze geen kinderen.

Rond 1930 woont er Andries Hendrikus Heierman (Tiel 08.02.1891) die getrouwd is met Frederika Helena van Nieuwka(s)steel (Utrecht 29.10.1901). Ze verhuizen voor 1940 naar 30bis, dus naar het bovenhuis. Andries is vertegenwoordiger van de Pope’s metaaldraadlampenfabriek in Venlo. Die start in 1889 waarbij de drijvende kracht Frederic Pope was, een Engelse ingenieur (in 1905 zou hij eenzelfde fabriek in Londen starten). Ze verkopen in 1919 hun merknaam en fabriek aan Philips. Geleidelijk aan verandert de fabriek in een voor kabels en draden. In 1995 is de fabriek voor 50 miljoen dollar gekocht door een Amerikaans bedrijf (Belden Inc).

Pope’s metaaldraadlampenfabriek advertentie en fabriekshal in Venlo uit 1909

In 1936 wordt het hele huis (32 en 32bis) verkocht voor 5400 gulden (2450 euro). In 1937 kwam er wonen Cornelis Johannes van Buuren  (Utrecht 19.08.1888 – Amersfoort 08.01.1968) met zijn vrouw Maria Kingma (Leeuwarden 27.12.1896 – Utrecht 22.03.1956). Hun dochter waren Maria van Buuren (Utrecht 14.10.1918), Elly van Buren (Utrecht  1936 – Utrecht 29.08.1945). Ze kwamen van de Spieghelstraat 33. Hij was kleermaker en werkte bij kledingmagazijn ‘De Dom’ en deed dat 50 jaar lang. Er waren erg veel mensen met de achternaam Van Buuren die kleermaker waren in Utrecht: ik telde er minstens 20. Een van die naamgenoten, Jan van Buuren (uit 1877), was ook kleermaker en werkte ook enorm lang bij dezelfde firma: 40 jaar bij de firma Broekman aan de Lange Elizabethstraat. En jawel, hij maakte vooral broeken: hij heeft voor hen 80.000 broeken gemaakt. De heer van Buuren kreeg, zoals het hoorde, een gouden horloge en een vulpenset voor zijn lange dienstverband.

Cornelis van Buuren krijgt vanwege zijn 50-jarig dienstjubileum bij : De Dom” een gouden horloge omgedaan door de heer Grove van het bedrijf (Utrechts Nieuwsblad 20 aug 1957).

32Bis

De eerste bewoner op 32bis op 10 mei 1902 is mevrouw Wietske Wiarda (Harlingen 09.05.1835 – Den Haag 27.11.1910), weduwe van Johannes Reinderts Walkenhorst (Harlingen 15.02.1831 – Deventer 03.04.1876), met haar dochters Dirkje (Harlingen 17.06.1859 – Hilversum 29.05.1929), Oeke (Groningen 04.02.1869 – Den Haag 28.04.1954),  en Julia Catharina (Groningen 29.03.1871 – Hilversum 29.04.1956) en zonen Simon (Harlingen 02.10.1861 – Pretoria [Zuid Afrika] 11.07.1949) en Hendrik (Harlingen 14.12.1863 – Rotterdam 19.06.1924). Johannes handelde eerst in effecten en werd daarna winkelier van beroep.  Julia was apothekersbediende, Hendrik varensgezel en Simon emigreerde in 1890 naar Zuid-Afrika, deed in effecten, en bleef er de rest van zijn leven wonen. De familie verhuisde al in najaar 1903, eerst naar Baarn, daarna naar Den Haag.

Daarna komt mevr Aleida Scheveers (Beusichem 27.05.1845 – Utrecht 26.10.1917), weduwe van Gerardus Gerrits (Ommen 01.07.1840 – Utrecht 07.08.1903), met haar kinderen Catharina Hendrika Gerrits (Amsterdam 18.03.1880 – Amersfoort 12.01.1954), tweelingzus Aleida Jantina (Amsterdam 18.03.1880), en zoon Johan Gerhardus (Amsterdam 21.07.1882 – Amersfoort 14.11.1951). Hun andere zoon, Dirk Gijsbertus (Utrecht 04.06.1885 – Bergen-Belsen 26.02.1945), woonde inmiddels in Amsterdam, en in 1889 hadden ze een zoontje Gerhardus 2 dagen na de geboorte verloren (Utrecht 09.04.1889 – Utrecht 11.04.1889). Catharina is onderwijzeres handwerken, Dirk wordt accountant en zou aan het eind van WOII als militair omkomen, en Johan is kantoorbediende. In 1907 komt bij hen op kamers wonen Christina Bender (Haarlem 06.10.1885) die boekhoudster is. Johan zal in 1926 met haar trouwen. De familie blijft er minstens tot 1920 wonen, ook na het overlijden van moeder.

Daarna komen er twee kantoorbediendes te wonen met namen die zo vaak voorkomen, dat niet is uit te zoeken wie zij zijn: G de Groot  en HD Visser. Daarna komt, rond 1940, Wilhelmina Catharina Elisabeth Van Zoelen (Utrecht 08.03.1903 – Utrecht 17.10.1993). Ik kon wel vinden dat ze een dochter is van de Utrechtse aannemer Willem van Zoelen, maar verder lijkt het er op dat ze nooit getrouwd is of kinderen heef gekregen. Ik vond ook geen beschrijving welk beroep ze heeft gehad.

Nummer 32 werd in 1953 verhuurd: het benedenhuis voor 28,15 gulden (12,75 euro) per maand, het bovenhuis voor 30,55 gulden (13,90 euro) per maand (uiteraard exclusief de waterrekening).

HdG32 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 34

De huizen Hugo de Grootstraat 30, 32, en 34 werden tegelijk gebouwd. De bouwtekening van 34 staat genoemd bij nummer 32.

Voor Hugo de Grootstraat 34  waren de eerste bewoners die in het benedenhuis worden ingeschreven, op 20 mei 1902, Cornelis Johannes Heijkamp (Utrecht 25.06.1863 – Utrecht 08.03.1953), zijn vrouw Elisabeth Haase (Nijmegen 27.09.1869 – Utrecht 10.08.1948), zoon Johannes Hendrikus Maria (Utrecht 02.12.1900 – Zeist 22.03.1972) en dochter Francisca Maria Johanna (Utrecht 03.01.1902 – Utrecht 21.05.1902) die maar enkele maanden oud werd. Later zou nog geboren worden Engelina Mathilda Josephina (Utrecht 01.03.1904), Hendrika Antonia (Utrecht 23.02.1906 – Utrecht 29.12.1998) en Hendrikus Anthonius Maria (Utrecht 06.11.1909). Eerder was geboren een kind in 1897 dat bij de geboorte al overleden was, Henricus  Cornelis Anthonius (Utrecht 11.05.1898 – Utrecht 17.07.1898) die op de leeftijd van 2 maanden overleed, en later gebeurde hetzelfde: Maria Johanna Elisabeth (Utrecht 09.10.1899 – Utrecht 24.06.1900) overleed toen ze 9 maanden oud was. Cornelis is decorateur van beroep, net als zijn vader. Al weer een half jaar later verhuizen ze naar de Zandhofsestraat 123.

Vervolgens komt Leendert Swanenburg (Gouda 05.08.1876 – Amsterdam 31.05.1968) en 2 maanden later zijn vrouw Christina Wilhelmina Van den Berg (Utrecht 13.08.1872 – Breukelen 28.01.1953). Hun zoon Boudewijn Dirk (Utrecht 05.10.1904 – 1980) wordt er geboren. Leendert is onderwijzer, Christina is gymnastiek onderwijzeres. Begin 1905 verhuizen ze naar Trans 6. Later zal nog geboren worden Christina Wilhelmina Maria Margaretha (Utrecht 20.11.1912 – Winterswijk 10.01.1985), die in 1938 zal trouwen met Leendert Dirk Machiel Zwijns, en later met J De Zwaan (10.05.1913 – 13.01.1989). Boudewijn wordt wetenschapper en schrijft een groot aantal boeken over nogal een variabel aantal onderwerpen.

De familie Swanenburg is een oude familie uit Gouda, waar een aantal vermogende voorouders van Leendert tussen zitten. Het begon in 1663 met de stamvader Leendert Janse Swanenburg die scheepsbouwer was, en ook Reinier Swanenburg, langdurig burgemeester aan het eind van de 18e eeuw, was een directe voorouder van Leendert. Het museum in Gouda heeft een hele serie aan prachtige portretten van de familie Swanenburg.

Enkele van de portretten van de familie Swanenburg uit Goude (bron: Museum Gouda)

Daarna trekken in Dirk de Bruin (Groningen 01.07.1877 – Utrecht 08.07.1962) en zijn vrouw Geertruida Alida van den Brul (Hilversum 04.05.1884 – Utrecht 29.07.1968). Hun zoon Dirk (Utrecht 30.12.1905 – Utrecht 13.11.1926) wordt er geboren. Later wordt nog gebeuren Hendrik Wouter Johannes Hiko de Bruin (Amsterdam 30.05.1910 – Bilthoven 21.07.1963), die in 1937  trouwde met Anna (“Annie”) Maria Christina van der Weg (Gennep 23.10.1911 – Zeist 19.05.2008). Dirk sr is commies bij de NS. Ze vertrekken het jaar erna naar Arnhem.

Eind zomer 1907 arriveert de familie Evers: Teunis Arnold Evers (Arnhem 05.06.1864 – Utrecht 23.06.1912). Enkele dagen erna komt Geertruida De Graas (Valburg 09.12.1866- Den Haag 16.04.1945) met haar zoon Maarten Gerrit Theodorus de Graas (Utrecht 14.04.1896). Ze is de huishoudster. Ze was niet gehuwd (bij de aangifte staat bij vader: N.N.), wat toen ongewoon was. Teunis is ambtenaar bij het Spoor, begint er als hij 19 jaar is, en werkt er tot zijn dood als hij 48 is. De NS vermeldt op zijn kaart dat hij uiteindelijk 4 talen spreekt; toen hij ook Frans leerde, kreeg hij een salarisverhoging. Hij is nooit getrouwd geweest en zover bekend had hij geen kinderen. Maarten wordt later chauffeur en trouwt in 1919 met Maartje Glasbergen (Leiden 28.05.1899) en na scheiding in 1931 met Christina Elisabeth van Koert (Den Haag 25.05.1899). Alle bewoners vertrekken voorjaar 1908, Teunis en moeder en kind De Graas naar 2 verschillende adressen.

Vervolgens komt Herman Teijgeler (Utrecht 20.11.1882 – Nijkerk 28.02.1952), met zijn vrouw Cornelia Johanna Mol (Haarlem 30.01.1883 – Amersfoort 23.10.1966) en zoon Herman Cornelis Johan (Utrecht 15.03.1908 – Nijkerk 17.07.1969). Ze hadden eerder een dochtertje verloren, Cornelia (Utrecht 20.02.1907 – Utrecht 01.06.1907), en zouden later nog drie dochters krijgen, Cornelia Johanna Hermanna (Utrecht 29.04.1910), Henriette Wilhelmine Trude (Utrecht 05.09.1912) en Jaqueline Henriette (Doorn 05.06.1918).  Herman sr is aanvankelijk kantoorbediende van beroep maar zal later bankdirecteur worden. Ze blijven een half jaar, en gingen terug naar het adres waar ze eerder vandaan kwamen (Kromme Nieuwe Gracht 82).

Daarna arriveert Hermanus Hendrikus Staal (Maartensdijk 04.09.1875 – Utrecht 14.05.1947), zijn vrouw Cornelia Helena Mets (Weesperkarspel 14.09.1878) en dochter Clasina Helena Staal (Utrecht 22.08.1905). Hermanus is machinist bij Wessels Leerlooierij. Zij vertrekken al weer na 3 maanden! De leerlooierij E Wessels en zoon ligt aan de Tolsteegsingel. Ze hadden ook een leerwinkel aan Oudkerkhof 15/17.

Wessels leerlooierij aan de Tolsteegsingel in 1913, en hun winkel aan het Oudkerkhof in 1925.

De volgende die komt is Susanna Clasina Van Rijn (Den Haag 15.12.1850 – Utrecht 22.12.1927), echtgenote van Heinrich Gerrit Horst (Amsterdam 29.09.1842 – Utrecht 23.12.1927). Hij was winkelier aan de Lijnmarkt (waarschijnlijk aan nummer 21, waar later de Fair Trade shop kwam). Hij had  vier kinderen met zijn eerste vrouw, Hendrika Koppel (die op 31 jarige leeftijd overleed) en samen kregen ze een zoon Gerhard Philip (Amsterdam 12.02.1882 – Utrecht 11.02.1952) die de winkel van zijn vader overnam. Vader zelf vertrok in 1909 naar de Verenigde Staten. Ik denk dat ze niet gescheiden zijn maar hij alleen gedurende langere tijd naar de VS ging. Hij overleed de dag na zijn vrouw.

Daarna komt er gedurende langere tijd de familie Van Dolder wonen. Ze komen in 1908 over vanuit Veenendaal waar de meeste families Van Dolder vandaan komen. Wessel van Dolder (Veenendaal 03.03.1848 – Utrecht 10.12.1926) was getrouwd met Neeltje van E(e)den (Veenendaal 01.09.1849). Wessel was bakker van beroep. Toen Wessel overleed bleef Neeltje er wonen, en vanaf 1940 is hun zoon Adrianus Jacobus (Veenendaal 31.03.1892) de hoofdbewoner. Ze kregen een zoon Dirk die op jonge leeftijd overlijdt (Veenendaal 14.09.1888 – Veenendaal 08.04.1889), een dochter Dirkje was overleden  toen ze 12 jaar was (Veenendaal – Veenendaal 02.08.1888), en noemden een volgende zoon ook Dirk (Veenendaal 22.08.1889 – Veenendaal 25.03.1981). Adrianus Jacob en Dirk zijn beiden slager van beroep, bij Picard aan het Vreeburg die later naar de Oude Gracht 274 verhuisde. Ze kregen een dochter Adriana die vroeg overleed (Veenendaal 03.01.1885 – Veenendaal 06.03.1885) maar noemden een volgende dochter ook Adriana (Veenendaal 19.12.1885 – Veenendaal 08.01.1943). Hun dochter Cornelia trouwt in 1905 met Cornelis van Hardeveld, dochter Magdalena in 1908 met Jan van Schie, Maria in 1898 met Willem van Ham, Dirk met Jeane Therese van Hunnik (27.04.1891 – 09.01.1976), Arnoldus met Gerritje Maters, en Adrianus in 1924 met Teuntje Duijm . Hun dochter Hendrijntje kom in 1923 boven hen wonen op 34bis (zie daar). Ze kregen nog een aantal kinderen die nooit in Utrecht woonden: Arnoldus (Veenendaal 04.05.1878 – Rhenen 24.03.1928), Cornelia Wilhelmina (Veenendaal 05.12.1880 – Rhenen 16.05.1911), Magdalena Everdina (Veenendaal 30.01.1883 – Utrecht 06.06.1947), en Wessel (Veenendaal 07.06.1893 – Veenendaal 28.09.1893).

De familie Van Dolder hield er wel van om advertenties in het Utrechts Nieuwblad te zetten, zoals hieronder blijkt. Maar er waren er nog een flink aantal meer!

Advertenties van 14.05.1924, 23.12.1925 (2 dagen voor Kerst…) en 13.09.1947 vanuit Hugo de Groot 34 in het UN

34Bis

De eerste bewoner op 34bis op 15 mei 1902 is mevrouw Cornelia Maria Wilhelmina Voogt (Maastricht 01.02.1845 – Utrecht 25.12.1916), weduwe van Jan Hendrik Knijff (Den Haag 05.01(22.05?).1826 – Utrecht 19.04.1884). Hij was kapitein bij de infanterie. Ze krijgen vier kinderen waarvan er twee in de Hugo de Grootstraat komen wonen: Jan Hendrik Knijff (Utrecht 11.12.1877 – Taunton [UK] 11.06.1927) en Willem Daniel Knijff (Soerabarta 23.06.1873 – Den Haag 1951). Dochter Wilhelmina Anette Louis is op de leeftijd van 14 maanden overleden (Utrecht 12.07.1880 – Utrecht 30.09.1881), en Maria Elisabeth Hendrina (Utrecht 21.08.1875) is al het huis uit want ze trouwt in 1900 met Johannes Philippus Meessen (Utrecht 08.04.1877). Bij hen woont ook de dienstbode Dientje Van Straaten (Utrecht 09.06.1873).  Jan Hendrik jr is onderwijzer, Willem Daniel is luitenant bij de infanterie, en verhuist een half jaar erna naar de Johan de Wittstraat 6, en trouwt in 1904 met Johanna Catharina Theresia Hari de Meur (Groote Lindt 1881). Jan Hendrik jr verhuist naar Engeland kort erna, en in het voorjaar 1903 gaat moeder naar de Lange Jansstraat 14bis.

De volgende bewoner is de familie Meulman: Bernardus Meulman (Groningen 21.08.1845 – Utrecht 02.06.1907), zijn vrouw Imkeline Albertine Frederika Bakker (Winschoten 25.10.1855) en hun zoon Gerardus Otto Meulman (Groningen 09.02.1882). Ze hadden eerder een zoontje Aldert Fredrik op de leeftijd van 2mnd verloren (Groningen 1883 – Groningen 04.07.1883).Gerardus studeert nog. Bij alle drie staat vermeld dat ze afkomstig zijn uit het Militair Hospitaal. Het lijkt er op dat ze intern daar zaten en een of beide ouders in het ziekenhuis hebben gewerkt. Moeder en zoon verhuizen kort na het overlijden van vader naar Goedereede, maar voor die tijd trouwt Gerardus met Catharina van Welsen (Venlo 04.12.1883) in 1907.

Daarna kom er wonen Theodoor Frederik Emile Andriessen (Utrecht 25.03.1882 – Bennekom 25.06.1951) met zijn vrouw Maria Antonia Louisa Boelaars (Den Bosch 23.10.1885 – ). De familie Andriessen woonde  vele jaren in de Weistraat 11, ook toen Theodoor het huis al uit was, en na 5 jaar kwam er op kamers Maria. Ik schat dat ze elkaar zo hebben leren kennen. Theodoor is op dat moment boekhandelaar bij de firma Diehl & Andriessen, en zal ook daarna ij verschillende boekhandels blijven werken. Begin 1909 verhuizen ze naar Amsterdam. In 1916 zullen ze weer uit elkaar gaan. Beiden zullen daarna hertrouwen maar ook die huwelijken houden niet lang stand.

Vervolgens trekt in Sophia van Lonkhuizen (Breda 01.06.1869 – Bussum 16.03.1950 )met haar zus Alida (Utrecht 19.04.1876). Alida werkt bij de post, net als haar vader had gedaan, en Sophia is naaister van beroep,. In 1920 wordt het plots veranderd in modiste. Tja. Bijzonder is dat Sophia in 1915 trouwt met de banketbakker Gerrit van der Molen (Nieuwe Niedorp 28.10.1865 – Soest 28.03.1944) maar ze toch zelf als hoofdbewoner genoemd blijft worden. Dat gebeurde in de sterk op de man gerichte maatschappij bijna nooit. Misschien was de reden dat Gerrit in dienst was bij de bakkerij van de broers Klokke op Steenweg 25, en hij telkens boven de bakkerij woonde.

Steenweg 25 in 2006 met schoenwinkel Cinderella waar tussen 1910 en 1925 bakkerij Klokke zat (was ervoor gevestigd aan Westerkade 33)

Rond 1920 woont er enige tijd H de Bree die boekhouder is. Omdat er zeer veel mensen met deze achternaam in Utrecht woonden is niet met zekerheid te bepalen wie dit is geweest. Ik vond wel dat iemand met deze achternaam en die boekhouder was bij de firma Linschoten, verdacht werd van verduistering in 1924, en wellicht is dat een reden geweest om weer snel te verhuizen. Het is de enige H de Bree met als beroep boekhouder in het Utrechts archief.

In 1923 komt de familie Den Dolder ook in het bovenhuis wonen (de anderen wonen in het benedenhuis). Hendrijntje van Dolder (Veenendaal 19.05.1870 – Utrecht 08.07.1952) was in 1894 getrouwd met Cornelis Klomp (Ede 16.06.1865 – Ede 16.10.1905) die graanhandelaar van beroep was.  Ze kregen veel kinderen: Wessel (Veenendaal 25.08.1896), groentehandelaar, die zou trouwen met W de Kruif), Neeltje (Veenendaal 1901 – Utrecht 21.08.1940), die in 1925 zou trouwen met Willem Hendricus Kisjes (Utrecht 16.02.1895), Gerharda (Veenendaal 30.04.1898), Maria Gerharda (Veenendaal 21.05.1895) die in 1916 trouwt met Petrus Voorthuizen (? – Utrecht 14.01.1940), Brandina Cornelia (Veenendaal 08.01.1902 – Utrecht 21.08.1940) en dochter Dirkje die jong overlijdt (Veenendaal 01.10.1905 – Utrecht 06.10.1934). Hendrijntje is de dochter van Wessel Den Dolder en Neeltje van E(e)den, en zal tot haar overlijden in 1952 op 34 bis blijven wonen).

Rond 1950 woonde er Johannes Adrianus Kalkman (Haarlem 06.05.1923 – Soest 27.03.2011) en Metje Maasland (Vianen 11.03.1925 – datum nog niet vrijgegeven). Ze kregen een dochter Ernestine (Utrecht 09.05.1955) en een dochtertje Theodora Christina ( (Utrecht 1954 – Utrecht 27.12.1954) die 4 maanden oud werd. Vader was administratief medewerker.

Nummer 34 is ook nu een woonhuis.

Hugo de Grootstraat 36

De huizen Hugo de Grootstraat 30-34 werden tegelijk gebouwd. Maar de huizen en hun bewoners verderop in de straat zijn niet makkelijk te bepalen, vanwege herhaaldelijke veranderingen van nummeringen, het feit dat de nummers soms de oude Maliesingel en soms de nieuwe Maliesingel nummers waren, de huizen aan het Rozenhofje soms apart genoemd werden maar soms bij de Maliesingel getrokken werden, maar ook wel bij de Hugo de Groot en de Johan van Oldenbarnevelt laan. Maar ik denk dat ik er uiteindelijk wel uitgekomen ben.

We weten dat de grond waar nummer 36, 36bis, en 36a, plus Boon & Teeuwen en de huizen erboven nu staan, aanvankelijk was van Ernst Rijnfrank (Utrecht 27.09.1829 – Utrecht 17.11.1896) en zijn vrouw Judith van de Kolk  (Opheusden 25.11.1837 – Utrecht 02.09.1919). Ernst was eerder gehuwd geweest met Elsje Bos (Utrecht 31.12.1825 – Utrecht 04.10.1870). Ze kregen samen 14 kinderen:  Catharina Hendrika (Utrecht 13.10.1850 – Utrecht 24.04.1923), Ernst (Utrecht 19.089.1852 – Breda 05.08.1906), Tijmen (Utrecht 27.08.1854 – Utrecht 20.02.1927), Hendrika Jacoba (Utrecht 10.01.1858 – Utrecht 11.03.1858), Gerrit Frans (Utrecht 09.06.1859 – Utrecht 11.12.1914), Elsje Geertruida (Utrecht 30.03.1862 – Utrecht 17.12.1870), Frans Jozef (Utrecht 13.08.1964 – Utrecht 20.04.1868), Frans Jozef (Utrecht 24.08.1852 – 12.09.1886), een doodgeboren kind (Utrecht 24.09.1870), Hendrik Frans (Utrecht 17.02.1873 – Utrecht 20.04.1888), Cornelis (Utrecht 11.08.1877 – Utrecht 13.02.1878), Geertruida Hendrika (Utrecht 03.06.1874 – Utrecht 26.01.1956),  Hendrika Cornelia (Utrecht 11.06.1879 – Utrecht 26.05.1960), en Frans Jozef (Utrecht 19.11.1881 – Utrecht 12.09.1886). Ze hadden op kamers (!) Dirkje Dwars (Utrecht 17.02.1816 – Utrecht 29.05.91). Enige tijd nadat zij was overleden kwam er nog iemand op kamers wonen, Philippina Frederica van Vlissingen (Utrecht 14.07.1820 – Utrecht 05.02.1897), en tussendoor woonde hun nichtje Dirkje de Hoog (Opheusden 23.02.1865 – Kesteren 16.04.1922) er ook nog. Daarna kwamen op kamers Frederik Wilhelmus Pistoor (Fijnaart 03.09.1873 – Doorn 07.12.1936) die bij de gasfabriek werkte, en daarna Johannes Gijsbertus Wermeskerken (Tiel 10.10.1869 – Blaricum 05.02.1957) die daar ook werkte, als klerk.

Ernst probeerde al vroeg wat meer te bouwen op zijn grond, toen het Maliebaanstation er lag. Zijn eerste voorstel, in 1882 voor een serie huizen, werd afgewezen.

Afgewezen voorstel uit 1882 van Ernst Rijnfrank voor het bouwen van een serie woningen op de plaats waar nu Hugo de Groot 36 ligt. De indeling van het stationsplein was toen nog niet bekend.

Hij deed nog een aantal voorstellen maar ook die werden afgewezen. Toen stelde hij in 1894 voor om er één groter huis voor hemzelf te zetten. Ook dat werd afgewezen.

Afgewezen voorstel uit 1894 van Ernst Rijnfrank voor het bouwen van een enkel groot huis voor hemzelf op de plaats waar nu Hugo de Groot 36 ligt.

Maar hij gaf niet op, en stelde toen voor om een huis te bouwen naast dat van hem, achter Johan de Witt 6 en (deels) 8 en achter Maliesingel 40 en 41. Dat werd goedgekeurd en gebouwd.

Goedgekeurd plan uit 1894 voor een huis op de parkeerplaats achter de Maliesingel, Johan de Wittstraat en Hugo de Grootstraat. Het huisje zou rond 1944 weer afgebroken worden.

Meestal wordt het huis van Rijnfrank zelf aangegeven als Maliesingel 26h en i en het nieuw gebouwde huisje als Maliesingel 26j, maar later werden ook Maliesingel 40 en 41 voor gebruikt maar ook wel Hugo de Grootstraat 40 en 41.

In 1905 stonden Hugo de Groot 30-34 er al, en werd het plan ingediend om Maliesingel nummer 46 te bouwen (dat werd toen nog aangegeven als Johan van Oldenbarneveltlaan 11, en later eerst genummerd als 48). Toen dat werd goedgekeurd, was in feite duidelijk dat het Rozenhofje moest verdwijnen: voor die tijd werd het telkens ingetekend als een volwaardige straat met een breedte van 10 meter, en nu werd het 5 meter, om uiteindelijk 3 meter te worden.

Links de situatie in 1905, met gearceerd het voorstel voor de Hugo de Groot 46 dat werd goedgekeurd. Het bouwen van de werkruimte erachter werd kort erna aangevraagd.

Iets erna werd het plan ingediend voor de bouw van de  ‘stallen en koetshuis’ . De tekeningen voor 36 en 36bis zijn niet vrijgegeven, waarschijnlijk omdat er later nog veranderingen in werden aangebracht.

Bouwtekening van Hugo de Groot 36 (waar nu Boon & Teeuwen in zit) en een situatieschets met alle huisjes van het Rozenhofje erop aangegeven.

Het heeft wel even tijd gekost voor men dit uiteindelijk uitvoerde. De bouw ervan werd aanbesteed. Aardig is te zien wat de verschillende bouwers dachten dat het hen zou kosten:

Bekendmaking van de aanbestedingen voor de bouw van Hugo de Groot 36 (Utrechts Nieuwsblad 22 augustus 1922).

Voor Hugo de Grootstraat 36  is niet duidelijk wie de eerste bewoners zijn geweest. De eerste keer dat iemand met zekerheid genoemd wordt als ‘bewoner’, is op 1 januari 1923 de firma Joseph Rieber, waarbij het om de vertegenwoordiging gaat van deze Duitse porseleinfabriek in Nederland. De beheerder hiervan was Clemens Joseph Brenneker (Nieukerk [Duitsland] 28.11.1877). Hij was getrouwd met Louisa Maria Johanna Hendrix (Venlo 31.08.1880 – Utrecht 09.08.1929), ze hadden een dochter Maria (Venlo 27.05.1908) die in 1938 zou trouwen met Joseph Hendrik Smits (Nijmegen 1930). Clemens woonde aanvankelijk in De Bilt maar staat in 1926 wel op nummer 36 ingeschreven, samen met de ’koopman’ H Schug die in 1923 vanuit Tsjechoslowakije naar Utrecht komt, er kort verblijft en naar de Nassaustraat 25 vertrekt. Clemens staat dan ingeschreven als ‘agenturen, import, engros, export’. Veel vager kan niet…. Maar de porseleinfabriek is wel een bekende, in de typische Bavaria stijl.

Rieber porselein.

Daarna vestigt zich de etuifabriek van Danner. Maurits Eduard Danner (Utrecht 10.06.1884 – Zeist 23.05.1962) die eerder woonde op nummer 16. Zijn geschiedenis, en die van zijn vrouw Jacoba La Riviere en dochter Elisabeth staat daar beschreven. Een andere familie met de achternaam woonde op nummer 22, en ik vermoed dat ze ook echt verwant waren. De etuifabriek vraagt via advertenties geregeld om personeel, waaronder wel erg jonge meisjes, want in die tijd wel gewoon was.

Een van de (vele) advertenties van Danner’s etuifabriek in het Utrechts Nieuwsblad (deze is uit 1928).

36Bis

Ook de eerste bewoner op 36bis is niet goed bekend. In 1925 wordt genoemd dat Hedrijntje Klomp, weduwe van Cornelis van Dolder er woont. Het kan kort het geval zijn, maar het kan ook zijn dat het een verschrijving is want daarna woont ze vele jaren op 34bis. Zij wordt daar in meer detail beschreven. Dan woont er kort mevrouw G Visser maar er is geen ander gegeven  van haar bekend en met deze achternaam is niet na te gaan wie ze precies was.

In 1928 komt Levina Geertje Koonings (Mijdrecht 29.03.1875 – Utrecht 05.04.1940) er wonen. Ze betaalt 480 gulden huur per jaar. Zij is de weduwe van Sjoerd (van) Ketel (Nijland 19.07.1876 – Utrecht 26.08.1928).  Ze hebben een dochter Johanna Adriana (Dordrecht 20.03.1903) die in 1927 trouwt met Bouwe Smidt (Tietjerksteradeel 24.07.1899), een dochter Minke (Dordrecht 24.02.1914) die in 1941 trouwt met Jacobus Willem Stam (Utrecht 15.06.1915 – Amsterdam 29.01.1974), een dochter Mathilde (“Hiltje”( (Dordrecht 09.02.1905 – Maartensdijk 07.04.1983) die trouwt met Mattheus Leendert Pleune (13.11.1897 – Maartensdijk 06.03.1985), een dochter Dingena (Dordrecht 10.01.1912 – Amsterdam 09.11.1974) die in 1942 trouwt met Bertus Willem Middelkoop (Culemborg 1904), een zoon Teunis Willem (Dordrecht 24.10.1909 – Weesp 26.09.1987) die wiskundeleraar zal worden en zal trouwen met Walburg Martha Kasbergen (Gouderak 30.09.1913 – Weesp 10.01.2001), en een zoon Bauke (Dordrecht 08.12.1907 – Baarn 05.11.1987) die in 1938 trouwt met Wilhelmina Adriana van Someren (Woerden 30.09.1911 – Baarn 20.02.2003). Sjoerd begon zijn carrière als schippersknecht maar werd later chef van een filiaal van Lips brandkasten en sloten. Er staat een prachtig filmpje over de historie van Lips Brandkasten op YouTube.

Lips brandkast, waarschijnlijk rond 1925.

In 1932 wordt genoemd dat Gerard Roelands (Tiel 18.05.1877 – Soest 19.04.1963) er woont. Hij was getrouwd met Maartje Boll (Den Helder 20.12.1882 – Soest 14.07.1963), ze hadden een dochter Mathilda Maria (Den Haag 1913) die in 1939 huwde met Klaas Klimmert (Weesp 10.01.1911). Hij is de directeur van de begrafenis vereniging “Utrecht” die voorheen in de Twijnstraat 35 zat, daarna in de Domstraat 7bis. Ze kwamen in April 1932 naar de Hugo de Grootstraat, hadden hun onderneming in de stallen en hun kantoor in 36bis, hoewel soms ook 36 daarvoor aangegeven wordt. Ze vertrekken uiteindelijk naar de Griftstraat 106 en de Poortstraat 3 (waar hun aula is). Gerard blijft tenminste  tot 1940 op 36bis wonen. Een bijzonderheid is dat hij voorheen de secretaris was van de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Scherpschutters.

Gegevens over de begrafenisvereniging “Utrecht” (bron De Standaard Januari 1936)

36a

Ik moet onzeker blijven wie de eerste bewoner is van 36a. In 1925 wordt in ieder geval genoemd Jan Johannes Hendrikus Van Slooten (Amersfoort 11.02.1864 – Amersfoort 12.12.1942), die ambtenaar is bij Rijkswaterstaat. Hij is getrouwd met Johanna Wilhelmina Van Dijke (Zierikzee 31.05.1878 – <1942). Ze woonden ook op Hugo de Groot 2 en worden daar beschreven. Hun huurprijs was 700 gulden per jaar.

In 1931 wordt als bewoner genoemd Cent van Stigt (Puttershoek 10.09.1879 – Utrecht 14.05.1959), maar tegelijkertijd ook de familie Danner; wellicht dat zij ruimtes deelden. Hij was eerst getrouwd, in 1903, met Geertje Vroegindeweij (Sommelsdijk 05.02.1880) en later, na hun scheiding in 1920, met Wilhelmina van Rooijen (24.09.1879 – Utrecht 05.03.1956).  Hij was agent voor levensverzekeringen van beroep. De naam Cent is, net als de naam Vincent, afkomstig van het latijnse woord ‘vincere’ wat overwinnen betekent. De naam komt vooral voor in Zuid Holland en de Zeeuwse eilanden. Cent betaalt aan huur 480 gulden per jaar.

36b-d / 38-44

Met de nummers 36 b-d / 38-44 wil ik aangeven de stallen zoals die in 1907 zijn gebouwd, de werkplaats die er later onder ontstond, en alle bewoners die daar boven woonden. In het verleden werd dit ook wel aangeduid als Maliesingel 26i. De eerste die ingeschreven word als wonende boven de stallen  is op 20 December 1907 Johannes van den Berg (Haarlem 24.03.1873 – Utrecht 28.11.1918), zijn vrouw Johanna Cornelia Christina Weers (Haarlem 15.05.1874 – Den Haag 07.01.1958), dochter Anna Maria van den Berg (Haarlem 06.01.1899 – Jutphaas 24.03.1943), Johannes (Haarlem 13.01.1901), en Cornelis Hendrik (Haarlem 02.08.1902). De broer van vader, Dirk (Haarlem 29.05.1876) en de moeder van vader, weduwe Anna Maria Meijer (Groningen 12.06.1834 – Utrecht 26.01.1914) het jaar erna bij hen wonen. Haar man was Bruin Van den Berg geweest. Vader was koetsier, Dirk was palfrenier, dwz koetsbediende .

Een palfenier zit op een paard en een ander staat er naast bij een bezoek van de Franse president aan koningin Wilhelmina aan Den Haag in 1911.

Toen Johannes sr in 1918 overleed bleef Johanna er wonen tot ongeveer 1925.

 Op 10 maart 1908 wordt ook de familie Van Barneveld ingeschreven. Gijsbert van Barneveld (Utrecht 10.12.1878 – Zeist 15.05.1940), zijn vrouw Teuntje den Uijl (Oudenrijn 04.06.1882 – Utrecht 22.01.1925) en dochters Jannetje (Maartensdijk 13.08.1905 – Bilthoven 05.08.1986) en Marrigje (Maartensdijk 15.06.1907) kwamen er wonen. Later werd nog geboren Gijsbert Rutger (Utrecht 24.07.1913). Gijsbert was timmerman bij van Dijk. In 1912 kwam nog bij hen wonen als pleegkind Johannes Hendricus van Steenwijk (Utrecht 05.01.1912). De familie woont er lange tijd, tenminste van 1908 tot 1920. Of hij daadwerkelijk boven de stallen woonde of toch in een van de huisjes van het Rozenhofje blijft onzeker, maar zijn woning wordt bij herhaling aangeduid als nummer 42, dus ik ga er van uit dat ook hij er boven woonde.

Tot slot wordt nog genoemd in het toegankelijk register dat in 1940 er woont mevrouw Maria Josephina Seijer (Deventer 27.03.1860 – Utrecht 22.12.1942), weduwe van Paulus van Oijen (Rotterdam 10.06.1843 – Utrecht 23.05.1927), en haar zoon Paulus (Utrecht 04.05.1902). Ze hadden eerst een zoon met dezelfde voornaam verloren (Utrecht 13.12.1898 – Utrecht 30.12.1898). Paulus jr trouwde in 1934 met Johanna Cornelia Ummels (Utrecht 03.12.1904 – Utrecht 21.02.1993).

Begin jaren 50 vestigt zich nog ergens in het gebouw de Hollands – Hongaarse handschoenenindustrie van L Gulassa. Wellicht is dat een van de redenen waarom er tweede helft van de jaren 50, na de Hongaarse opstand, een aantal Hongaarse vluchtelingen boven de stallen worden opgevangen.

De gegevens over het bouwbedrijf Boon &Teeuwen, wat er nu nog zit, en de verbouwing van alle ruimtes erboven tot volwaardige woonhuizen, zijn nog niet openbaar gemaakt door het Utrechts Archief.

Hugo de Grootstraat 46

De bouw van de huizen in dit deel van de straat wordt beschreven onder nummer 36. Hier worden alleen de bewoners beschreven van wat we nu kennen als Hugo de Groot 46. Eerder werd het aangegeven als nummer 48, en daarvoor als Johan van Oldenbarnevelt laan 11. Ik kan niet nalaten hier een vergroting van de bouwtekening te laten zien, want die is zo mooi!

De bouwtekening uit 1905. Iemand heeft zich hier echt uitgeleefd!

Er staan twee foto’s van het huis in het Utrechts Archief die ik u niet wil onthouden:

Links een foto uit 1962, rechts uit 1981 van Hugo de Groot 46 (bron: Utrechts Archief).

Achter het woonhuis werd een werkruimte gebouwd. Daar zijn een aantal bouwtekeningen voor ingeleverd; hierbij een uit September 1905.

Bouwtekening uit 1905 van de werkruimte achter Hugo de Groot 46.

De eerst ingeschrevene, op 20 December 1907, was  Abel Martinus Roosenstein (Scheemda 30.11.1874 – Den Haag 30.04.1957), zijn vrouw Elise van der Steen (Nijmegen 19.08.1874 – Den Haag 15.10.1949) en dochter Elise (Utrecht 18.08.1904). Later werd geboren Albertine Johanna (Utrecht 30.12.1915 – Den Haag 13.02.1969). Abel was klerk bij het Spoor.

Rond 1915 woont er Hendrik Jacob de Rooij (Utrecht 29.09.1855 – Utrecht 29.01.1920) met  echtgenote Anne Marie Francoise Caijaux  (Roermond 04.05.1856 – Utrecht 16.01.1939).  Hun kinderen zijn Dirk Maximiliaan Matthias (Utrecht 18.09.1888 – Breda 01.08.1968)  en Maximiliaan (Utrecht 16.08.1891), en hebben waarschijnlijk ook daar gewoond. Het beroep van Hendrik wordt aangegeven als koopman, dat van Maxiliaan als elektrotechnisch ingenieur. Ze wonen er tenminste tot na het overlijden van Hendrik, maar niet langer dan ongeveer 1925.

In dat jaar werd ingeschreven Gerardus Albertus Theodorus Kraan jr (Utrecht 21.10.1896 – Gorcum 19.04.1976), die zoon was van Gerardus Albertus Johannes Kraan sr (Utrecht 03.05.1861 – Utrecht 09.03.1927). Gerardus sr was loodgieter, Gerardus jr was aannemer. Hij trouwde in 1921 met Wilhelmina Helena van der Wurff (Utrecht 19.02.1877 – Montfoort 01.03.1944). Zover bekend kregen ze geen kinderen.  Gerardus hertrouwde later met Sybilla Korbmacher (14.08.1909 – Gorcum 17.05.1961). In 1927 meldt zich de instrumentenfabriek Van Doorn, van Anthonius Marinus van Doorn (Utrecht 01.03.1894 – Utrecht 25.12.1934). Wat voor instrumenten er precies gemaakt worden weet ik niet, maar ingewikkeld kunnen ze niet zijn geweest gezien de kwalificaties voor het personeel die in advertenties genoemd werden…

Advertentie van Van Doorne Instrumentenfabriek in Utrechts Nieuwsblad 15 juni 1929.

De fabriek werd in 1932 weer opgeheven. Eerst werd een paar maanden later er een autorijschool gestart door Anthonius. Maar eind 1933 werd de instrumentenfabriek weer herstart, nu als  Ruytenbeek’s instrumentenfabriek (J Ruytenbeek was de eigenaar). De rijschool van Anthonie was in 1935 inmiddels een automobielbedrijf geworden (“een sedan de luxe, met prima motor, voor 250 gulden” of: ”De Soto Sedan, uitstekende wagen voor 150 gulden”). Anthonius overlijdt eind 1934. Zijn weduwe, Geertruida Charlotta Klijn (Zeist 20.01.1891) huwt in 1937 met Willem Nicolaas Van Dranen ( – De Bilt 19.10.1959). Ik weet niet hoe lang ze er daarna blijven wonen. Hun dochter Tonnie Maria (Zeist 01.01.1923 – Den Haag 26.07.2000) zou trouwen met Herman Gustav Otto Kettlitz (Utrecht 22.03.1916). Begin jaren 40 was er de firma ARCO als ‘handelsonderneming’ gevestigd. Of dat de voortzetting is van de instrumentenfabriek is onbekend. De garage eronder bestaat nog steeds in 1954:  de eigenaar van de garage steekt dan lappen in brand om zijn bovenburen het huis uit te krijgen; alleen door geluk wordt een grote brand voorkomen.

Hugo de Grootstraat 48

De bouw van de huizen in dit deel van de straat wordt beschreven onder nummer 36 maar van nummer 48 staat dit onder Johan van Oldenbarnevelt laan. Hier worden alleen de bewoners beschreven van wat we nu kennen als Hugo de Groot 48 maar eerder in archieven Johan van Oldenbarneveltlaan 9 en daarna ook Hugo de Grootstraat 50 wordt genoemd.

Degene die op 15 maart 1906 als eerst ingeschrevene Arend Jan Nijland (Delden 20.06.1826 – Utrecht 01.01.1916). Hij was weduwnaar van Helena Cornelia Julius (Utrecht 19.01.1929 – Utrecht 23.07.1860) die in het kraambed van haar tweede kind stierf, en daarna van Theodora Johanna Arnoldina Niermeijer (Wageningen 15.07.1837 – Utrecht 31.03.1873). Hij was een gepensioneerd schoolopziener voor het district Utrecht. Hij woonde er met zijn zus Berendina Johanna Nijland (Delden 25.05.1828 – Utrecht 29.02.1908), die weduwe van Willem Alettus van Diest (Buren 04.03.1818 – Warnsveld 11.08.1862), zijn nicht Cornelia Wilhelmina van Diest (Utrecht 17.11.1861 – Den Haag 20.11.1936), dienstbode Hendrika Trouw (Asperen 12.12.1881), en zijn zoon Antonie Nijland (Utrecht 25.08.1886 – Kansas City 26.01.1913). Cornelia zou later gaan samenwonen met Clasina Cokart (Rotterdam 02.12.1865 – Zeist 08.02.1952) en was openlijk lesbisch wat in die tijd erg ongewoon was. Hun dochter Cornelia Catharina (Utrecht 31.03.1870 – Amersfoort 12.04.1963) was het huis uit na haar huwelijk in 1893 met Hendrik Willem Schreuder, en hun zoon Albertus Antonie (Utrecht 30.10.1868 –  Utrecht 18.08.1936) vanwege het huwelijk in 1904 met Maria Margaretha Johanna Moll. Hun zonen Johannes Bernardus (Utrecht 19.04.1867 – Utrecht 16.06.1867) en Antonie Willem (Utrecht 16.07.1860 – Utrecht 13.03.1868) waren als kind overleden, en hun eerste kind kwam levenloos ter wereld op 16.07.1860. De hele familie had ervoor gewoond op Maliesingel 58, en na overlijden van zijn zuster trok vader in bij zijn zoon Albertus Antonie op Sonnenborgh.

Albertus Antonie was sterrenkundige, promoveerde twee maal, werd in 1898 hoogleraar Astronomie, werd observator van Sonnenborgh (zijn oratie had als titel: “Het recht van bestaan der kleine sterrewachten”) en fungeerde ook enige tijd als rector van de Rijksuniversiteit Utrecht. Er is een krater op de maan naar hem vernoemd.

Albertus Antonie Nijland als jong hoogleraar, als rector en Sonnenborgh waar hij observator was.

Rond 1910 kwam Jan Jurriaan Lambeek (Amsterdam 11.06.1876 – Hilversum 17.09.1958), zijn vrouw Adriana Louise Keers (Amersfoort 08.03.1884 – Hilversum 20.06.1956) en hun kinderen Johannes Balthasar (Utrecht 06.10.1902 – Rotterdam 08.02.1960), Johanna Christina Amalia (Utrecht 26.12.1903), en Adriaan Jan Jurriaan (Utrecht 23.01.1907 – Hilversum 20.10.1986). Jurriaan is bouwkundige. In voorjaar 1911 verhuizen ze naar Mauritsstraat 72, waar nog hun zoon Hendrik Jacob Lambertus (Utrecht 18.10.1912 – Java 13.06.1943) geboren wordt, die als militair in Java tijdens WOII zal overlijden.

Na hen komt Maria van den Bosch (Goes 11.08.1832 – ), weduwe van dr Aalbert van den Flier (Nijkerk 12.07.1832 – 11.09.1902)  met haar dochter Cornelia Jacoba van der Flier (Harlingen 30.08.1881 – Utrecht 09.08.1933). Cornelia is lerares Duits, eerst MO, later voor de HBS. Ze blijft er tot aan haar overlijden wonen.

Daarna komt er de familie Strunk wonen. Mevrouw Frederika Berendina Hermina Schrijver (Diepenveen 1851 – Utrecht 04.02.1944), weduwe van Johannes Strunk (Olst 1841(2) – Groningen 24.03.1907). Johannes was stoom-koorn molenaar geweest. De familie blijft er ook wonen na overlijden van Frederika, in ieder geval tot 1964 wanneer haar dochter Gerritdina Johanna Strunk (Brummen 15.01.1877- Bilthoven 30.11.1964) overlijdt.  Ook zoon Antonie Roelof Strunk (Brummen 12.03.1885 – >1962) woont er dan nog. Hun andere kinderen zijn Johannes Hermanus Strunk (Brummmen  01.11.1873 – ), die werktuigkundig ingenieur is, Frederik Derk Strunk (Brummen 06.05.1875 – Zeist 04.01.1951), Gerardus (Brummen 29.03.1880 – Bilthoven 05.10.1960) en Herman (Brummen 08.11.1878 – Utrecht 30.03.1939). Een van hen is wellicht gymnastiekleraar geweest gezien een advertentie:

Advertentie in Utrechts Nieuwsblad van 30 augustus 1934.

De Misdaad in Hugo de Grootstraat

Er zijn niet veel dingen gebeurd in de Hugo de Groot straat waar de politie iets mee te maken had. Behalve een: fietsdiefstallen. De hoeveelheid gestolen fietsen uit de straat die in het Utrechts Nieuwsblad vermeld worden is ongehoord groot.

Een paar van de vele berichten in het Utrechts Nieuwsblad over fietsdiefstallen in de Hugo de Grootstr.

Soms ging het om ernstiger misdaden zoals het stelen van een kinderjack en poppenwagen uit de straat:

Gooien en schieten en diefstal in berichten in het UN over de Hugo de Grootstraat

Er was ook wel geweld. Soms geweld van anderen, een enkele keer ‘geweld’ van de politie:

‘Geweld’ in de straat in het UN.

Maar één keer was er echt iets bijzonders aan de hand. Het laatste stuk werd in 1951 gepubliceerd. Ik kan niet met zekerheid vaststellen op welk nummer de familie woonde.

Wees voorzichtg als je vrouw gaat bevallen (UN 28 augustus 1951)

Johan de Wittstraat

Johan de Wittstraat 1

Het bouwplan van het huis Johan de Wittstraat 1 werd ingediend tegelijk met het bouwplan voor dat van Hugo de Groot 1 en 2, en aan de buitenkant zijn ze inderdaad hetzelfde, behalve dan de dakkapellen. Of de huizen uiteindelijk in hun uitvoering binnenin alle drie hetzelfde zijn geworden weet  ik niet, wellicht dat in de loop van de tijd nog wel wat veranderingen aan zijn aangebracht:

Bouwplan Johan de Wittstraat 1 en Hugo de Grootstraat 1 en 2
Bouwplan Johan de Wittstraat 1 en Hugo de Grootstraat 1 en 2

Op 12 mei 1903 werd als eerste bewoner van Johan de Wittstraat 1 ingeschreven Adrianus van Veen, geb. 09.10.1862 samen met Jacoba Aletta Kukuffsky, geb. 16.04.1854, beiden ook van oorsprong Utrechtenaren (Kukuffsky lijkt een Poolse naam maar tot nu toe vond ik de naam alleen in Nederland, vooral Utrecht en daarvoor West Brabant). Ze waren niet lang ervoor, op 28 februari 1901, getrouwd, en kwamen vanuit Achter St. Pieter 13. Hij was boekhouder, van haar wordt geen beroep genoemd. Ze hadden geen kinderen. Na 2 jaar verhuisden ze naar de Voorstraat 21 maar kwamen 2 jaar later weer terug, nu naar nummer 7 (zie daar). Hij overleed in 1921, zij in 1937. Overigens, zoals in die tijd veel gebeurde, was zijn zus, Geertruida, getrouwd met haar broer, Johan.

De familie Floberg kwam er daarna wonen, met 2 kinderen, en ook zij gingen al na 3 jaar weer naar de Oudwijkerlaan 15. Daarna woonde er kort de familie Tadema, en daarna gedurende langere tijd de familie Van Rijn (moeder heette Adriana van Laarhoven), met toen 6 kinderen (het werden er 9; drie overleden in hun eerste jaar). Twee jongens zijn zeer waarschijnlijk langdurig ziek geweest want ze verhuisden als kind tussentijds voor 1 of 2 jaar naar Grave waar toen ook al een instituut (Sint Henricus, van de fraters van Tilburg) was voor slechtzienden, en er was ook een verpleegkundige, Carolina van der Kellen, die bij het gezin inwoonde. Beide zonen zijn later wel getrouwd, maar beiden kregen geen kinderen. Ik heb niet kunnen vinden wat ze hadden.

Schoolklas van Sint Henricus in Tilburg voor slechtszienden
Schoolklas van Sint Henricus in Tilburg voor slechtzienden

Het huis is zover bekend altijd woonhuis geweest. Sinds 1967 woont er de familie Gieling, waarschijnlijk de familie die het langst in ons buurtje woont.

1Bis

Ook op 1 bis woonden er natuurlijk mensen. De eerst ingeschrevene, op 4 juli 1902, zijn Evert Opperhuizen geb. 30.06.1856 en Maria Braat geb. 27.07.1854. Hij was ambtenaar bij de belastingdienst en werd deurwaarder, zij was molenaarsdochter maar ik vond van haar zelf geen beroep. Ze waren in 1881 getrouwd en hadden geen kinderen. Ze woonden ervoor aan het Lucas Bolwerk 22, en gingen daarna wonen aan de Mariaplaats 10bis. Maar ze waren niet de enigen: een paar maanden nadat zij er gingen wonen kwam ook Helena Geldman geb. 25.05.1884, er wonen (ze was dienstbode), en enkele weken erna Pieter Corver geb. 24.02.1850 (gepensioneerde). Die laatste woonde er maar 10 dagen! Hij is kapitein geweest bij de KNIL. Zijn vrouw, Barbera Kersemackers, heeft nooit bij hem gewoond, waarschijnlijk omdat zij verbleef in Indonesië waar ze uiteindelijk ook is overleden. Hij is verhuisd naar het krankzinnigengesticht Meer en Berg (in Bloemendaal; wat later Santpoort werd genoemd) waar hij 4 jaar later overleed. Hij heeft wellicht dementie gehad: mensen met dementie werden in die tijd opgenomen in een krankzinnigengesticht. In zijn plaats kwam er de van oorsprong Duitse student Karl Emrich geb. 24.03.1980 er wonen die na een jaar weer naar de Brouwerstraat 69 verhuisde. En toen Helena Geldman wegging kwam Petronella Meeuwsen geb. 08.11.1883 er wonen; ook zij was dienstbode, die na een jaar weer naar de Choorstraat 16 verhuisde. In feite woonden er dus al die tijd telkens 4 mensen, ondanks al dat verhuizen.

Daarna heeft de hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad, Herman Kernkamp, met zijn vrouw Christina Colenbrander er gewoond. Ze kregen daar hun zoon Johannes. Hun dienstbode was Margaretha Vermeulen, en ook de zus van mevrouw, Cornelia Colenbrander, trok bij hen in.  Behalve de zus verhuisde iedereen daarna naar de Corn. Evertsenstr 15.

In oktober 1905 kwam de familie Henri Linskens en Catharina Linskens-Fuhrmann er wonen, direct na hun trouwen, met hun dochter Maria. Later werden hun zonen Carel en Henri en dochter Dorothea er geboren. Het lijkt er op dat ze niet zo gelukkig ware met hun dienstbodes, want ik vond er 8 ingeschreven op hun adres in een periode van 3 jaar, die elkaar telkens precies aflosten. Hij was handelsreiziger van beroep, van haar vond ik geen beroep.

Daarna heeft mevrouw Angenieta Heineke – De Kruijff (09.09.1856, Maartensdijk), weduwe van Daniel Heineke sinds 1912, er lang gewoond, tot ze op 29.06.1929 overleed.

Ook nu is JdW 1 een woonhuis met verschillende bewoners.

Johan de Wittstraat 2

De huizen Johan de Wittstraat 2 en 4 werden te gelijk gebouwd in 1901, op verzoek van de eerste bewoner van nummer 2, de familie Van Osnabrugge:

Bouwtekening van Johan de Wittstraat 2 en 4 uit 1901

Jan van Osnabrugge (Tull en ‘t Waal 02.05.1864 – Zeist 07.08.1931) betrok het pand op 30 mei 1902, samen met zijn vrouw Marina Gijsberta Radix (Utrecht 02.07.1869 – Utrecht 24.13.1913) en hun 4 kinderen Gerrit (17.06.1893), Anthonie (03.06.1895), Jacomina (05.09.1897), Gerritje (01.09.1899) en Jan (31.03.1902) en hun dienstbode Dirkje Breemer (Amersfoort 12.07.1885). Later werden er nog meer kinderen geboren Catharina (27.11.1903), Gerdina (02.04.1907) en Anthonia (03.11.1908 – 15.01.1909); ze kregen in 1905 en 1911 ook nog twee doodgeboren zoontjes. In de burgerlijke stand staat Jan vermeld als metselaar, in het telefoonboek als bouwkundige. Tja. Zijn oudste zoon wordt genoemd als timmerman. Ze kwamen van de Weerdsingel OZ 80. Marina overleed jong, de anderen zijn er blijven wonen tot tenminste 1925, of verlieten het huis eerder omdat ze trouwden. Jan kreeg daarna een relatie met Neeltje den Hartog (Groot Ammers ?.?.1874). Heel even heeft in het begin boven hen Evert Opperhuizen gewoond, die het jaar erna (in 1903) naar nummer 1bis verhuisde (zie daar).

Rond 1930 is er de familie Hol komen wonen, waarvan de twee generaties er zijn blijven wonen tot eind jaren 90 of begin 2000. De eerste generatie was Hendrik Hol (Houten 24.06.1881 [vlg andere bron 30.11.1881] – Utrecht 24.06.1950) en zijn vrouw Johanna (“Joke”) Van Haren (Leersum 21.12.1882 – 24 [?25].10.1976). Hij was winkelier maar ik heb niet kunnen vinden waar en waarin. Ze hadden 3 kinderen, waarvan een Tijda (“Tijsje”)  was (Utrecht 19.03.1910 – Utrecht 05.06.1973) die  getrouwd was met Arnoud Joachim Hugo Arnaud Buse (Doesburg 13.07.1892 – 03.03.1945); ze zijn altijd bij hun ouders blijven wonen en hadden geen kinderen. De tweede was Henk Hol, die makelaar was (van Hol en Molenbeek). De derde was Jacobus (“Co”) Hol (Utrecht 26.12.1918 – 20.12.2008) die getrouwd was met Jacobje Grietje Wielinga (09.12.1924 – 19.09.2006); ze hadden geen kinderen. Ik heb niet veel over hen kunnen vinden. Zover bekend had hij geen beroep. Wel stond er in de krant op 20 sept 1964 dat er bij Co een “koer duif” was komen aanvliegen. Hij en zijn zus hadden sowieso wat met vogels: ik heb hem zelf ook gekend toen hij daar woonde, en hij deed altijd de deur open met een parkiet op zijn schouder, en ook zijn zus liep vaak met een vogel op haar schouder.

Het huis is ook nu een woonhuis.

Johan de Wittstraat 3

De woonhuizen Johan de Wittstraat 3 en 5 werden tegelijk gebouwd, op basis van een gezamenlijke bouwtekening uit 1901:

Bouwtekening van Johan de Wittstraat 3 en 5 uit 1901

De eerst bekende bewoner van Johan de Wittstraat 3, vanaf 28 april 1903, is mevr Geertruida Engelbregt  (Delft 12.02.1848), weduwe van Constantinus Hafkemeijer (Den Haag 1832 – Utrecht 27.11.1894), haar twee dochters Johanna Hafkemeijer (Den Bosch 25.11.1872 – Wamel 16.01.1956), Francoise Hafkemeijer (Delft 25.11.1879) en haar zonen Petrus (Delft 06.01.1882) en Henri (Delft 28.11.1884; hij kwam iets later omdat hij eerst zijn dienstplicht vervulde in Breda). Josiena Slot (Jutphaas 30.10.1881) en later Anna van Pesselen (Jutphaas 23.01.1885) woonden in als diensbode. De familie kwam uit de Schalkwijkstraat 2, en Geetruida, Petrus en Henri verhuisden op 12 april 1906 weer naar de Hugo de Grootstr 2bis toen beide dochters het huis uit waren. Er waren overigens nog 2 dochters (Marie en Antoinette) en twee zonen (Wilhelm en Bernhard) die al het huis uit waren bij de komst naar de Johan de Wittstraat. Volgens de site van de pastorie van Meddo is er daar nog een zoon pastoor geweest: Gerhard (Delft 27.06.1883 – Almelo 02.11.1935). Nergens wordt vermeld wat het beroep was van Constantinus of Geetruida.

Daarna kwam er Willemke Schuurmans (Grouw 17.07.1837, weduwe van JJ Koopmans) er wonen met haar dochter Martha Koopmans (Akkrum 16.11.1879), en in 1908 kwam er Willem-Jan Van Zutphen (Utrecht 30.10.1881) wonen met zijn vrouw Maria Helweg (Amsterdam 04.03.1884). Ze kregen er twee dochters, Henriette (23.02.1914) en Willy (31.05.1919). Willem Jan was rijksschatter van beroep, dwz dat hij in dienst was van de belastingdienst en goederen op waarde schatte. Hij woonde waarschijnlijk toch liever boven dan beneden, want vanaf 1925 wordt aangegeven dat hij in het bovenhuis op 3bis woonde. Hij is er lang blijven wonen, tenminste tot 1941, maar daarna is de bewoning moeilijk na te gaan.

3Bis

Op 3bis was de eerste bewoner Jan Hendrik Backer van Leuven (Harderwijk 29.03.1876 – Utrecht 04.03.1906), met zijn vrouw Geetruida Van der Monde (Utrecht 26.11.1882 – Utrecht 09.01.1960) en hun dienstbode Anna De Wilt (Utrecht 08.08.1876). De familie kreeg een zoon George op 13.05.1904 (overleden Arnhem 22.07.1958). Jan was makelaar bij de firma Waltman & co en overleed op jonge leeftijd, en een half jaar erna vertrokken zijn vrouw en zoon naar de FC Donderstraat 35. George werd later journalist.

Daarna kwam er wonen August Adriaan Pulle (Arnhem 10.01.1878 – Utrecht 28.02.1955) en zijn vrouw Elisabeth Kamerling (Leeuwarden 22.07.1879 – Baarn 19.05.1947) met hun dienstbode Geertruida De Ruiter (Loenen 28.12.1887). Hun zonen August (16.02.1908 – ?) en Hugo (17.08.1910 – ?.1943) werden er geboren. August was een befaamd botanicus, en hoogleraar aan de Rijks Universiteit Utrecht. Hij heeft veel gedaan om de plantenrijkdom van Suriname te beschrijven, maar hij ging ook op expeditie op Java en Nieuw-Guinea (zie boek Jan Oost). Hij is ook 19 jaar lang directeur geweest van de Hortus Botanicus, en gedurende een jaar (1929) ook rector magnificus van de RUU. Een beschrijving van zijn leven en werken is te vinden op zijn Wikipediapagina. De familie vertrok weer in april 1912 naar de Willem Barentszstraat 83, waar ook hun dochter Elisabeth geboren werd op 24 mei 1917. August junior werd tabaksplanter van beroep te Kwala Bingei in Nederlands Indië. Mogelijk is zijn broer met hem meegegaan want beiden zaten in Japanse concentratiekampen waar Hugo overleed op 20.03.1943 in Rintin [Thailand].

Prof. dr. August Pulle, botanicus, en de omslag van een boek dat zijn tocht naar Nieuw Guinea beschrijft.

Johan de Wittstraat 3 is ook nu een woonhuis.

Johan de Wittstraat 4

Johan de Wittstraat 4 werd tegelijk gebouwd met nummer 2 in 1901 (zie aldaar). De eerste bewoner was Frans Alexander van Eelde (Utrecht 24.06.1865 – ?), zijn vrouw Clara Scheuer (Rotterdam 09.05.1872 – Den Haag 07.12.1955) met hun zoon Anton (San Jose [USA] 23.06.1896 – ?) en dochter Christina (San Jose [USA] 20.03.1898 – ?), die er op 26 december 1902 gingen wonen. De familie Van Eelde was de bekendste zoutziedersfamilie van Nederland. Al in 1666 werd door Simon Abbinga octrooi verleend om een zoutziederij te starten aan de Catharijnesingel buiten de Weerdpoort. Zo kon enerzijds het zeewater en soms ook ruwe zout, plus de turf als brandstof, aangevoerd worden, en het afgewerkte zout weer afgevoerd worden. De zoutziederij ging over van generatie op generatie, kreeg de naam “De Eendragt” (net als de ook bekende zoutziederij in Alkmaar) en kwam in 1750 in handen van de familie Van Eelde. Het was de enige zoutziederij in de provincie (in heel Nederland waren er 86). Anthonie van Eelde (1828-1902), de vader van Frans, mechaniseerde het bedrijf, en rond 1900 was de jaaromzet 1300 ton zout, vrijwel voldoende om heel Nederland van zout te voorzien. Maar ja, toen werden in Oost Nederland, en met name bij Boekelo, enorme hoeveelheden zoutlagen in de bodem gevonden, en dat zout was vele malen goedkoper te winnen. Per 31 december 1923 werd de zoutziederij opgeheven. Er zijn op het internet een aantal boeken te vinden die deze geschiedenis tot in detail beschrijven (een ervan door [en dit verzin je niet] CA Pekelharing…).

Hoe een zoutziederij precies werkte kun je op Wikipedia of andere sites vinden. Er is een schoolplaat uit ~1870 uit Utrecht die het aardig laat zien:

Utrechtse “Lummel” schoolplaat uit ~1870 die een zoutziederij uitbeeldt.

De familie heeft ongeveer 15 jaar in de Johan de Wittstraat gewoond. Daarna heeft de familie Visser er tenminste 40 jaar gewoond. Hij was procuratiehouder. Helaas is met deze achternaam en niet meer identificerende gegevens het erg moeilijk meer over hem te vinden. Ik vond een overlijdensadvertentie waarin genoemd werd dat Christina van Kooten, oud 76 jaar, overleden was op 03.04.1955 en familie was van HCD Visser, H Visser-van Kooten, AM Kors-Visser, N Visser en HJ Visser-Markvoort, met Johan de Witt 4 als correspondentieadres. Maar ook zo lukte het me niet de juiste Visser te vinden in de ~600,000 entries voor “Visser’s” die in de archieven genoemd staan.

Johan de Wittstraat 4 is nu al vele jaren een studentenhuis, eigendom van de SSH.

Johan de Wittstraat 5

De eerste bewoners van het huis waren de familie Troelstra beneden en de heer Loran boven. Anne Troelstra was predikant, en welbekend in Utrecht:

Portret van predikant Troelstra
Portret van predikant Troelstra

Hij was getrouwd met Silena Baert, en zij woonden er met hun kinderen Marius en Ruud, en later werd ook hun zoon Sjerp er geboren. Ze verhuisden daarna naar de Kromme Nieuw Gracht 90 bis. Er is na zijn overlijden zelfs een boek over hem geschreven: “Ter herinnering aan dr A Troelstra: in leven predikant der Nederl Hervormde Kerk” wat de Utrechtse Universiteitsbibliotheek in haar bezit heeft. De andere bewoner, Jan Anthony Loran (1845-1914), stond ingeschreven als bouwkundige maar was in feite tuinarchitect. Hij had voor hij in de Johan de Wittstraat ging wonen de tuinen rond Hoogeland aan de kop van de Maliebaan ontworpen, en was samen met Henri Copijn ook voor het Wilhelminapark verantwoordelijk. Hij was getrouwd met Anna Nahuijsen. Ze hadden 4 kinderen maar zover ik weet hebben die op nummer 5 niet bij hen gewoon. Ze verhuisden later naar nummer 9, en daar voegden hun kinderen zich wel bij hen (zie daar)..

Johan de Wittstraat 5 is ook het eerste huis dat de Stichting Studenten Huisvesting / SSH in 1956 in Utrecht opkocht. Het startte in 1957, toen zag het er zo uit:

Johan de Wittstraat 5 in 1957
Johan de Wittstraat 5 in 1957 (bron: Utrechts Archief)

Er woonden toen 14 meisjes in het huis. De huurprijs was 32 gulden per maand. Er was een huis-oudste die in het souterrain in de tuinkamer woonde. Er was aanvankelijk geen douche in huis, die kwam na een tijdje beneden, bij de kamer van de huis-oudste. De bewoonsters moesten voor die tijd naar het badhuis OZEBI in de Biltstraat of het badhuis in de Homeruslaan gaan als ze wilden douchen. Toen de SSH 60 jaar bestond, heeft de SSH haar best gedaan om contact te krijgen met de eerste bewoonsters. Dat lukte bij een van hen, mevrouw Josien Zimmerman. Er staat een aardig interview met haar in de DUIC.

Het huis kreeg tussen 1958 en 1962 geregeld bezoek van prinses Irene die toen in Lievendaal woonde (het witte huis links op de heuvel als je over  de Maliebrug komt), omdat ze in Utrecht Spaans studeerde. Een van de toenmalige buren, de familie Wildschut van Johan de Wittstraat 6, vertelden dat de hele straat in die tijd bezoek kreeg van mensen van een beveiligingsdienst, met het verzoek het stil te houden dat de prinses zo vaak daar was.

Johan de Wittstraat 5 is ook nu nog een huis van de SSH, met 9 bewoners.

Johan de Wittstraat 6

De eerste bewoners kwamen op nummer 6 wonen op 9 september 1902. Het huis werd gebouwd tegelijk met nummer 8.

Bouwtekening van Johan de Wittstraat 6 en 8 uit 1901

In 1922 werd nummer 6 aangepast zodat er op de eerste verdieping een erker ontstond in plaats van een balkon.

Bouwtekening voor de erker van Johan de Wittsrtaat 6 uit 1922

Thomas Bloemkolk (Den Haag 16.07.1842 – Utrecht 06.03.1920), zijn vrouw Johanna Bleuzé (Haarlem 04.02.1847 – Utrecht 02.02.1931), en hun zonen Johan (Breda 06.07.1885 – Gendringen 18.01.1953), Willem (Bergen of Zoom 14.08.1877 – Zeist 14.03.1944) en dochter Johanna Wilhelmina (Breda 24 [?27].09.1879), en iets later kwam hun dienstbode Dientje van Straaten (Utrecht 09.06.1884) er ook wonen. Ze hadden nog een zoon, Charles (Bergen op Zoom 24.04.1875 – Bussum 09.10.1940) die zou trouwen met Adriana de Feijter (Zaamslag 14.02.1885 – Bussum 06.03.1971) en bij Rijkswaterstaat zou gaan werken. In 1907 voegde zich bij hen ook Maria Bloemkolk – Snel (Den Haag 04.08.1838), na het overlijden van haar echtgenoot Teunis Bloemkolk (1841 – 1907). Thomas wordt in de analen eerst adjudant-onderofficier genoemd, later administrateur in het ziekenhuis. Er is verder over zijn wel en wee weinig bekend. Willem werd in 1909 opgenomen in een krankzinnigengesticht (vroeger werden ook mensen met een verstandelijke handicap daar opgenomen; Willem is daarna niet meer ergens anders gaan wonen en nooit getrouwd), Johan verhuisde naar Zutphen waar hij trouwde met Geertruida van Omme  (Wageningen 04.04.1887 – Gendringe 31.01.1967) en later vestigde hij zich in Gendringen als veearts. Johanna Wilhelmina trouwde haar neef Willem Bloemkolk; ze kregen geen kinderen. De hele familie lijkt te zijn verhuisd naar 6bis, omdat hun namen (en die van de familie Bokma de Boer) zowel op 6 als 6bis genoemd worden. Ze bleven in ieder geval daar tot het overlijden van Thomas wonen. Op 6 (of misschien toch 6bis) kwamen er toen wonen Mindert Bokma de Boer (Leeuwarden 10.07.1847 – Utrecht 24.11.1909) en zijn vrouw Anna van Wagtendonk (Enkhuizen 03.01.1865 – Utrecht 28.09.1941). Mindert overleed terwijl ze er woonden, zijn weduwe bleef er wonen tot begin jaren 20. Daarna kwam er Jan Albracht wonen. Ik denk dat hij van de firma Albracht was waar men plastic artikelen maakte maar welke vooral functioneerde als boekbinderij ; ik kan daar echter niet zeker van zijn.

Firma Albracht aan de Bolstraat 20 en 27.

Een aantal van de ouderen van ons zullen zich ook de familie Wildschut – Van Hoorn (Wim en Sjaan) herinneren, die jarenlang (waarschijnlijk bijna 50 jaar!) er woonden. Wim en Sjaan waren een soort ‘videocamera’ voor de straat: ze zaten altijd voor het raam, en zagen alles. Als je je sleutel in de deur liet zitten werd je binnen 5 minuten gebeld, en als er iemand die dag voor je deur had gestaan terwijl je er niet was, werd je dat precies verteld. Met Sjaan kon je eindeloos kletsen. We kunnen ons herinneren dat ze ons vertelde over een vroegere buurman op nummer 9 “hij zegt wel dat ie dokter is, maar er staat gewoon arts op zijn deur”. Het waren schatten van mensen, en nooit vroeg je ze iets vergeefs. Wim overleed in februari 2007, Sjaan in september 2020.

6Bis

Op 6bis was de eerste bewoner Dirk Reeskamp (Utrecht 05.12.1874 – Utrecht 24.01.1939), zijn vrouw Anthonia van Lankeren (Utrecht 06.10.1873 – Utrecht 14.05.1912), hun dochter Hermina (Utrecht 04.07.1901 – ?), en hun dienstbode Maria de Kleuver (Utrecht 14.07.1881). Hun dochter Paulina (Utrecht 04.11.1902 – Utrecht 07.12.1988) werd er geboren. Dirk was schilder van beroep, en kwam uit de Griftstraat 2bis. Ze verhuisden al weer binnen een jaar naar de Willem Barentszstraat 69.

Daarna woonde er korte tijd Peter Goldman (Hila [eiland Ambon] 27.06.1867 – Pretoria 20.01.1930), zijn vrouw Catharina Kossen (Delft 16.09.1864) en hun zonen Evert (Delft 17.03.1898 – Zuid Afrika 1955) en Henri (Brussel 01.09.1900). De familie Goldman was van adel (Peter’s grootvader werd in 1838 tot jonkheer benoemd vanwege zijn inspanningen in het bestuur van Indië).

Wapen van de familie Goldman

Peter werd geregistreerd als archivaris van het staatsarchief  van Zuid Afrika maar bleek later  secretaris te zijn van de geheime dienst  van de republiek Zuid Afrika. De hele familie verhuisde in maart 1904 naar Transvaal. Evert trouwde (in Pretoria) met Louisa Frida van der Merwe (Lijdenburg 14.06.1909), Henri trouwde met Isabella Mabel Carlisli (Ladysmith, Zuid Afrika 06.08.1901).

Daarna hebben een aantal families (Iestra; Broekman; Pijpers; Plantinga; etc) op 6bis gewoond. Zonder meer gegevens is het niet goed mogelijk na te gaan wie zij precies geweest zijn.

Van één familie weten we wel meer. Dat komt omdat van de huidige bewoners een stukje in de krant stond in de zomer van 2020, tijdens de corona epidemie, waarbij moeder met haar dochter buiten voor de deur zich vermaakten. Daar reageerde een vroegere bewoner op, van de familie Tonus. De familie Tonus heeft van 1950 tot 1961 op 6bis gewoond. Het gezin bestond uit vader Judocus (“Dook”) Nicolaas Maria Tonus (Bunnik 15.04.1913), moeder Ali Epping (geboren in Bunnik op dezelfde dag als haar echtgenoot!), en 10 kinderen waarvan er drie geboren zijn terwijl ze op 6bis woonden. De familie komt van oorsprong uit de regio Veendam. Opa Hermannus Hilbrandus Tonus (Veendam 24.02.1866 – Amsterdam 25.08.1948) was onderwijzer van beroep en werd hoofd van de katholieke school in Bunnik. Judocus was slager, en werkte samen met Ali in hun slagerij in de Nachtegaalstraat 38 (waar nu de eetwinkel DaDo zit). Helaas had de WO II en alles wat Dook toen had meegemaakt, grote sporen bij hem achtergelaten, wat uiteindelijk de reden was waarom hij met de slagerij moest stoppen. De vroegere bewoner meldde nog dat de kinderen graag en veel buiten speelden, met de vele buurtkinderen. Zij stuurde een prachtige foto mee:

De familie Tonus met een van de buurtkinderen (Nico Bols, van de Maliesingel om de hoek; rechts bovenaan) op de stoep voor 6bis in Juni 1959. Degene die net buiten de leuning links staat, is Anton, die later een bekend slager zou worden aan de Jutphaseweg 93 (die slagerij zit er nog steeds, inmiddels wel overgenomen door een ander maar nog steeds een goede slager).

De familie beschreef ook de treinen die vanuit het Maliebaan station als ziekentreinen gingen naar Lourdes. Dat was een enorm gedoe met vele ziekenauto’s  en andere auto’s van het Rode Kruis op het voorplein. In de krant ‘De Oud Utrechter’ van 7 februari 2017 beschrijft Frans van Diermen, die toen in de Johan de Wittstraat woonde, precies hetzelfde. Het verlies van het plein als voetbal terrein tijdens zulke periodes vonden ze nog het ergst. De familie meldt ook weer het voordeel als de mensen terugkwamen: dan hadden ze stokbroden bij zich, uit Frankrijk, en zelfs al waren ze een beetje oud, ze waren wel erg lekker!

Ook nu is 6 een woonhuis.

Johan de Wittstraat 7

De huizen Johan de Wittstraat 7 en 9 werden tegelijk gebouwd. Vanwege de ligging tov de Hugo de Grootstraat moest de tuin van nummer 9 wel korter worden dan die van nummer 7. Nummer 7 is grotendeels nog in de originele staat; alleen het balkon voor werd er in 1986 er af gehaald om meer licht in de huiskamer te krijgen.

De eerst ingeschreven persoon in het benedenhuis, op 24 juni 1903, was Gerhard Middelbeek (Voorst 13.10.1854 – Utrecht 22.06.1939) met zijn vrouw Johanna van Daalen (Voorst 28.09.1863 – Hilversum 23.07.1951) en hun kinderen, de tweeling Barend en Gerhard jr (Utrecht 12.03.1900) en dochter Cunegunda (Utrecht 29.09.1901 – Utrecht 19.12.1905). Johanna was hoog zwanger toen ze verhuisden, en beviel 6 weken erna van zoon Wilhelmus (Utrecht 12.08.1903 -? ). Hun inwonende dienstbode was Huibertje Ponssen (Utrecht 30.09.1887). Bij hen woonde ook nog in Wilhelmina Koordeman (Zutphen 13.03.1823 – Utrecht 28.01.1911), de moeder van Johanna. Gerhard was eerder gehuwd geweest met Wilhelmina Schaap (Warnsveld 02.09.1849 – Den Haag 25.06.1919) met wie hij een dochter kreeg, Cunegunda (Apeldoorn 05.09.1885 – ’t Loo 23.04.1886) die op de leeftijd van 7 maanden overleed. De echtscheiding werd uitgesproken in 1899, en weken erna trouwde hij Johanna. Barend overleed terwijl hij op 7 woonde, 5 jaar oud (Utrecht, 23.12.1905). Ze kwamen van Hugo de Grootstr 28bis, en zijn in mei 1905 weer vertrokken naar Abstederdijk 190, inclusief oma Wilhelmina. Cunegunda overleed kort erna, 4 jaar oud. Later hadden ze nog het ongeluk een dochtertje Alida te krijgen (Utrecht ?.03.1908 – Utrecht 22.07.1908) dat maar 4 maanden oud werd. De oorzaak van alle vroegtijdig overlijden wordt nergens vermeld. Johanna werd het begrijpelijkerwijs allemaal te veel, en ze werd later, in 1910, opgenomen in een krankzinnigengesticht. Gerhard sr scheidde van haar in november 1935. Gerhard jr trouwde in 1924 met Anna Chatelain (Utrecht 01.05.1899 – Utrecht 18.12.1981) van wie hij in mei 1940 zich weer liet scheiden. Gegevens over Wilhelmus ontbreken volledig.

Daarna kwam er Herman Jelmer Karel Hinlopen (Den Haag 23.01.1881 – Den Haag 09.08.1911), samenwonend met Antonia Henrietta Aalders (Den Haag 23.05.1885 – ?). Of zij fungeerde als dienstbode of dat ze een andere relatie hadden, weet ik niet. Hij was medisch student en moest wel van gegoede komaf zijn geweest om als hoofdbewoner ingeschreven te worden. Dat klopt, zijn vader was Alexander Hinlopen, advocaat en procureur. De familie Hinlopen was bovendien lange tijd eigenaar geweest van landgoed Pijnenburg, wat grenst aan het landgoed van Paleis Soestdijk.

Landgoed Pijnenburg in 1840

Beiden verhuisden terug naar Den Haag in jan 1907. Of hij zijn studie afmaakte is de vraag: bij zijn overlijden werd genoemd dat hij zonder beroep was. Zijn moeder had nog wel een levenloos geboren kind gehad in 1871 maar verder had hij geen broers of zussen. Toen hij  overleed waren zijn beide ouders al overleden.

Overlijdensbericht van Herman Hinlopen in de Nieuwe Courant in 1911

Toen kwam kort erna Adrianus van Veen (Utrecht 09.10.1862 – Utrecht 16.08.1921) en zijn vrouw Jacoba Kukuffsky (Utrecht 16.04.1854 – Utrecht 29.06.1937). Blijkbaar vonden ze de buurt toch leuk: ze hadden eerst gewoond op nummer 1, en waren in 1905 vandaar verhuisd naar de Voorstraat 21, maar kwamen dus opnieuw hier wonen. Ze waren in 1901 getrouwd, Jacoba was toen 46 jaar, kinderen kregen ze niet meer. Adrianus was boekhouder van beroep. Ze bleven op 7 wonen tot Adrianus overleed op de leeftijd van 58 jaar, zijn weduwe Jacoba verhuisde een paar jaar erna.

In 1930 kwam er wonen Amalia Busselman (Groningen 16.10.1878 – ?). Ze was onderwijzeres, in 1893 uit Groningen naar Utrecht verhuisd samen met haar ouders en broers en zussen, en had ervoor op een aantal andere plaatsen in Utrecht gewoond.  Ze verhuisde in 1933 naar de FC Donderstraat, eerst nummer 14, daarna 55. Er is niet veel over haar te vinden, hoewel er wel een brief lijkt te bestaan die ze in 1910 stuurde aan de bekende Nederlandse dichter Albert Verwey (1865-1937). Over het hoe en waarom en waar dit in gepubliceerd is, kan ik niet vinden.

Daarna woonde er Th. (Theo?) Miltenburg, waarvan werd aangegeven dat hij/zij suppoost was van beroep.  Ik wist niet dat Miltenburg zo’n veel voorkomende naam was in Utrecht: in die periode waren er meer dan 1000 bekend. Ik kan dan ook niet met zekerheid meer over hem vinden.

Tussen 1950 en 1958 was er in nummer 7 een wasserij, van A.M. Schuurman. Het geheel zat in het souterrain: de was werd aangeleverd door de kleine raampjes aan de voorkant, waarachter een enorm aanrecht stond. Waar de ketels stonden weet ik niet maar ik vermoed in de kleine kamer achter. Maar de firma Schuurman had ook connecties met de grote stoomwasserij vlakbij, De Zon. Die stond in de Zonstraat 25, en lag met de achtergevel tegen de Minstroom aan, wat het was-proces en watervoorziening sterk vereenvoudigde. Het kan dus zijn dat het feitelijke wassen daar gebeurde.

De Zonstraat in 1912

Er waren voor de wasserij een paar mensen aangetrokken alleen voor het strijken. Er waren niet minder dan 177 wasserijen in de provincie Utrecht in die tijd, dus adverteren was erg belangrijk. Toch lukte het niet: in 1958 werd de wasserij gesloten, en ik schat dat de geleidelijke beschikbaarheid van warm water voor velen daar een rol bij gespeeld heeft (de ontwikkeling van de wasmachine kwam net wat later).   

Advertentie voor de wasserij in Johan de Wittstraat 7: “keurig en vlug, en ‘s zaterdags terug” (Utrechts Nieuwsblad 1 Februari 1950)

Daarna hebben verschillende families op nummer 7 gewoond, met vaak studenten er bij op kamers. De familie Visch, eerst het echtpaar en later de weduwe, woonde er langer tot 1976. Sinds 1976 woont dezelfde familie op nummer 7. Het is waarschijnlijk het enige huis in de buurt met een McDonalds in de tuin.

De McDonalds in de tuin van Johan de Wittstraat 7

7Bis

De eerste bewoner van 7bis was op 5 mei 1903 Antonius Johannes van Munster (Utrecht 19.01.1839-  Utrecht 1913), zijn  vrouw Wilhelmina Suijck (Amersfoort 25.04.1851 – ?) en hun zoon Theodorus van Munster (Utrecht 30.12.1885). Ze hadden eerder een dochter gekregen, Anna (Utrecht 26.11.1880– Utrecht 11.04.1897) die al eerder op de leeftijd van 16 jaar was overleden. Verder kreeg het echtpaar een dochter Gerarda (Utrecht 23.02.1883 – Utrecht 14.01.1884) die op de leeftijd van 11 maanden overleed. Zij zijn van de Wagenstraat naar de Zonstraat 5 en daarna naar 7bis verhuisd. Antonius staat in het boek als ambtenaar bij de Griffie, wat ook het beroep werd van zijn zoon. Theodorus trouwde op 29 april 1914 met Anna Van der Rijst (Utrecht 31.07.1884 – ?). Waarschijnlijk zijn ze tot het overlijden van Antonius op 7bis blijven wonen, en is Wilhelmina niet al te lang erna verhuisd; waarheen is niet bekend.

Daarna woonden er tenminste 15 jaar twee onderwijzeressen, Antonetta de Klerk (07.09.1863 – Utrecht 06.08.1940) en Syke Elizabeth Prillevitz (Wijk en Aalburg 22.06.1869 – Amersfoort 11.10.1958). De ouders van Syke, Ludovikus Prillevitz (Wijk en Aalburg 25.08.1850 – Utrecht 30.12.1909) en Anna van Reekum (Utrecht 24.09.1868 – ) woonden ook in Utrecht, op een grote serie adressen waarvan de Zuilenstraat het meest dichtbij was. De ouders van Antonetta komen uit Werkendam. Syke en Antonetta bleven ongehuwd en kregen geen kinderen. Ze bleven tot de dood bij elkaar wonen op verschillende adressen en zijn samen begraven, wat erop wijst dat ze meer dan alleen collega’s maar ook een stel waren. In de familie Prillevitz zijn overigens velen het onderwijs ingegaan.

Graf van Antonetta de Klerk en Sijke Prillevitz op begraafplaats Tolsteeg

Eind jaren 30 kwam er mevr J van de(r) Wolk wonen. Ze wordt pensionhoudster genoemd, maar of ze dit op nummer 7bis had of elders wordt niet duidelijk. Er zijn velen met de naam Van de(r) Wolk in Utrecht; er is een Johanna geb 1908 maar of zij de juiste is kan ik niet bepalen.

Daarna woonden er een aantal families op 7bis, veelal met (onder)huur van studenten. In de jaren 70 was dit de familie Harry Marcelis en Gwen Eerdmans, waarvan hij jurist was en zij klinisch psycholoog.

7 is ook nu nog een woonhuis. De bovenverdieping wordt sinds 1993 bewoont door dezelfde persoon, die gehuwd is met degene die op 9bis op de bovenverdieping woont: simpelweg het tussenschot op de balkons verwijderen.

Johan de Wittstraat 8

Nummer 8 werd gebouwd tegelijk met nummer 6 (zie daar). De eerste bewoner van nummer 8, op 1 mei 1902, is Gerhardus Bruggencate (Wierden 02.07.1873 – 1909), en zijn vrouw Adriana Grimmelius (Weesperkarspel 14.01.1876 – ?). Gerardhus wordt aangeduid als winkelier maar het is niet bekend wat hij verkocht. Ze verhuisden al weer in februari 1903 naar de Catharijnesteeg 2. Het ging niet goed met hen: ze zijn in 1906 gescheiden, Adriana hertrouwde in 1909 met Augustinus Hoogland (Nibbixwoud 1873 – Blokker 10.08.1943), en Gerhardus is al op de leeftijd van 36 jaar overleden. Bij hen in woonde ook Henri Van Straaten (Den Haag 28.03.1863) die luitenant ter zee 1e klasse was, die al na enkele maanden weer verhuisde naar de Maliestraat 22. Later ging hij naar Den Haag waar hij in 1919 trouwde met Adriana Van Kerkwijk (Den Haag 10.05.1874- Den Haag 11.05.1931). Ik vond beschreven dat hij van adel was maar kan dat niet op andere manieren terugvinden.

Daarna kwam de familie Pennings: moeder  Adriana Dijkman (Maasland 06.10.1868 – Utrecht 21.03.1924) met haar twee zonen Pieter Jan (Meester Cornelis [een stadsdeel van Jakarta, vernoemd naar de 18-eeuwse onderwijzer Cornelis van Seenen] 20.06.1894), en Jan Hendrik (Lebak [op Java; waar Douwes Dekker als assistent resident werkte] 08.08.1898 – Delft 29.04.1982) en haar dochters Hermina (Lebak 27.10.1895 – Utrecht 23.09.1988) en Elisabeth (Lebak 16.01.1897 – ?) maar ook tante Johanna Van Kamen (Dordrecht 15.07.1830) en moeders zus Hendrika Dijkman (Dordrecht 12.05.1865). Vader was Antonie Pennings  (Nieuwer Amstel 1871 – ?), en was missionaris; in de telefoonboeken wordt Adriana als weduwe Pennings aangeduid maar in de gemeentearchieven niet. Daarom is het onzeker of Antonie nog in Indië verbleef of al overleden was. Zijn overlijdensdatum is niet te vinden, en hij staat ook niet genoemd bij uitgezonden missionarissen. Antonie zal vast een geloof gehad hebben waarbij huwen van missionarissen toegestaan was. Pieter Jan was hoofdonderwijzer en trouwde met Johanna de Rooij die onderwijzeres was. Jan Hendrik was kunstschilder:

Litho “Geitje” van Hendrik Pennings uit 1960

Hermina trouwde toen ze 58 jaar oud was met Abraham Brom; ze is 92  jaar oud geworden. Haar beroep vond ik niet. Elisabeth huwde in 1922 Jan van der Staaij, maar meer is er over haar niet te vinden. De hele familie verhuisde weer in maart 1904 naar de Koekoekstr 34. 

Daarna woonde er een aantal families korte tijd: de familie Meeder – Husken, de familie Burlage  – Nederbragt, de familie Linskens – Welsing en de familie Van Dijk – Wilschut. Een aantal van hen was vertegenwoordiger (van een rijwielfabriek en van een kunststoffabriek) of werkte bij de NS. Toen kwam gedurende langere tijd (waarschijnlijk 20 jaar) de familie Landzaat. Vader Johan was bouwkundig tekenaar die later bureauchef werd bij gemeentewerken. Zeer waarschijnlijk staat hij op onderstaande foto (dit was klaarblijkelijk toen de hele staf van de Gemeentewerken en de kans dat er nog een andere J Landzaat daar werkte lijkt me erg klein):

Bureau Gemeentewerken van de stad Utrecht in 1930: 4e van links, met pijp, J Landzaat (bron: Utrechts Archief)

Tegelijk met de familie Landzaat woonde er een hele serie aan studenten die veelal medicijnen studeerden.

8Bis

De eerste bewoner van 8bis is op 21 november 1902 Hendrik Vrijheid (Zutphen 04.07.1853 – Utrecht 20.02.1907), zijn vrouw Catharina Nolen (Dinxperloo 28.03.1866 – Semarang 15.05.1944) en hun zoon Hendrik (Batavia 20.08.1895 – Arnhem 17.04.1984). Hendrik was onderwijzer geweest in Indië en inmiddels gepensioneerd.  Toen hij in 1907 overleed verhuisden zijn vrouw en zoon naar Haarlem; blijkbaar is Catharina later terug naar Java gegaan gezien de plaats van overlijden: ze ligt daar op een begraafplaats van oorlogsslachtoffers. Hendrik jr is luitenant ter zee 1e klasse geworden en later President van het hof van justitie. Hij trouwde met Louise Stibbe met wie hij 2 kinderen kreeg, en na een scheiding trouwde hij met Ernestine Doorn, op Soerabaja, met wie hij ook 2 kinderen kreeg.

Daarna woonde er kort de familie Eijkman: Jan Eijkman (Utrecht 30.06.1867 – Zeist 20.04.1948), zijn vrouw Maria van Woudenberg (Utrecht 01.09.1871 – Utrecht 14.01.1923), en hun zoon Koenraadt (Utrecht 08.08.1898 – Hengelo 04.11.1950) en dochter Johanna (Utrecht 16.04.1901 – Lochem 26.08.1968). Hun inwonende dienstbode was Maria van der Steen (Utrecht 01.04.1885). In 1911 werd hun dochter Henriette (12.01.1911 – ?) er nog geboren. Jan was gymnastiek leraar, Koenraadt werd veearts, trouwde met Johanna Valkhof en kreeg twee kinderen, Johanna werd onderwijzeres aan een Montessorischool in Deventer en bleef ongetrouwd, en van Henriette vond ik alleen dat ze getrouwd is met Johan van der Veer en geen kinderen kreeg. Later woonde bij hen in mevrouw Elisabeth Wouters (Utrecht 04.06.1858) die onderwijzeres was in een school aan de laan van Puntenburg, en toen zij weg ging na een jaar kwam mevrouw Laura Van ’t Sant (Oterleek 23.12.1877 – ?) die ook onderwijzeres was. Ze was de dochter van Laurens van t Sant, die toen predikant in Oterleek was (ligt 5km ten oosten van Alkmaar).

Daarna heeft de familie Janssen er gewoond. Hij was onderdirecteur van het kassierskantoor (bank) Huydecoper en Van Dielen aan Ourkerkhof 11-13. Daarna volgden een aantal families die veelal bij de NS werkten (familie Kuijers; familie Kieven). De huurprijzen zullen in die tijd wel anders zijn geweest dan nu. Ik kwam toevallig tegen dat de huur per maand voor nummer 8  30 gulden (~13 euro) was en voor 8bis  35 gulden (~16 euro).

Ook nu is 8 een woonhuis.

Johan de Wittstraat 9

De huizen van nummer 7 en 9 werden tegelijk gebouwd. De eerste bewoner op nummer 9 werd ingeschreven op 11 mei 1903 en op 9bis op 18 april 1903.

Bouwtekening van Johan de Wittstraat 7 en 9 uit 1902

In het benedenhuis woonden eerst Gerardus Gerritsen (Arnhem 29.11.1863 – Arnhem 23.11.1937) met zijn vrouw Francina Lafeber (Gouda 03.10.1874 – Utrecht 15.06.1925), en dochter Francina Gerritsen (Vreeland 12.07.1898 – Utrecht 21.07.1952) en het volgend jaar werd er ook nog hun zoon geboren, Lodewijk (Utrecht 06.01.1904 – ?). Hun inwonende dienstbode was Adriaantje Kruidhoed (Vreeland 04.02.1885). Ze kregen eerder een dochter Johanna (Vreeland 22.05.1897 – Vreeland 29.12.1897) die op de leeftijd van 7 maanden overleed. Ik vond dat Gerardus al op jonge leeftijd gepensioneerd was, en denk dat hij bij de Spoorwegen werkte. Zijn zoon Lodewijk werd later verwarmingstechniker. Van Francina vond ik geen beroep, wel dat ze in 1924 huwde met Jan Kater; zover mij bekend kregen ze geen kinderen. De familie verhuisde in 1910 naar het bovenhuis, 9bis.

Daarna kwam er de familie Tabernal wonen: Johannes (Heeg 1875 – Utrecht 20.07.1927) en Mies de Beer (Vinkeveen 1893 – Soest 01.05.1987). Johannes was eerder gehuwd geweest met Diena van Eck en had met haar twee kinderen gekregen: Willem in 1906 en Pieter in 1908. De familie Tabernal is vooral bekend als groenteteler familie in het Westland, maar Johannes werkte bij de Spoorwegen. Waarschijnlijk woonden ze er 17 jaar, tot het overlijden van Johannes.

Daarna fungeerde nummer 9 vooral als woonhuis. Een ervan (wiens naam me niet bekend is) speelde midden jaren 70 in een strijkers ensemble en gaf geregeld op zondagochtend korte concerten in de tuin. Maar een aantal jaren was er ook de Algemene Nederlandse Bond voor Handels- en Kantoorbedienden gevestigd. Deze vakbond bestond al in 1905, werd onder druk van de Duitsers in 1940 samengevoegd met de Nationale Bond van Handels- en Kantoorbedienden, en werd zo Mercurius. Ze waren onderdeel van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) dat later samen met de Nederlands Katholieke Vakverbond de FNV (Federatie Nederlandse Vakbeweging) vormde. De centrale zat in Nijmegen, en de Utrechtse onderafdeling op de Johan de Wittstraat 9.

Sinds 1977 woont er dezelfde familie.

9Bis

De eerste bewoners van 9bis waren Rubartus Phaf (Utrecht 26.03.1874 – Utrecht 29.07.1933) zijn vrouw Johanna Thomann (Alkmaar 18.04.1876 – Utrecht 10.03.1949), zonen Coenraad (Utrecht 13.05.1899 – ?) en Cornelis die geboren werd toen ze er net een paar weken woonden (Utrecht 06.07.1903 – Bilthoven 02.06.1995), de broer van vader Jan (Utrecht 23.02.1877 – ?) en moeder Geertruida de Vries (Zwolle 27.12.1833 – ?). Rubartus en broer Jan waren beiden werkzaam bij de spoorwegen. De familie verhuisde in 1908 naar de Kievitdwarsstraat 12. Coenraad trouwde met Willemina Wagner, Cornelis in 1941 met Bep van Laar.

Na hen kwam Jan Anthonie Loran (Utrecht 27.09.1845 – Utrecht 16.10.1914) er met zijn gezin wonen: hij woonde eerder op nummer 5: Anna Nahuisen (Utrecht 26.12.1848 – ?), dochter Johanna Loran (Utrecht 11.08.1884 – Delft 12.12.1951) en zonen Johannes (Utrecht 01.02.1888 – ?) en Gerrit Jan (Utrecht 26.11.1889 – ?). Later voegde zich ook hun andere dochter bij hen,  Mechtelina Gieben – Loran (Utrecht 03.08.1872 – Zeist 18.07.1944) met haar kinderen Herman Gieben (Semarang 06.02.1900 – Den Haag 09.06.1988) en dochter Anna (Tjimahi 31.10.1901 – Indië ?). Zoals genoemd bij nummer 5 was Jan tuinarchitect en samen met Copijn verantwoordelijk voor de inrichting van het Wilhelminapark, waarbij Jan vooral het deel rond Hogeland deed. De hele familie verhuisde weer eind 1910 naar Oude Gracht 189bis.

Ontwerp van Jan Loran voor Ho(o)geland en het Wilhelminapark uit 1889, voor hij dit aanpaste samen met Copijn tot het definitieve ontwerp. Noord is onder!

Daarna kwam er de familie Gerritsen wonen, die verhuisde vanuit het benedenhuis (zie daar). De volgende familie die er woonde was Robert: Franciscus Robert (Utrecht 28.12.1847 – Utrecht 08.09.1918) was zilversmid en gehuwd met Adriana Rohrman (Vianen 1847. Hun zoon was Hendrik Robert (Utrecht 08.07.1885 – Utrecht 01.08.1951) die in 1918 huwde met Dina van Kasteel en leraar MO was. Franciscus en Adriana hadden nog drie dochters (Petronella 07.03.1873, Geertruida 21.12.1874 en Johanna 19.06.1879) en zoon (Franciscus 31.08.1876). Daarna woonde er de weduwe Trijntje Brons – Renes (Leusden 21.12.1855 – Utrecht 27.12.1944) en verschillende anderen.

9 is ook nu een woonhuis.

Johan de Wittstraat 10

Het huis nummer 10 werd iets later gebouwd dan nummer 6 en 8, en ook de huizen op de hoek in de Hugo de Grootstraat stonden er al. Het huis mocht iets dieper zijn dan de huizen op nummer 6 en 8, omdat er echter geen huis meer achter stonden, terwijl er achter nummer 6 en voor een stukje nummer 8 nog een  huis achter stond van het Rozenhofje.

Bouwtekening van Johan de Wittstraat 10 uit 1901.

De eerste bewoner werd ingeschreven op 29 juli 1902 en was de familie Faber. Anne Faber (Beesterzwaag 17.12.1869 – Ambarawa [op midden Java] 04.03.1945), zijn vrouw Betje Dijkstra (Beets 10.10.1870 – Langweer 03.05.1907) hun dochter Emmy (Vlissingen 17.01.1896- 02.05.1971) en zoon Gerard (Vlissingen 02.02.1897 – Indonesië 1975). Ook hun nichtje Imke Dijkstra (Beesterzwaag 27.09.1897 – ?) woonde bij hen. Verder woonde ook bij hen in Cornelia van Batenburg (Maurik 22.08.1827) die gezien haar leeftijd waarschijnlijk niet de dienstbode was. Het echtpaar kreeg eerder nog een kind, Otto (Vlissingen 1899 – Vlissingen 1900) en een volgend kind die ook Otto genoemd werd (Langweer 14.07.1905 – Rintin [in Thailand] 04.03.1943) en Ida (Langweer 03.03.1907 – Deventer 15.07.1999). Na het overlijden van zijn vrouw Betje in het kraambed van Ida hertrouwde Anne met Akke Fortuin (Sneek 04.04.1888). Anne is in Utrecht nog kandidaat notaris en gaat als notaris werken in 1904 in Langweer, vlak bij Doniawerstal. Zowel Gerard als Otto vertrekken naar Indonesië, Gerard in 1926, Otto een jaar erna. Vader Anne en zijn tweede vrouw gaan er in 1939 heen voor een vakantie, maar vanwege de 2e WO moeten ze er blijven. Anne overlijdt in een concentratiekamp, Otto komt om als soldaat in Thailand. Ik denk dat ook Akke er overleed maar kon dat niet met zekerheid vinden. Emmy bleef in Langweer wonen, trouwde met Einte Verbeek, en kreeg er twee kinderen. Ida  werd verpleegster en werkte in het St Geertruiden­ziekenhuis in Deventer. Ze trouwde met Dick Wansink; zover ik weet kregen ze geen kinderen. Er is een aparte site voor alle gegevens over de familie Faber, die de Fabertjeskrant genoemd wordt en waarin Anne beschreven wordt als een maatschappelijk betrokken en sociaal mens

Anne Faber en zijn tweede vrouw Akke in de tuin van hun notarishuis in Langweer; Ida als verpleegster; Otto voor hij naar Indonesië vertrok (bron: Fabertjeskrant)

Daarna kwam er wonen Harmen Otter (Westellingwerf 01.08.1876 – Zutphen 04.09.1918), en zijn vrouw Huibartha Adriaanse (Culemborg 01.06.1879 – ?), met hun dochter Grietje (Utrecht 24.08.1902 – ?) en zoon Romke (Utrecht 08.09.1903 – ?), en de vader van Harmen, Romke Otter (Schoterland 22.08.1837 – Utrecht 18.06.1910). Later werd er nog een tweede dochter geboren, Bertha (Utrecht 01.11.1904 – ?). Hun inwonende dienstbode was Johanna Nielsen (Harlingen 02.06.1878). Harmen was boekhandelaar en werd later depothouder bij de spoorwegen. Ze hebben er nauwelijks een jaar gewoond, en verhuisden kort na de geboorte van Bertha naar de Kruisstraat 49. Ze kregen later nog meer kinderen: Karst (Utrecht 1908), Harmina (Utrecht 15.11.1909 – Utrecht 30.12.1909), Andreas (Utrecht 1912 – Utrecht 01.01.1913) en Elsa (Zutphen 21.03.1917).

Vervolgens woonde er Thierry Boom (Maastricht 26.08.1849 – Den Haag 29.06.1929) met zijn vrouw Henriette van Spengler (Den Haag 01.09.1863 – Bilthoven 15.01.1923) en nichtje Carolina Van Holst Pellekaan (Den Haag 16.11.1884 – Djokjakarta 02.09.1931). Het echtpaar scheidde  in 1907. Het moet ook wel een bijzondere combinatie zijn geweest: hij was kolenhandelaar, zij was jonkvrouwe: haar grootvader was luitenant-generaal geweest en later minister van Oorlog en Marine en werd toen in de adelstand verheven. Hij is een van de weinige militairen in Nederland die de Willemsorde kregen. Nichtje Carolina verhuisde naar Java waar ze vlak voor haar overlijden huwde met Dirk Tol.

Op 18 juni 1910, 19 dagen na hun trouwdag, kwam er wonen Jan Harmsen (Vriezenveen 10.11.1876 – Australie ?) met zijn vrouw Maria Krusemeijer (Leeuwarden 04.04.1878 – Australie ?) en waar daarna ook hun dochter Alma Harmsen (Utrecht 11.06.1911 – ?) werd geboren. Jan handelde in landbouwwerktuigen. Het gezin is er tenminste tot 1920 blijven wonen.

Volgende bewoners warende familie Flentge (accountant bij de belastingen) en Van Heerde (huismeester bij de Willem Arnts Stichting). De volgende familie die een aantal van ons vast nog kent, is de familie Harreman die er tenminste 40 jaar gewoond heeft. Ik zal nog proberen over hen meer info te verkrijgen, dat lukte nu niet zonder tenminste een betrouwbare geboortedatum van een van hen. Hun kleinzoon komt wonen in de Hugo de Grootstraat, daarna moet het lukken.

Johan de Wittstraat 10 is nu ook een woonhuis, en werd door de huidige bewoners heel erg grondig opgeknapt in 2015.

Johan van Oldenbarneveltlaan

Het hoekhuis aan de rechter zijkant zal ik bij de Maliesingel beschrijven. Het hoekhuis aan de linker zijde werd in 1901 gebouwd op verzoek van de weduwe Kluppel – Van Hasselt. Of zij er zelf ooit woonde, heb ik niet kunnen vinden.

Bouwtekening uit 1901 van het hoekhuis Johan van Oldenbarneveltlaan – Maliebaan

Wat de huizen in de Johan van Oldenbarneveltlaan betreft: als de datum van inschrijven in de gemeente ook de oplevering van de huizen weergeeft, was de oplevering eerst nummer 7, dan 5, en 4 maanden later 1 en 3 vrijwel gelijktijdig. Vroeger bestond er ook 9 en 11, maar dat is hernummerd tot Hugo de Groot 48 en 50; die huizen kwamen net voor nummer 1 en 3 in gebruik. Het huis op de hoek, aan de Maliesingel, stond er al wel langer. Bij nazoeken van de straat is het goed te weten dat tot 1970 (!) de naam verkeerd gespeld is geweest in een deel van de archieven, nl Joan van Oldenbarneveltlaan, en dat aanvankelijk het als straat werd aangeduid.

Johan van Oldenbarneveltlaan in 1901, voordat de huizen gebouwd werden. Er is geen spoor meer te zien van het huis van de familie Ram-Duim dat vooraan midden op de weg lag. Het hoekhuis links aan de Maliebaan was nog niet gebouwd (bron: Utrechts Archief)

De bouwtekening werd voor alle 5 huizen tegelijk, dus met het hoekhuis dat nu onder Hugo de Grootstraat valt, aangeleverd in 1905.

Bouwtekening van de huizen in de Johan van Oldenbarneveltlaan uit 1905. De tuinen liepen nog door tot aan het Rozenhofje, omdat Hugo de Grootstraat 46 toen nog niet gebouwd was.

Johan van Oldenbarneveltlaan 1

Op 31 maart 1906 werd ingeschreven Johanne Emilie Susewind (Saijn [Pruisen] 10.03.1834 – Utrecht  11.01.1917]) met haar dochter Johanna Went  (Amsterdam 28.08.1867 – Utrecht 18.02.1959) en hun dienstbode Jeannette Rogier (Amsterdam 03.06.1871). Joha was de weduwe van Johannes Went (Amsterdam 19.02.1811 – Amsterdam 05.11.1879) die effectenhandelaar is geweest. Het echtpaar had nog meer kinderen: Auguste, Johannes, Louisa, en Friedrich.  Ze vertrokken in mei 1909 naar de Baanstraat 3. Johanna trouwde kort daarna met Theodoor Dentz; zover bekend kregen ze geen kinderen. Friedrich werd later hoogleraar Botanie aan de RU Utrecht

In aug 1909 kwam de familie Groenhuizen er wonen: mevr Maria Stoon (Rotterdam 06.05.1831 – Utrecht 13.11.1912) weduwe van Jan Isaac Groenhuizen (Veenendaal 08.11.1831 – 1894), met dochters Maria Groenhuizen (Utrecht 31.08.1861 – Utrecht 29.01.1910), Hendrina (Utrecht 04.12.1864 – Utrecht 25.03.1953) en Jeanetta (Utrecht 01.11.1875- Utrecht 20.06.1955). Ze hadden eerder een zoon Ferdinand gehad die in 1871  op de leeftijd van 1 jaar overleed; een zoon Jacob die in 1899 als 29 jarige was overleden; en een zoon Arnoldus (Utrecht 02.11.1867 – Utrecht 30.10.1935) die 2 jaar ervoor getrouwd was met Theresia van der Goor en het huis uit was. Jeannetta was piano lerares, Arnoldus grossier. Hendrina en Jeanetta zijn erg lang blijven wonen op nummer 1: in 1950 staan ze nog als de “dames Groenhuizen” in het telefoonboek. Wanneer ze precies zijn weggegaan weet ik niet, het kan ook zijn dat ze tot hun overlijden er zijn blijven wonen. Zover mij bekend zijn beiden ongetrouwd gebleven en kregen ze geen kinderen.

Ik heb geen anderen kunnen vinden die sindsdien er woonden. Een ervan moet wel verzamelaar geweest zijn, gezien de foto die ik van de tuin uit 1964 aantrof.

Tuin van Johan van Oldenbarneveltlaan 1 uit 1964 (bron: Utrechts Archief)

Johan van Oldenbarneveltlaan 3

Op 6 april 1906 werd ingeschreven Carolina van Breugel (Nijmegen 06.11.1831[?2] – Utrecht 09.01.1910) bij wie inwoonden Valentine Jacquenaud (Neuchatel [Zwitserland] 05.01.1860 – ?) als “gezelschapsdame” en Clasina Dor (Kralingen 15.10.1879 – Utrecht 14.09.1923) als dienstbode. Een paar maanden later voegde zich bij hen Elisabeth Bremer (Amsterdam 08.01.1858 – ?). Carolina was van adel: haar vader was jonkheer mr Jan Festus van Breugel (Tiel 31.05.1793 – Utrecht 29.05.1872), iemand uit een familie van schepenen in Nederland (veelal Brabant). Ze verhuisden allen naar de Parkstraat 20, behalve Elisabeth die naar Amsterdam vertrok. Carolina overleed daar een jaar later, en Valentine ging toen terug naar Zwitserland.

De volgende bewoner vanaf mei 1909 was Eduard Dijkman (Nijmegen 27.03.1862 – De Bilt 31.03.1923), diens vrouw Carolina (“Siena”) Meijer (Amsterdam 06.09.1864 – Utrecht 18.11.1937), dochters Henriette (Utrecht 17.08.1893 – Utrecht 30.11.1964) en Elisabeth (Utrecht 27.06.1889 – Leeuwarden 21.11.1974), en zoon Hendrik (Utrecht 24.09.1895 – Nieuw Zeeland 31.07.1974). Eduard was hoofd van de Regentesse-school in de Hamburgerstraat 22, en ook Elisabeth was onderwijzeres. Elisabeth huwde Eppo de Boer in 1917, en ze kregen 3 kinderen (Roelff, Carolina en Eduard). Henriette huwde in 1921 Anton Couvret, en kreeg twee kinderen (Anton en Henri). Hendrik trouwde in 1925, met Martha Couvret, met wie hij twee kinderen kreeg (Sierk en Martha), en na een scheiding hertrouwde hij in 1935 met Johanna Duijnstee. De familie moet tussen 1920 en 1923 weer verhuisd zijn.

Familie Dijkman met latere foto’s van achtereenvolgens Elisabeth, Henriette en Hendrik

De Regentesseschool werd in het begin de Emmaschool genoemd. Hij is opgericht in 1897 als mulo, en later werd het basisonderwijs toegevoegd. Hij is in Augustus 1983 opgeheven vanwege het teruglopend aantal leerlingen. Het is verrassend dat zo’n groot gebouw in feite niet te zien is van de straatkant. Maar vanuit de Dom wel!

De school waar Eduard Dijkman hoofd van was: de Regentesse-school in de Hamburgerstraat, gezien vanaf de Domtoren (bron: Utrechts Archief)

Er is een mooie beschrijving verschenen in de Oud-Utrechter van augustus 2012 (Page 13 – De Utrechter Week 32 (deoud-utrechter.nl)

Daarna woonde op nummer 3 Gerrit Reinders (Deventer 22.04.1875 – Utrecht 18.04.1951), die een zaak had in porselein en kristal aan de Oudkerkhof 35 (de zaak zat eerder aan de Oude Gracht WZ 13). Hij heeft er tenminste tot 1941 gewoond. Er zijn verschillende familieleden van hem die ook in porselein en kristal deden. Zijn broer had een grote zaak aan de Grote Markt  in Haarlem. Gerrit huwde zijn nicht Margaretha (“Kee”) Reinders, en ze kregen een dochter, Bernarda (Utrecht 09.08.1912 – ?.06.1951).

Uitverkoop bij Reinders! Ook rond 1955 gaf dat veel drukte (bron: Utrechts Archief)

Ik heb geen andere bewoners die erna woonden kunnen vinden. Nummer 3 is ook nu nog woonhuis.

Johan van Oldenbarneveltlaan 4

Nummer 4 bestaat nu niet meer maar was destijds een enorme paardenstal die aangelegd werd in 1892 ten behoeve van de paardentram die een eindstation had voor het Oosterstation. Er heeft maar één maal iemand gewoond: van 26 oktober 1901 tot 20 januari 1902 woonde er Henri de Jong Raskin (Brussel 04.02.1870) als inspecteur van de Utrechtse Tram Maatschappij. Of hij in het hooi lag of dat er voor hem een ruimte geschikt is gemaakt weet ik niet. Hij woonde er zonder vrouw of kinderen. Gelukkig kon hij snel verhuizen naar de Willem Barentszstr 96.

Vanaf 1910, toen de paardentram gestopt was omdat de elektrische tram het had overgenomen, werd het gebouw de werkplaats van het Comité van Werkverschaffing.

In scene gezette trouwstoet (voor de reclame, om te laten zien wat ze hadden) van de firma Schoonhoven – Buitendijk, voor het gebouw van het Comité van Werkverschaffing in 1930.

De gebouwen hebben er nog lang gestaan. Op foto’s uit 1963 dient het als kantoorgebouw van een firma die in koelmachines deed (firma Landaal-Schelde). Ook de vereniging van Nederlandse koelmachine-fabrikanten zat er (die bestond echt!).

Het gebouw dat eerst paardenstal tbv de tramremise, dan het gebouw van het Comité van Werkverschaffing, en hier kantoorpand, in 1963.

Het is kort daarna afgebroken. Tegenwoordig staat op die plaats het monument ter nagedachtenis aan hen die van het Maliebaanstation zijn afgevoerd naar Westerbork in de 2e Wereldoorlog.

Johan van Oldenbarneveltlaan 5

Op 16 december 1905 werd als eerste bewoner ingeschreven Jean Hubert Kaspar Smeets (Gulpen 15.09.1867 – Hengelo 28.01.1913), zijn vrouw Henriette Walkate (Kampen 05.10.1872 – Kampen 28.04.1947) en dochters Henriette (Utrecht 20.07.1899 – ?) en Cornelia (Utrecht 19.08.1901 – ?). Hun inwonende dienstbode was Aagje van der Sluis (Maartensdijk 22.05.1889). De Walkate familie is vooral bekend als een familie uit Kampen; er is zelfs een aparte verzameling beschikbaar van foto’s, kunst, bouwtekeningen etc van hen en van de stad Kampen (het Frans Walkate Archief, Burgwal 43 Kampen). In 1910 kwam de vader van Henriette ook bij hen wonen, Hendrik Walkate (Hengelo 28.07.1838 – Hengelo 26.09.1915). Jean was apotheker. Ze hadden ervoor gewoond in de Hugo de Grootstraat 9. Ze vertrokken weer in februari 1911 naar Zeist, en daarna naar Hengelo waar hij op de leeftijd van 45 jaar overleed. De vader van mevrouw, Hendrik Walkate, was zeepzieder van beroep; opvallend omdat de eigenaar van de grootste zeepziederij van Nederland, de familie Van Eelde, in de Johan de Wittstraat woonde. Cornelia trouwde in 1924 met August Zinsmeister, Henriette trouwt in 1921 met baron Frederic Boecop (zijn overgrootvader is Warnar Boecop, die de militaire Willemsorde kreeg). Ze krijgen een zoon, Arend, en nog een kind van wie de gegevens nog niet openbaar zijn.

Daarna wordt aangegeven dat J.A. Van Rooijen er woonde. Hij was fabrikant, maar helaas staat er niet bij waarin. Omdat er erg veel mensen zijn met deze naam en voorletters, kan ik niet met zekerheid vaststellen wie hij precies was, en met wie hij op nummer 5 heeft gewoond. Als ik moet gokken, denk ik dat het Johannes Antonius van Rooijen was, die samen met zijn broer Quirinus een meubelfabriek overnam en in IJsselstein dit enorm heeft uitgebreid. De fabrieken werden in 1968 gesloten en in 1982 afgebroken.

Daarna stond er tenminste vanaf 1925 ingeschreven mevrouw Pauline Josephine Idsinga – Idsinga (Patti Japura 17.07.1882 – Gouda 17.07.1977) en vanaf 1940 ook Johan Lucas Roelof Idsinga (Zwolle 19.09.1871 – Utrecht 17.12.1950), gepensioneerd OI predikant. Johan was eerder gehuwd met Maria Hengeveld met wie hij een dochter Johanna (Meester Cornelis, Java 1899 – ) kreeg. Maria overleed in 1899, waarschijnlijk in het kraambed. Daarna hertrouwde Johan met Pauline. Het echtpaar is getrouwd in Meester Cornelis op Java in 1900, en kreeg aldaar vier kinderen: Eelco (Tanjong Pinang, Riouw 11.08.1901 – Utrecht 29.01.1969) die tandarts werd, Marius (Malang 27.06.1905 – Gouda 29.06.1978), Maria (Malang 11.09.1907 – Gouda 29.12.1993) en Hermine (Malang 15.08.1909 – ?). Pauline is daarna teruggekomen met haar kinderen, wellicht voor de studie van de oudste, terwijl haar man Johan nog enige tijd in Indië bleef werken. Ik verwacht dat hij rond de pensioen­gerechtigde leeftijd ook terug naar Nederland kwam. Maar dit zijn wel aannames, ik heb dit niet echt zo kunnen vinden.

Nummer 5 is ook nu een woonhuis.

Johan van Oldenbarneveltlaan 6 (Spoorwegmuseum)

Toen de Johan van Oldenbarneveltlaan nog – straat heette, stond er maar één persoon ingeschreven: Bastiaan Kranendonk. Aan de linkerkant waren er maar drie huizen: een houten stal voor de paarden van de paardentram (op de plaats waar nu het 1940-1945 monument staat), de remise van de paardentram (het huisje links op het parkeerterrein van het Spoorwegmuseum), en het Spoorwegmuseum zelf, dat toen natuurlijk nog Maliebaanstation of Oosterbaan station heette, en nummer 6 was.

Bastiaan Kranendonk was toen 36 jaar, geboren in Leeuwarden. Hij woonde eerst in Geldermalsen, en daarna aan de Leidse Kade voor hij naar de Van Oldenbarneveltlaan verhuisde. Hij was restaurateur, wat wij tegenwoordig kelner of uitbater zouden noemen. Hij woonde blijkbaar in het stationsgebouw. In gerestaureerde stijl (rond 2000) is de restauratie prachtig:

Restauratie van het Utrechtse Maliebaanstation rond 2000
Restauratie van het Utrechtse Maliebaanstation rond 2000

Er is verder niet veel over hem terug te vinden. Er zijn wel stambomen van de families Kranendonk maar de voornaam Bastiaan was in die families populair, en tot nu toe vond ik niet iemand terug die net al hij op 13 april 1864 was geboren (wel op 15 april; maar ja, hoe betrouwbaar zijn die data?). Hij woonde er met zijn vrouw Cornelia van Musscher, met wie hij sinds 1892 was getrouwd, en ook met zijn neefje Johannes Musscher (uit 1895), die ook al in Geldermalsen en aan de Leidse Kade bij hen woonde. Hij was een voorkind van de broer van Cornelia. Zelf kreeg het echtpaar geen kinderen. Rond 1910 nam mijnheer Garritsen zijn baan en woonplek over. Ook hij bleef maar enkele jaren, en daarna woonden de uitbaters van de stationsrestauratie niet meer in het Maliebaanstation. Het Spoorwegmuseum is nog steeds Johan van Oldenbarneveltlaan 6.

Johan van Oldenbarneveltlaan 7

De eerste bewoner werd ingeschreven op 7 november 1905 en was mevrouw Maria Elise Nepveu tot Ameide (Groningen 27.06.1857 – Utrecht 03.03.1942), haar zus Wilhelmina (Zwolle 26.05.1856 – Utrecht 16.11.1912) en haar broer Albert (Zwolle 04.12.1854 – Bilthoven 03.06.1928), diens vrouw Jacoba van Eibergen Santhagens (Amsterdam 10.05.1868 – Den Haag 1948) en hun kind Laurent (Madjokertores op Soerabaya 01.07.1897 – ?). Hun eerste inwonend dienstbode was Neeltje Eegdeman (Reeuwijk 12.06.1886). De familie Nepveu van Ameide is van adel, en van oorsprong afkomstig uit Frankrijk (waarschijnlijk Charenton). Jean Nepveu (1719-1779) was gouverneur van Suriname, zijn zoon Laurens (1782-1839) was lid van de provinciale staten van Utrecht en werd heer van Dijnselburg. Dijnselburg is een landgoed in Huis ter Heide bij Zeist, aan de Amersfoortseweg (nummer 10). Het oorspronkelijke huis is afgebroken, wat er nu staat is in 1883 gebouwd. De familie heeft familiebanden met de familie Ram, waarvan een lid eerder op het gebied woonde waar later het Oosterstation en de Van Oldenbarneveltlaan gebouwd zou gaan worden. Van Albert wordt vermeld dat hij “assistent resident in N.O. Indië met verlof” is. Albert is in 1882 al naar Indie vertrokken als ambtenaar en werd assistent resident van Wonosobo (Kedou).. Maria Elise en Wilhelmina, de broer met zijn gezin, en de twee inwonende dienstbodes verhuizen allemaal naar Wilhelminapark 55 in augustus 1907.

Het Wapen van de familie Nepveu tot Ameide

Daarna komt er kort de familie Groenhuizen wonen. Ze komen van de Oude gracht 99, en blijven maar kort want ze verhuizen in Augustus 1909 naar nummer 1 (zie verdere beschrijving aldaar). In hun plaats komt er de familie Van Haag wonen: Johann Stefan (Rees 07.01.1872 – 1941), zijn vrouw Maria Harding (volgens de grafsteen Hardune maar het kan zijn dat dit moeilijk te lezen is) (Rees 02.03.1881 – Utrecht 20.01.1959) en dochter Maria (Utrecht 21.02.1906 – Utrecht 25.12.1978). Johann is “kantoorbediende” maar later laat hij zich inschrijven als “procuratiehouder”; het is niet bekend bij welk bedrijf hij werkte. Maria trouwt met Herman van Rooijen (09.12.1903 – Utrecht 29.01.1963). De familie woont er tenminste 30 jaar.

Het huis wordt ook nu weer een woonhuis.

Maliesingel

Maliesingel 32

Het is moeilijk na te gaan wie de eerste bewoner is geweest van Maliesingel 32 omdat er op het gebied waar Maliesingel 32, 33 en 34 ligt, eerder gebouwen hebben gestaan waarvan we niet met zekerheid weten wie er woonde:

Plattegrond Utrechtse Malie Singel - Stations Weg
Plattegrond Utrechtse Malie Singel – Stations Weg

De nummering van de Maliesingel in de 19e eeuw was heel anders en tot nu toe is onzeker of er iemand woonde, bijvoorbeeld tuinders, of dat het wellicht tuinhuisjes waren. We weten dat notaris Van Loenen ongeveer op die plaats een tuinhuisje had, en wellicht is het hetzelfde gebouw, met erachter een schuurtje. Het bouwplan voor Maliesingel 32 werd door de gemeente in 1900 goedgekeurd:

Bouwtekening Maliesingel 32 Utrecht
Bouwtekening Maliesingel 32 Utrecht

De eerste bewoonster was het echtpaar Vlemming waarvan helaas de heer Vlemming overleed vlak voor de verhuizing of in het eerste jaar dat hij er woonde. Mevrouw Adriana Vlemming-Huisman bleef er daarna 15 jaar wonen. Daarna heeft er jarenlang prof. Jan de Vries gewoond, een bekend wiskundige:

Portret van Prof. Jan de Vries
Portret van Prof. Jan de Vries

Ik heb niet kunnen vinden wanneer in de jaren 80 er precies problemen zijn ontstaan. Maar toen mr. Van Bavel eigenaar was van het huis en het huis langdurig leeg stond, werd het huis gekraakt door 6 jongeren die er vervolgens jarenlang woonden. In 1989 kwam na jaren juridisch touwtrekken de uitspraak van de rechter dat er ontruimd mocht worden, wat toen ook gebeurde, compleet met ME en politiepaarden en een aantal arrestaties:

Ongeregeldheden Maliesingel Utrecht 1989
Ongeregeldheden Maliesingel Utrecht in 1989

Maliesingel 32 is nu een woonhuis.

Maliesingel 53

De eerste bewoners van Maliesingel 53 waren niet de familie Begeer, zoals in de adressenboeken staat. Toen was nummer 53 het huis dat wij nu kennen als Maliesingel 63 en hun wedevaren staat dan ook daar.

De bouw van de huizen 51-54 aan de Maliesingel is vreemd gegaan. Er stonden al een aantal huizen die tussen 1875 en 1890 waren gebouwd, en die we nu kennen als Maliesingel 55 tot en met 63. Ook was de Hugo de Grootstraat tot op de centimeter gepland. Voor de overblijvende ruimte waren bouwtekeningen waar 3 huizen getekend waren, ieder met een breedte van 6 meter zoals dat bij vrijwel alle huizen in de buurt het geval is. Maar ergens in het plannen moet men zijn overgestapt van 3 naar 4 huizen, en dan wel huizen die 5 meter breed zijn. Of dit gedaan werd omdat de huizen wat dieper konden zijn en zo de beschikbare ruimte net wat beter werd gebruikt, of dat er een andere reden voor was, weet ik niet.

De eerste bouwtekening waarop Maliesingel 51 tot 53 staat aangegeven, dus drie huizen. Dit is zo niet uitgevoerd, het zijn er later 4 geworden.
De eerste bouwtekening waarop Maliesingel 51 tot 53 staat aangegeven, dus drie huizen. Dit is zo niet uitgevoerd, het zijn er later 4 geworden.

De eerste bewoner van wat we nu kennen als Maliesingel 53 was de familie Van den Linden, die ingeschreven werden op 12 november 1901. Henri Bernard van den Linden (27.03.1844-08.08.1918) was geboren in Zutphen en had als controleur bij de spoorwegen op verschillende plaatsen gewoond. Hij kwam vanuit zijn laatste woonplaats Zwolle naar de Maliesingel, samen met zijn vrouw Alida Koster (22.10.1846-12.08.1917; trouwdatum 08.11.1877), bij wie geen beroep wordt genoemd, en hun dochters Hermina (25.10.1878), Helena (27.04.1880), Alida (03.04.1882) en  Geertruida (05.01.1884). Hun dienstbode Femia Klerk (06.04.1879) was met hen meegekomen uit Zwolle. Ze verhuisden in 1908 naar de Tolsteegsingel 27, behalve Hermina die tussendoor voor 2 jaar naar Florence verhuisde, een jaar in Arnhem zat, en uiteindelijk naar de Catharijnesingel verhuisde. Ik schat dat het voor een studie was maar ik heb niet kunnen vinden wat ze uiteindelijk voor beroep had.  Een paar maanden nadat zij ingetrokken waren kwam ook de familie Van Boeschoten er wonen: Cornelis (26.02.1845-10.11.1927)  en zijn vrouw Agatha Hendriks (23.10.1849). Hij verhuisde als 16-jarige met zijn ouders naar Zuid-Afrika waar kort daarna zijn ouders overleden en hij voor zijn broers en zussen zorgde. Hij werd er uiteindelijk schoolhoofd. In 1881 werd hij ambtenaar, en uiteindelijk zaakgelastigde t.b.v. de republiek Zuid-Afrika en ook hoofd van dienst bij president Paul Kruger die toen vanwege de Boerenoorlog in Europa woonde. Ze woonden er maar 6 maanden, en verhuisden daarna naar Menton in Frankrijk. Een gedetailleerde biografie is op het internet te vinden .

Daarna woonden er een paar mensen kortstondig. Vanaf 8 september 1908 woonde er zeer veel jaren Christianus Janssen (13.02.1870) met zijn vrouw Johanna van Maaswinkel (30.08.1872) en vele verschillende dienstbodes. Hij was kassier van de Nederlandse Bank. Zover ik kan nagaan hadden ze geen kinderen.

Maliesingel 53 was in de tweede helft van de vorige eeuw (waarschijnlijk ergens in de jaren tachtig) een studentenhuis, maar is rond 1990 een woonhuis geworden en gebleven. De huidige bewoner kunt u leren kennen in de buurtgalerij waarvoor u een inlog nodig heeft die is aan te vragen bij het buurtcomité.

Maliesingel 54

Het is altijd moeilijk om vast te stellen wie de eerste bewoner van een pand is, als er in een straat veel huizen bijgebouwd worden en daardoor de huisnummering telkens verandert. Dat geldt ook de Maliesingel, waar aan het begin van de straat huizen bijgebouwd werden vlak voor 1900 en daarom de huisnummers verderop omhoog gingen, terwijl tussen nummer 38 en 55 alleen nog maar huizen in aanbouw stonden, en dus de nummers verderop weer omlaag gingen. Maar zeker is dat in 1902 het huis Maliesingel 54 bestond.

De eerste bewoner was Johannes van Rooij uit 1861, die getrouwd was met Henriette Blokpoel uit 1868, met zoon Johannes en dochters Josephine. Hij was postzegelhandelaar, en actief voor de Nederlandse Vereniging van Postzegelverzamelaars, zoals blijkt uit de krant van 1902:

Krantenartikel van de postzegelverzamelaars over Johannes van Rooij
Krantenbericht uit 1902 met vermelding van Johannes van Rooij van Maliesingel 54, bibliothecaris van de Nederlandse Vereniging van Postzegelverzamelaars

Het echtpaar is gescheiden in 1907, zij ging wonen in de Tolsteegsingel 22, hij vertrok naar Duitsland en is uiteindelijk op 80-jarige leeftijd in Delft overleden. Boven hen woonden de gezusters Schenk: Jacoba uit 1873 en Johanna uit 1875, beiden dienstbode maar het is niet bekend of dat bij het gezin was waar ze inwoonden of elders. Zij woonden er maar 2 jaar, toen kwam Henriette Aben uit 1889 er wonen. Zij was ook dienstbode, voor het gezin waar ze woonde, en ze verhuisde mee met mevr. Blokpoel naar de Tolsteegsingel.

Later zijn de dames Cornelia en Johanna Smits er gaan wonen, die de dames Jordana Renier en Geertje Moesbergen, onderwijzeressen, op kamers hadden. Blijkbaar beviel het samenwonen want alle vier verhuisden tegelijk naar de Stationsstraat 23. Daarna woonde er de weduwe mevr. Justina van der Meij met haar dochter Jacoba en zoon Jacobus Schoneveld van der Cloet

Een van de bewoners erna is Wolter Weener geweest. Hij is bekend van de Pannen- en Plavuizenbakkerij in Vianen die al in 1867 werd gesticht. Hij had ook een fabriek aan de Jutfaseweg. De Weener Romaans Blauwe dakpannen bestaan nog steeds!

Weener Romaanse Blauwe Dakpannen
Weener Romaanse Blauwe Dakpannen

Als je in Utrecht en omgeving rondkijkt, zul je nog steeds veel huizen zien waar deze dakpan op ligt.

Maliesingel 54 wordt daarna een huis waarvan de kamers verhuurd worden aan verschillende mensen, vaak meer dan 10 mensen.

DUBBELE MOORD!

Op vrijdag 5 augustus 1977 bellen bewoners van Maliesingel 54 de politie: de stank in hun huis is niet om te harden, en er zijn veel vliegen: er moet wat mis zijn. De politie komt en is het meteen met de bewoners eens. Ze forceren de deur, en vragen de (toen nog) agent Peter Gieling (zoon van familie Gieling van Johan de Wittstraat 1) om bij de deur ter bewaking te staan terwijl de technische recherche naar binnen gaat. Een aantal van hen komt weer naar buiten want ze vinden de stank niet meer te harden. Agent Gieling zegt dan tegen hen dat ‘een beetje kerel’ gewoon zijn werk blijft doen. Kan hij makkelijk zeggen want hij heeft geen reuk…. Er staat een keurig opgemaakt bed met frisse slopen, en daaronder ligt een overvolle slaapzak. Het blijkt dat er de lichamen in liggen van de 23-jarige Portugees Eliseu das Dores Espadinho Baiao en zijn vriendin uit Ambon, de 22-jarige Lies Gomies. Hij is door messteken om het leven gekomen, zij door verwurging. De moord krijgt veel aandacht, in alle kranten, tot en met foto’s van het naar buiten dragen van de slachtoffers er bij (deze stond in Nieuwsblad van het Noorden en de Telegraaf):

Persfoto van het uitdragen lijken uit Maliesingel 54 in 1977
Persfoto van het uitdragen van de lijken uit Maliesingel 54 in 1977

Bij navraag vertellen de buren dat een vroegere bewoner, R.B., op 29 juli terug was gekomen uit Amsterdam omdat hij vanwege drug- en alcoholoverlast uit zijn huis was gezet, en daarom bij hen introk. Op 1 augustus ’s ochtends om 6 uur hoorden ze het gegil van een vrouw dat later overging in kreunen. Eliseu en Lies werden daarna niet meer gezien, R.B. bleef er echter wel, en hij en zijn vriendin liepen rond met de sieraden van de Portugees en diens vriendin, zelfs met de ring die deze laatste altijd droeg. Ze hadden tot de politie kwam dus 4 dagen op het bed geslapen met de vermoorde mensen er onder. Kort erop werden ze in Hoog Catharijne opgepakt. Ze ontkenden elke betrokkenheid, en zeiden dat ze niet hadden gemerkt dat het stonk, hoewel ze toegaven wel iets te hebben geroken maar ze hadden gedacht dat het van de emmer met vuile kleren kwam, die ze dan ook op het balkon hadden gezet. Er werd allerlei onderzoek gedaan, inclusief dreggen in een deel van de Maliesingel, maar een sluitend bewijs kon niet gevonden worden en na 3 maanden werden de verdachten weer vrijgelaten. De moorden werden inmiddels de Voodoo moorden genoemd omdat de verdachte uit Suriname kwam. Degene die dat verzon wist blijkbaar niet dat Voodoo uit Haïti komt en dat zoiets in Suriname Winti genoemd wordt. Later vertrouwde de verdachte vrienden van hem toe dat hij wel degelijk de twee had vermoord, en dat hij ze daar had laten liggen in de hoop hen ongezien uit het huis te kunnen smokkelen. Dat kwam de politie op dat moment natuurlijk niet te weten.

De zaak werd uiteindelijk toch ‘opgelost’. Dat kwam omdat in 1980 er nog een moord werd gepleegd, op “ome Jan” die in de Bijlmer woonde in een huis waar ook R.B. een tijd had verbleven en deze bleek een aantal spullen van ‘ome Jan’ in zijn bezit te hebben. Ook daar was het waarschijnlijk dat de verdachte enige tijd in het huis is gebleven met de vermoorde man er bij, verstopt in een berghok. Maar een sluitend bewijs dat R.B. schuldig was kon opnieuw niet gevonden worden. Tot in 1982 een vierde moord werd gepleegd, nu op de 78-jarige mevrouw Pieterke Rüpke in de Bankastraat in Amsterdam. En haar buurman was R.B. (hier op tekening zoals gepubliceerd in Het Vrije Volk):

Tekening van R.B. veroordeeld voor de moord op Maliesingel 54
Tekening van R.B. veroordeeld voor de moorden op Maliesingel 54

De rechter heeft uiteindelijk geoordeeld dat de kans dat een jong iemand bij 4 moorden door toeval bij of in grote nabijheid van die moorden was, uitgesloten kon worden, en R.B. werd veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf. Of dat nu nog zou gebeuren is maar de vraag, want we kennen in Nederland voorbeelden waarbij een en dezelfde persoon wel degelijk louter door toeval bij een aantal moorden in de buurt was (Lucia de B!). Maar aan de andere kant hadden we in die tijd nog lang niet alle technische mogelijkheden die we nu wel hebben, en een veroordeling zou op basis daarvan vast ook mogelijk geweest zijn (met dank aan Peter Gieling voor de extra informatie!).

Maliesingel 54 is nu een (gewoon!) woonhuis. De huidige bewoners kunt u leren kennen in de buurtgalerij waarvoor u een inlog nodig heeft die is aan te vragen bij het buurtcomité.

Maliesingel 58

De huizen die nu Maliesingel 58 en 59 vormen werden gebouwd als Maliesingel 48 en 49, en zijn een van de oudste van dit deel van de Maliesingel:

Bouwtekening van Maliesingel 58 en 59 uit 1875

De eerste bewoner van Maliesingel 58 moeten degenen zijn die direct na de bouw er kwamen wonen, maar de gegevens daarvan heb ik niet kunnen vinden. De eerste bewoner die ik wel vond is Arend Jan Nijland (Delden 20.06.1826 – Utrecht 01.01.1916 ) die tot zijn pensionering hoofdonderwijzer en daarna district schoolopziener is geweest. Zijn vrouw was Helena Cornelia Julius (Utrecht 19.01.1829 – Utrecht 23.07.1860); zij was op 16-07-1860 van een zoontje Antonie bevallen en moet in het kraambed overleden zijn. Het zoontje overleed op 13-03-1868, toen hij 7 jaar oud was. Arend Jan trouwde voor de tweede, nu met Theodora Niemeijer (Wageningen 15.07.1837- Utrecht 31.03.1873) die ook al jong overleed. Hij woonde op nummer 58 met zijn zoon Antonie (Utrecht 28(5?).08.1872 – Kansas City 26.01.1913), zijn zuster, de weduwe W Van Diest – Nijland (Delden 15.05.1828 – Utrecht 29.2.1908) en haar dochter Wilhelmina (Utrecht 17.11.1861- Den Haag 20.11.1936). De andere kinderen, Meindert (1865-1937), Johannes (1867 – 1867), Albertus (1868 – 1936), en Cornelia (1870-1963) waren het huis al uit of al overleden. Arend Jan is ook voorzitter geweest van het Genootschap Kunstliefde. Ze verhuisden  in Maart 1906 naar de Johan van Oldenbarneveldlaan 9, die toen net afgebouwd was. Alleen de zoon ging niet mee, die was eerder naar Blokzijl verhuisd.

Daarna woonden er een groot aantal mensen, vaak korte tijd. Jan van der Bilt (Kapelle 20.04.1886 [volgens andere bronnen 23.04.1876] – Doorn 21.09.1962), observator van de Sterrenwacht en later ook lector Sterrenkunde aan de Rijksuniversiteit Utrecht, woonde er met vrouw Petronella Vernee (Scheveningen 28.06.1876 – Amstelveen 21.06.1951) en dochter Catherine (Utrecht 02.04.1906) die ervoor aan de Hugo de Grootstr 35 woonden. Waarschijnlijk woonden ze daar tijdelijk omdat Catherine net 4 weken oud was. Het echtpaar is in 1918 gescheiden, en Jan is toen hertrouwd met Johanna Alida de Kanter (1880 – 1946).

In 1907 kwam jonkheer Yman Dirk Quarles van Ufford (26.06.1891 – 29.12.1956) er wonen, met Jeanne Isoz (Geneve, 06.06.1886 – ?), uiteraard ook van adel van een familie die wijd verspreid over de wereld woont, maar toch vooral in Zwitserland. Ze wordt zijn gouvernante genoemd, wat wel bijzonder is omdat ze nauwelijks ouder is dan hij; wellicht hadden ze andere redenen om samen te wonen maar kon dat in die tijd niet als zodanig benoemd worden. Uiteraard kun je veel van hem terugvinden in het Nederlands Adelboek, inclusief een foto:

Yman Quarles van Ufford als majoor van de cavalerie

Nadien volgen een rij met andere bewoners, zoals de families Evenblij en Romijnse. Daarna woonde er Raphael Isaac Wraslouski, ook wel gespeld Wrazlowsky of varianten daarvan (Halberstadt 26.03.1885 – Auschwitz 07.09.1942). Hij deed eerst in zeven van paardenhaar en, op basis daarvan, daarna in bakkersgereedschap. Ik zocht op wat dat met elkaar van doen heeft: een teems is een zeef van paardenhaar die al eeuwenlang gebruikt werd om melk te zeven en onzuiverheden er uit te halen. Bakkers gebruikten die blijkbaar ook; of dat voor melk is of voor meel weet ik niet. Raphael had een familielid in Den Bosch die in de periode hetzelfde beroep had. Ook nu nog kun je trouwens zulke zeven kopen. De zaak zat in de Zadelstraat 28. Raphael was getrouwd met Eva Denneboom (Kloosterveen 30.09.1878 – Utrecht 28.08.1956); ze kregen 3 kinderen waarvan twee bij of kort na de geboorte in 1908 en 1909 overleden. Hun dochter Adelheid Johanna (Utrecht 24.08.1911 – Bergen Belsen ?.03.1945) trouwde in 1937 met Leire Dekker. Het echtpaar had ervoor in de Vrouwjuttenstraat 35bis gewoond, samen met de zus van Eva, Saartje.

Vreemd genoeg kan ik zelfs in grote databases verder nauwelijks wat over de familie vinden. Dat komt misschien door de verschillende manieren waarop de naam geschreven kan worden. Exact deze spelling vind ik bij Alfred Goud Smith (“Goudsmit”), antropoloog, die in 1904 in Den Haag geboren is, later ging werken in de VS, en die noemt dat zijn vader Wraslouski heette. Ik vond ook iemand met exact deze achternaam die secretaris was van de Utrechtse vereniging “Israel” en die een brief van Albert Einstein liet publiceren in het Utrechts Nieuwsblad van 1932, waarin Einstein aandacht vroeg voor de vervolging van joden in Oost Europa. Wrang, want helaas maar al te juist: Raphael is op 4 September 1942 zelf afgevoerd naar Auschwitz, waar hij op 7 September werd vermoord. Zijn naam staat op het monument bij het Spoorwegmuseum. Ook zijn dochter Adelheid en haar man Levie werden afgevoerd en overleden op resp 1 maart en 1 februari 1945 in Bergen Belsen. Eva overleefde de oorlog wel en kwam terug naar de Maliesingel, waar ze bleef wonen tot haar overlijden in 1956.

Naam van Raphael Wrazlowski (Wraslouski) op het monument voor het Spoorwegmuseum

Zeer waarschijnlijk is hij een broer van Rosalia Wrazlowsky (1896-1943) die zelf in Sobibor overleed. Zij noemt Raphael als een van haar 14 broers en zussen. Zij was de dochter van Salomon Isaac Wrazlowsky en Adelheid Cohen Gewurtzman, die dus waarschijnlijk ook de ouders van Raphael waren. Zij was geboren in Enschede maar haar ouders kwamen uit Den Haag, net als de ouders van Alfred Goud Smith, wat er voor pleit dat ze uiteindelijk tot dezelfde familie behoren. Er zijn meer gegevens beschikbaar in het NIOD maar die zijn niet via het internet toegankelijk. Ook in de VS wonen een aantal mensen met deze achternaam maar dat is alleen tegen betaling beschikbaar.

Overlijdensadvertentie van de moeder van Raphael Isaac Wrazlowski in het Nieuw Israelisch Dagblad 1928

Maliesingel 58 is ook nu nog een woonhuis.

Maliesingel 59

De bouwtekening voor Maliesingel 58 en 59 werd in 1875 ingediend:

Bouwtekening van Maliesingel 58 en 59 uit 1875

Wie er vanaf het begin ging wonen kan ik niet vinden. De eerste mij bekende bewoners zijn Hessel Zeehuisen (Leeuwarden 17.02.1858 – 05.06.1938) en zijn vrouw Agatha Meursing (Nieuwendam 12.08.1857 – 06.06.1919), maar of zij er vanaf het begin woonden weet ik niet. Hessel was geboren in Leeuwarden, volgde de studie medicijnen in Amsterdam, waar hij in 1884 met Agatha trouwde. Agatha kwam van oorsprong uit Nieuwendam wat in feite in Amsterdam-Noord ligt en bijvoorbeeld Buiksloot omvat. Nieuwendam werd zo genoemd omdat het ontstond toen na een dijkdoorbraak in 1516 een nieuwe dijk werd aangelegd. Hessel promoveerde in 1882 bij Stokvis op het proefschrift “Over temporaire anaemie van spieren en zenuwen”. Later werd hij inwonend assistent in het Binnen-Gasthuis, bij diezelfde prof Stokvis. Hij verhuisde vanuit Amsterdam naar de Maliesingel. Behalve Hessel en Agatha  gingen hun dochters Johanna (Amsterdam 08.11.1890), Cornelia (Amsterdam 14.06.1893) en Ida (Naarden 03.11.1885) mee, plus hun dienstbode Geesje Riezebos (Kampen, 20.01.1875). Hessel werkte als officier van gezondheid in het leger in het Militair Hospitaal, hield zich bezig met keuringen, maar vooral ook met geneesmiddelen onderzoek. In mei 1906 vetrokken ze weer naar Assen, omdat hij overgeplaatst werd. Mogelijk had dat te maken met de zaak van Idske Toering: een recruut die, hoewel ziek, overgeplaatst werd, en een week er na overleed. Dat leidde zelfs tot Kamervragen (“de zaak Toering”), maar dr Zeehuisen werd niet schuldig bevonden hieraan. In 1910 kwam hij weer terug als directeur van het Militair Hospitaal. In de eerste wereldoorlog was hij chef van de Geneeskundige Dienst van de Utrechtse Waterlinie. Hij werd later benoemd als generaal-majoor. Mensen die hem kenden noemden hem een eenvoudig, vriendelijk, eerlijk en bescheiden man: in het Binnen-Gasthuis werd hij liefkozend het ‘kind met de baard’ genoemd.

Dr Hessel Zeehuisen

Daarna woonde er kort de weduwe Johanna Mispelblom Beijer (Zutphen 06.05.1831) met haar jongere nichtje Jacomina Mispelblom (Rossum 19.07.1872). Toen de weduwe op 29.06.1908 overleed, kwam in haar plaats er de 80 jarige Bastiaan Mispelblom Beijer (Zutphen 14.12.1828) wonen, maar al weken erna verhuisden ze weer naar de Parkstraat 4.

De volgende bewoners was de familie Gerardus Van leer (Utrecht 07.07.1860) gehuwd met Maria Elferink (Amsterdam 22.01.1868) en hun dienstbode Annette Schoenmakers (Utrecht, 02.11.1883). Ervoor woonden ze een paar huizen verder, Maliesingel 52, waar ze in 1901 waren komen wonen vanuit Zadelstraat 26. Bij de militaire keuring werd van hem gezegd dat hij 1.66 lang was, en hij vanwege ‘lichaamsgebreken’ werd vrijgesteld. Die werden verder niet benoemd. Hij was hoedenmaker van beroep, maar ik vond niet dat hij een eigen winkel had. Er waren toen wel een aantal hoedenwinkels in Utrecht en waarschijnlijk was hij bij een van hen in dienst. Wanneer hij precies vertrok heb ik niet kunnen vinden.

Begin jaren 30 kwam er de familie Hamburger wonen. Abraham David (11.03.1893-20.03.1973) was een zoon van Jezaja Hamburger (1859-1929) en kleinzoon van Abraham Hamburger (1828-1891), die de Koninklijke Nederlandse Lood- en Zinkpletterij oprichtte. De hele geschiedenis staat mooi beschreven in Wikipedia. De fabriek stond in Lombok, grenzend aan de Damstraat:

De zink- en loodpletterijen van Hamburger, voor de sloop in 1986

De hoeveelheid vervuiling die die fabriek gaf was enorm. De melk van de koeien die in het nabijgelegen weiland stonden, was zelfs ondrinkbaar! Waar toen fabrieken stonden staan nu huizen, maar de grond eronder is nog wel nog steeds vervuild. Abraham David trouwde met Johanna Van der Perk (?.?.1893 – ?.03.1973), zover mij bekend kregen ze geen kinderen.

In 1977 werd Maliesingel 59 onderdeel van de Nicola communiteit (zie Maliesingel 63 en 64). Passend bij de tijd verscheen er van een van de bewoners in 1979  een stukje in de Nieuwe Revue, omdat hij als magazijnbediende net als zijn buren ook een naambordje aan de voordeur bevestigde:

Jacques Wit met zijn naambordje bij Maliesingel 59 (bron: Nieuwe Revue 1979)

Maliesingel 62

Zoals zo vaak is het door de verschillende hernummeringen niet eenvoudig de eerste bewoners te vinden. Het is daarom moeilijk zeker te zijn van de originele bouwtekening, maar ik vond een bouwtekening uit 1876 van een huis dat aan de Maliesingel gebouwd moest gaan worden en er sterk op lijkt:

Bouwtekening uit 1876 van het huidige Maliesingel 62

Het eerste waar ik zeker over kan zijn is dat in Aug 1888 op Maliesingel 37 er de familie Winsheijm woonde. Maliesingel 37 werd hernummerd tot Maliesingel 52 en later weer tot het huidige Maliesingel 62. Dirk Willem Winsheijm (Den Haag, 14.12.1858 – Voorburg 05.06.1918) woonde er met zijn echtgenote Johanna Moonen (Arnhem 23.04.1859 – Arnhem 1902) en dochter Johanna (Leeuwarden 22.09.1882 – Zeist 29.01.1951). Hun inwonende dienstbodes waren Aletta Hardeman (Ede 22.01.1882) en Geertruida van Erven (Utrecht 12.11.1884) . De familie verhuisde naar de Poortstraat 12  op 1 Mei 1901 en woonde later in Zeist. Dirk was een bekend fotograaf, die ook in overzichtsboeken over de Nederlandse fotografie genoemd wordt. Hij werkte van 1881 tot 1888 in Leeuwarden (met in 1885 een uitstapje naar Huizen) en kwam daarna naar Utrecht. Hij liet in 1988 al een foto-atelier in zijn tuin aanleggen. Je kon bij hem een dozijn “pasfoto’s” krijgen voor 3 gulden. Ze hadden een hoge kwaliteit (“gegarandeerd geen gele verkleuringen”:

Voorbeeld van een foto van Dirk Willem van Winsheijm

Hij noemde zichtzelf heraldisch fotograaf.  Het was ook wel te zien aan de achterkant van elk van zijn foto’s, waar hij dit afbeeldde:

Achterkant van een foto van November 1898 uit het atelier van Dirk Willem van Winsheijm (uiteraard alles in het Frans…): Photographie Instantanée. Peintre et Photogr. Artiste. Malie Singel 52, b h Oosterspoor. Heraldisch Kunstatelier. Specialiteit in Vergrootingen, nieuwe methode. Levensgroote portretten in oliverf en Pastel (volledige uitleg in Anton C Zeven, Heraldisch Tijdschrift 2012;18:81-82)

Toch moet zijn zaak niet zo goed zijn gegaan, want als hij in 1904, nadat zijn eerste vrouw in 1902 overlijdt, hertrouwt hij met Agatha Doorman (Gorcum 09.01.1866), en laat hij bij zichzelf als beroep aantekenen wijnhandelaar.

Daarna op 3 juni 1901 weduwe Jeanette Van Rossum (Utrecht 28.04.1838 – Utrecht 31.12.1913) die sinds 27.11.1861 getrouwd geweest was met Pieter van Koppenhagen (Utrecht 23.07.1892) met zoon Willem (Utrecht 19.12.1866; men geeft aan dat hij koopman is) en dochter Elisabeth (geen beroep aangegeven; Utrecht 19.12.1867). Zij kwamen uit de Tolsteegsingel oz 11. Er staan maar liefst 15 dienstbodes vermeld die tussen 1901 en 1908 bij hen werkten: wellicht waren het moeilijke mensen? Daarna kwam een gepensioneerd inspecteur van de spoorwegen er wonen, W vd Gulden, en vervolgens nog een serie bewoners.

Ook nu is Maliesingel 62 een woonhuis, en er is een organisatie adviesbureau gevestigd.

Maliesingel 62 in April 1973.

Maliesingel 63

Zoals ook al op andere plaatsen genoemd kan de nummering in de verschillende archieven van Utrecht wie waar woonde behoorlijk verwarrend zijn want de nummering is een paar keer veranderd, en soms zijn er doorhalingen waarvan niet zeker is of die wel kloppen of niet. Ik ben er van uit gegaan dat het Hieronymushuis vaststaat, en vandaar soms teruggeteld, en ook is het waarschijnlijk dat mensen niet van nummer 40 naar nummer 50 zijn verhuisd, dus dat het een hernummering is (hoewel ik één familie vond die echt een paar huizen verder is verhuisd!). Daarmee kom ik op andere bewoners voor sommige namen die in de adresboeken gedrukt staan, maar zo klopt het wel met de handgeschreven lijst van bewoners in het Utrechts Archief. Bovendien zouden er mensen soms al jaren in een huis gewoond hebben voor het gebouwd werd…

Het huis dat we nu kennen als Maliesingel 63 is samen met Maliesingel 64 waarschijnlijk het oudste huis in onze buurt. De bouwtekening werd in 1876 door de gemeente goedgekeurd:

Bouwtekening van Maliesingel 63 en 64 uit 1876

De eerste bewoner die ik kan vinden is Charles van Rossum (Amsterdam 30.10.1820), met zijn vrouw Cornelia Veenendaal (Den Haag 23.04.1831) en hun dochters Cornelie (Buurmalsen 05.01.1868) en Hermine (Buurmalsen 20.06.1969), die er vanaf 11 mei 1991 woonden. Hij was directeur van de suikerfabriek, bij haar wordt geen beroep genoemd. Hendrika Vos (Utrecht 20.04.1865) was hun dienstbode. In 1893 kwamen ook de zonen Charles (Buurmalsen 03.08.1870) en Lammert (Buurmalsen 15.12.1871) er wonen. Waarom zij pas later introkken is me niet bekend, wellicht waren ze in een kostschool. Een kwam uit de Tuchthuissteeg 10, wat de oude naam is voor de Doelenstraat in Utrecht; de ander kwam uit Spaarnewoude.

Daarna woonden er mevr Christina van Harencarspel (Voorschoten 07.10.1835) met haar dochters Adriana (Rotterdam 21.03.1866) en Johanna (Rotterdam 24.01.1874) Scheuer, beiden ongehuwd. Van Harencarspel is een klein dorp in Noord-Holland; de familie is vooral bekend in Beverwijk en omgeving omdat velen daar woonden en werkten. Christina is geboren in Voorschoten als dochter van een predikant, en was pas in oktober 1899 weduwe geworden van Willem Scheuer (25.11.1825-29.10.1899). Adriana was onderwijzeres. Hun dienstbode Maria Willems (Sittard 01.06.1876) woonde bij hen in. De precieze datum waarop ze er kwamen wonen werd niet genoteerd, wel dat ze op 2 februari 1900 vertrokken naar Waldecklaan 10 in Hilversum, en hun dienstbode ging mee. Christina overleed op 12 juni 1905.

De volgende bewoner was de familie Begeer. Ze waren familie van de familie Begeer die de Utrechtse Fabriek van Zilverwerken beheerde en later samen met Van Kempen de Koninklijke Van Kempen en Begeer vormde. Ze werkten er ook maar ze waren er niet de eigenaar van. Vader Cornelis (Utrecht 17.04.1869) woonde er vanaf 12 mei 1900 met zijn vrouw Johanna Cockuyt (Rotterdam 10.02.1872; geboren in Rotterdam maar ongetwijfeld ervoor uit Vlaanderen afkomstig: de naam komt in Oostende veel voor), en hun kinderen Carel Joseph (Utrecht 09.02.1896), Jacobus (Utrecht 11.12.1897) en Margaretha (Utrecht 31.01.1899). Hun dienstbode is Alida Renes (Utrecht 27.12.1876), die al bij hen werkte toen ze nog aan de Kromme Nieuwe Gracht 44 woonden. Na 6 maanden verhuisde het hele gezin naar Davos, behalve Alida die terug naar de Daalsedijk 41 ging, en kwamen vrolijk na een half jaar er weer terug, en namen Alida weer in dienst. Na 2 jaar verhuisden ze allemaal weer naar Predikheren Kerkhof 5.

Daarna woonde er 6 jaar de familie Viervant : Helena (Amsterdam 03.02.1837), dochter Helena Boot (Elst 07.10.1871) en zoon Jan Boot (Elst 31.05.1877). Ze hadden in die tijd 5 verschillende dienstbodes, waarvan er een, Hendrika Van der Heijden (De Bilt 18.07.1882), ervoor woonde in de Johan de Wittstraat 2. Daarna woonde er eerst vele jaren een inspecteur van de Spoorwegen, Willem van der Gulden (Utrecht 13.11.1852 – 30.07.1936),  gehuwd met Hendrika Vermeulen (Utrecht 10.04.1861 – 20.06.1949), met hun zoon Josephus (Utrecht 18.02.1896; hij werd later leraar en trouwde met Alide van Harte, woonde en werkte in Enschede en overleed in 1959), en hun dienstbodes Maria van den Oudenalder (Utrecht 24.10.1890) en Gerritje Smit (Utrecht 26.04.1892). De familie had net voor hun verhuizing hun dochter Johanna verloren, op de leeftijd van 15 jaar. Daarna heeft er zeer veel jaren gewoond Izak Koppel (Zutphen 01.10.1879-24.07.57) en zijn vrouw Reintje Van der Hoeden (Utrecht 16.10.1884-02.10.1971): ook in het adresboek van 1940 staat hij nog als bewoner genoemd. Hij staat te boek als handelsreiziger en moet daarin wel erg succesvol geweest zijn, om zo’n groot en duur pand te kunnen bewonen. Ze kregen 4 kinderen tussen 1911 en 1919.

Er is later eerst voor een tandartspraktijk een praktijkgebouw geplaatst naast Maliesingel 64. In 1997 is op ontwerp van Kees Regtop en Inez Ligtvoet er een kapel gebouwd, ten delen gebruik makend van het onderste deel van de tandartsenpraktijk. De kapel wordt door sommigen wel de kardinaalsmuts genoemd.

Maliesingel ter hoogte van de spoorwegovergang naar de Zonstraat met de tandartsenpraktijk naast nummer 64

De kapel werd gebouwd ten behoeve van de Nicola Kommuniteit, genoemd naar Sint Nicolaas. De kommuniteit is gesticht in 1964  door drie protestantse studenten die een oecumenische woongemeenschap wilden stichten. Aanvankelijk woonden ze op de Oude Kamp, en met verkoop van dat pand kon Maliesingel 63 en 64 gekocht worden. Later werden ook Maliesingel 59 en 61 aangekocht. Een van de leden van de kommuniteit heeft toegezegd later meer info toe te voegen over hun manier van leven en werken. Geleidelijk aan is het aantal bewoners (ooit woonden er 17 mensen , met daarbij nog een flink aantal logé’s) afgenomen, en daarom zullen Maliesingel 63 en 64 verkocht gaan worden. Het is nog niet bekend wat er met de kapel zal gebeuren.

Bezorging aan huis

Melkboer

In de huidige tijd doen we er ook veel aan, maar ook vroeger kwam menigeen aan huis om iets te bezorgen. Degene die de meeste van ons nog kunnen kennen is de roodharige melkboer. Hij had een grote witte Volkswagen bestelauto waarmee hij werkelijk de hele binnenstad van Utrecht rondreed om de bewoners van melk en yoghurt te voorzien. Je zette je flessenrekje met lege flessen en een boekje buiten voor de deur. Hij nam de lege flessen in en zette het rekje met de volle flessen weer terug. Betalen deed je achteraf, soms pas als er een heel boekje vol was. Hij zei nooit veel, en was een mirakel als het om hoofdrekenen ging: zo’n heel boekje vol met allerlei melkproducten rekende hij in een mum van tijd uit. Als het erg veel was, schreef hij soms met een klein stukje potlood tussendoor op hoe veel het tot dan toe was. Zijn ‘uniform’ was een korte beige stofjas, nooit had ie iets anders aan. Hij had een melkopslagplaats in de Oudwijkerlaan, waar hij geregeld in de ruimte boven zijn melkhandel sliep en soms thuis. Behalve melk bezorgen was hij ook goed in hardlopen: we zagen hem elk jaar de Maliebaanloop / Singelloop doen, en hij kon bepaald goed lopen. Toen hij in de jaren 90 stopte, ging hij bij zijn dochter in Wijk bij Duurstede werken in een cafe of restaurant. Ondanks allerlei pogingen kan ik niet vinden hoe hij heette; als iemand het weet hoor ik het graag, dan zoek ik een foto van hem op.

Groenteboer

De groenteboer Boon heeft ook jarenlang rondgereden in de buurt:

Groenteboer Boon voor de Bruntenhof
Groenteboer Boon voor de Bruntenhof

De foto is genomen voor de Bruntenhof maar ik ken geen jaartal. De groenteboer is de vader van Dirk Boon, en de opa van Taco en Majorie. Hij had ook een groentehandel in de Schalkwijkstraat:

Groenteboer Boon in 1976
Groenteboer Boon in 1976

Deze foto is uit 1976, rechts zie je de kratten voor de groente voor de winkel staan. De meningen verschillen of de man voor de deur opa Boon is of niet. De groentehandel is overgenomen door de broer van Dirk, Evert. Ergens in de 90er jaren is de winkel gesloten.

Anderen

Ik weet dat vroeger ook iemand langs kwam met verschillende soorten soep die in een grote stationcar in de achterbak vervoerd werd. Ik weet van een foto dat ook de bakker langskwam:

Bakkerskar
Bakkerskar

Ik verwacht dat ook de kolenboer en ‘peterolieboer’(met petroleum) langs kwamen, en voor die tijd ook de waterstoker met heet water:

Petroleumkar op Lepelenburg
Petroleumkar op Lepelenburg

De foto is genomen voor Lievendaal, aan de overzijde van de Singel. Er stond geen jaartal bij.

Ik kwam nog een foto tegen die opnieuw genomen is voor de Bruntenhof; ik heb geen idee wat er in die enorme kannen gezeten heeft; misschien ook heet water?

Kar met ketels, Bruntenhof
Kar met ketels, Bruntenhof