Maliesingel 55-64

Maliesingel 55

De huizen Maliesingel 55, 56 en 57 werden tegelijk gebouwd. De bouwtekeningen werden ingediend in 1872. Zoals overal aan de Maliesingel zijn de huisnummers vele malen veranderd; nummer 55 was eerst nummer 45 en daarvoor weer nummer 30. In de gemeentearchieven is niet altijd consequent hiermee omgegaan wat de gegevens soms minder betrouwbaar maakt, maar met wat doorzoeken is het toch gelukt een goed overzicht te krijgen.

Bouwtekening van Maliesingel 55, 56 en 57 uit 1872 (bron: Utrechts Archief)

De inschrijfdatum van de eerste bewoners wordt niet genoemd maar het was de familie Winkler. Daniel Gualtherus Winkler (Vianen 07.10.1821 – Utrecht 05.08.1902) , zijn vrouw Cornelia Gerarda Tienhoven (De Werken 10.08.1826 – Apeldoorn 11.07.1896) en hun dochters Henrica Christina (Vianen 19.09.1864 – Arnhem 02.08.1908) en Cornelia Daniela (Vianen 12.05.1866 – Veenendaal 07.12.1944). De andere 6 kinderen waren toen al weer het huis uit of jong overleden. Ze vertrekken in voorjaar 1890 naar de Maliestraat 7, om later naar Amsterdam te verhuizen. In beide gevallen was dat samen met het gezin van zoon Cornelis Winkler (Vianen 25.02.1855 – Apeldoorn 08.05.1941). Ze komen daarna wel weer terug naar Utrecht.

De Winkler familie is een familie met een eindeloze reeks aan artsen en hoogleraren. Cornelis is de bekendste geweest: hij was hoogleraar neurologie en psychiatrie, eerst in Amsterdam, daarna in Utrecht, en heeft behalve in zijn vakgebied ook veel gedaan voor de organisatie van het vak. Zijn zoon Klaas Christiaan Winkler werd overigens ook hoogleraar, in de bacteriologie (de schrijver van dit overzichtje heeft nog les van hem gehad!).

Prof Cornelis Winkler en zijn zoon prof Klaas Christiaan Winkler

Daarna komt er wonen Maria Henriette Veen (Haarlem 19.03.1809 – Huizen 28.03.1898) weduwe van Johan Jacob Schreuder (Krommenie 16.02.1822 – Haarlem 19.02.1882). Niet alleen zijn er verschillende inwonende dienstbodes, ook de tuinman woont in huis. Mevrouw Veen verhuist weer in mei 1892 naar Naarden. Het beroep van Johan wordt aangeduid als ‘artsenijmenger’ en daarmee wordt apotheker bedoeld. Hij was eerst gevestigd in Monnickendam, later in Haarlem en daarna Utrecht. Er waren overigens meer apothekers in de familie.

De volgende die er komen wonen is de familie Spronck:  Charles Henri Hubert Spronck (Beek 18.02.1858 – Zeist 03.12.1932), zijn vrouw Marie Rosalie Raphael Felici(t)e Josephine Neve (Houthem 26.02.1865), met zoon Emile Henri Spronck (Utrecht 14.02.1892 – Utrecht 21.12.1918) en dochter Elisabeth Anna Marie Felicie Augusta Spronck (Utrecht 15.03.1893). Later wordt er nog geboren Paul Henri Herman Spronck (Utrecht 04.12.1899 – Roosendaal 30.01.1967) en komt opa ook in huis, Joannes Henricus Aegidius Spronck (Maastricht 24.07.1828 – Utrecht 17.02.1902). De familie had verschillende inwonende dienstbodes in dienst, en ook een kinderjuffrouw. Sommige van hen kwamen ook uit zuid Limburg. Charles zou hoogleraar in de pathologie (ontleedkunde) worden. Hij had bij zijn opleiding ook in Parijs les gehad van Pasteur, wat later tot uiting kwam in zijn belangstelling voor de serologie. Ook opa was arts.

Prof Charles Spronck

Eind 1902 kwam er wonen Johan de Waal (Batavia 27.09.1848 – Den Haag 16.04.1922) met zijn vrouw Cornelia Anna Paulina Sutherland (Kedong [Oost Indie] 03.06.1850 – Den Haag 20.10.1920). Johan en Cornelia waren getrouwd in Bendoeng in 1877. Cornelia was de dochter van generaal majoor JBJ Sutherland, Johan was de zoon van Engelbertus de Waal, de minister van koloniën (zijn familie vormde de basis voor Hella Haases boek De Heeren van de thee). Ze vertrokken zomer 1904 naar Den Haag. Ze hadden drie kinderen gekregen waarvan hun dochter Engelbertha (“Bia”) overleed toen ze 17 was; de twee zoons vormden een tweeling. Johan was luitenant generaal van de Bereden Artillerie. Hij heeft ook een belangrijke rol gespeeld in de centrale organisatie van de Nederlandse padvinderij en in het Rode Kruis.

Familie De Waal: Johan, zijn vrouw Pauline, dochter Bia, en de tweeling Johan en Eduard (bron: edewaal.me)

De volgende bewoners was de familie Ausems: vader Andreas Wilhelmus Ausems (Heteren 11.04.1871 – Goirle 15.08.1946), moeder Elisabeth (“Betsy”) Maria Geertruida Theresia van Avezaath (Den Bosch 09.01.1880 – Tilburg 11.09.1960), en hun kinderen Catharina Theodora Maria Ausems ((Utrecht 16.06.1900 – Goirle 19.02.1979), Theodorus Johannes Maria Ausems (Utrecht 05.03.1902 – Utrecht 02.04.1936), en Wilhelmina Everarda Antoinetta Maria Ausems (Utrecht 25.04.1903 – Loon op Zand 02.06.1925). Ook de moeder van moeder woonde bij hen, Catharina Leonarda Francisca Everts (Den Bosch 30.12.1854 – Utrecht 07.07.1926) weduwe van Willebrordus Jacobus van Avezaath (Beesd 03.11.1839 – Den Bosch 13.10.1884). Later werd er nog geboren Andreas Wilhelmus Maria Ausems (Utrecht 25.12.1904 – Zaandam 31.05.1955) en Egbert Maria Ausems (Utrecht 10.05.1909 – Hooge en Lage Mierde 24.02.1990). De hele familie verhuisde eind 1909 naar de Biltstraat 107, waarna nog 5 kinderen werden geboren. Andreas was arts van beroep: eerst wilde hij werken als huisarts, en hij werd directeur van het Hieronymus weeshuis aan de Maliesingel, maar omdat hij zijn verloskundige kennis te kort vond schieten werkte hij daar aan, en werd uiteindelijk vrouwenarts. Hij werd de man van de 10.000 babies genoemd! Hij was wars van vertoon, en waar vele andere artsen zich per rijtuig lieten vervoeren, ging hij op de fiets langs zijn patiënten. Hij werd geroemd vanwege zijn gevoel voor rechtvaardigheid  en zorg voor de zwakkeren. Hij bleef zijn hele leven een Brabander.

Andreas Ausems, op zijn motor zoals hij ook naar zijn patiënten reed, en rechts in 1938 (bron: Utrechts Archief).

Begin 1910 kwam er wonen Petrus Paulus Adriaan Josephus Van der Pluijm (Utrecht 29.06.1868 – Utrecht 25.06.1956), met zijn vrouw Henriette Catharina Maria Smulders (Tilburg 07.06.1868 – Utrecht 09.12.1955) en hun kinderen Petrus Ludovicius Josephus Marie (Utrecht 26.05.1902), Cornelia Carolina Adriana Maria (Utrecht 16.05.1904), Joanna Albertina Maria (Utrecht 26.02.1906), Maria Henrietta Antonia (Utrecht 31.12.1907) en later werd er nog geboren Joannes Ludovicius (Utrecht 24.02.1911). Ze hadden zowel een dienstbode als een kinderjuffrouw inwonend.  Ze bleven er lang wonen, tenminste tot 1940. Petrus was leerlooier. Hij moet een grote leerlooierij gehad hebben om op de Maliesingel te kunnen wonen. Het zou me niet verbazen als hij werkte bij de leerlooierij Wessels aan de Minstroom (de brug daar heet niet voor niets de leerlooierbrug!) maar ik heb het bewijs hiervoor niet kunnen vinden.

Maliesingel 55 is ook nu een woonhuis.

Maliesingel 56

De bouwtekening van Maliesingel 56 wordt al gegeven bij nummer 55. Nummer 56 was voor 1901 nummer 46, en voor 1899 nummer 31. Het huis had wel een andere groep bewoners dan 55: bij 55 was het telkens één familie, meestal artsen die ook hoogleraar waren, die er woonden, terwijl op 56 er meestal een hoofdbewoner was die daarna een groot aantal kamers verhuurde aan anderen. Dat veranderde rond 1920.

De datum van inschrijving wordt niet gegeven maar de eerst ingeschreven familie is de familie Caspers. De dominee Franciscus Marinus Caspers (Utrecht 08.10.1813 – Utrecht 02.02.1892), zijn dochters Cornelia Elisabeth Caspers (Westbroek 06.05.1849 – Utrecht 23.12.1932), en Johanna Hendrika Susanna Caspers (Westbroek 28.05.1856 – Utrecht 29.07.1937) en zoon Cornelis Caspers 25.12.1854 – Utrecht 03.10.1911). Moeder was Adriana Margaretha Stam (Abcoude 12.07.1820 – Utrecht 22.10.1876); ze was al overleden voor de familie er kwam wonen. Hun vroegere huishoudster is al die tijd ook bij hen blijven wonen: Louisa Antoinetta Sophia Hamelberg (Kuik 09.04.1834 – Utrecht 03.02.1910), wiens vader en broer ook predikant waren geweest. Ze hebben een grote schare aan dienstbodes in dienst gehad; ik telde er tenminste 33 in de tijd dat ze er woonden. Franciscus was dominee geweest in Kolhorn (bij Schagen in Noord-Holland) en Westbroek. Toen vader overleed bleven de kinderen er wonen, maar namen wel iemand op kamers: in 1905 Anna Maria Rietbergen (Arnhem 08.06.1871 – Utrecht 28.02.1960), weduwe van Willem Karel Metgod (Oudewater 11.02.1875 – Utrecht 12.04.1905) die net als zijn vrouw bij de NS had gewerkt. Ze verhuisden in voorjaar 1907 naar Maliesingel 27. Anna Maria zou later hertrouwen met Johannes Lambertus van der Wurff (Utrecht 12.01.1861 – Utrecht 01.02.1938).

De volgende die kwam was Rieko Schuringa (Wildervank 05.10.1868 – Amsterdam 1925) met zijn vrouw Cornelia Wilhelmina Gerretsen (Oudewater 25.03.1872 – Amsterdam 25.04.1943). Later werd er geboren hun zoon Rico Cor Elise Rudolph Sietse Schuringa (Utrecht 04.07.1908 – Amsterdam 25.03.1943) en zoon Cor Willem Schuringa (Nunspeet 10.11.1912 – 17.12.1966) na hun verhuizing. Rieko was commissionair in effecten; wij zouden nu zeggen effectenhandelaar. Ze namen wel mensen op kamers, waarvan het opvalt dat velen al wat ouder waren, zoals Catharina Johanna Schuitemaker (Medemblik 06.11.1851) die gescheiden was van Leonard Gerard Vernee (Hoorn 30.01.1847) en eerst in de Hugo de Groot 16 bis had gewoond; Sophia Gijsbertha Honig (Utrecht 24.08.1808 – Utrecht 24.05.1908) weduwe van Pieter Antoni Roeper Bosch (Groningen 10.10.1816 – Utrecht 10.02.1897), die mede naamgever was van de firma Bosch-Honig & co aan de Steenweg 3 en later Korte Jansstraat 1. Waar de welgestelden hun kunst en chique meubelen kochten, en ook een soort houten Lego van Nederlands fabricaat, Mobaco. De firma bestaat nog steeds maar handelt nu in effecten.

De Bosch-Honig winkel aan de Korte Jansstraat 1 rond 1925, en een advertentie voor Mobaco speelgoed uit dezelfde tijd.

Anderen die bij de familie Schuringa woonden waren Pieter Moll (Enkhuizen 01.04.1831 – Utrecht 16.12.1918) met zijn vrouw Jacoba Maria Boomkamp (Edam 16.01.1836 – Utrecht 18.05.1914), die bij het Spoor hadden gewerkt, en de familie Veeren: Johannes Judith Veeren (Den Haag 16.02.1846 – Utrecht 27.05.1910), diens zoon Willem Philip Veeren (Utrecht 22.09.1890 – Wassenaar 03.06.1955) en dochter Elisabeth Catharina Maria Veeren (Zuilen 30.04.1882 – Den Haag 05.12.1918) met haar man jonkheer Burchard Gerbrand Edouard Elias (Den Haag 20.03.1871 – Den Helder 03.12.1909). Johannes was ontvanger bij de belastingdienst geweest. Nog weer later kwam ook nog Johan Gilles Remijnse (Goes 19.01.1878 – ) die arts was, en Marie Elise Nepveu tot Ameide (Groningen 27.06.1857 – Utrecht 03.03.1942) die uiteraard haar eigen dienstbode meenam; zij woonde eerder in de Johan van Oldenbarneveltlaan 7, waar haar familie uitgebreider beschreven wordt.

In zomer 1911 kwam er wonen Jacob Antonie Van Brakel (Willemstad 17.01.1865 – Utrecht 29.10.1937) met zijn vrouw Christiana Maria van der Heijden (Oss 08.12.1870 – Utrecht 02.05.1946) en hun zoon Jan (of Johan) Anthonie Christiaan Van Brakel (Utrecht 15.06.1896 – Utrecht 20.09.1967). Jacob was sergeant majoor bij de genietroepen geweest. Ze namen op kamers Hendrik Gerrit Cannegieter (Den Haag 19.07.1879 – Utrecht 14.11.1964) die toen als assistent bij de universiteit werkte, later meteoroloog en hoogleraar werd, en uiteindelijk directeur van het KNMI. Hij heeft boeken over wolken geschreven, zowel voor leken (“Wat leren ons de wolken?”) als een officiële internationaal geaccepteerde indeling van wolken.

Hendrik Gerrit Cannegieter in ~1910 en 1918 achter een theodoliet en met een loodsballon bij Soesterberg (bron: Ministerie van Defensie).

Later kwam nog Frederika Sorg (Soerabaja 28.02.1843 – Groningen 17.12.1940), weduwe van Hendrik Louis Benjamins (Arnhem 01.02.1836 – Leiden 03.01.1899). Ik vermoedt dat Hendrik een regent op een van de eilanden van Java is geweest maar ben er niet zeker van.

Daarna, rond 1918, kwam er wonen baron Antonius (Antoine) Ignatius Maria Josephus van Wijnbergen (Loenen 08.03.1869 – Amsterdam 01.03.1950). Zijn vrouw was Pauline Elisabeth van Sonsbeek (Amsterdam 21.05.1872 – Voorburg 25.04.1945). Hun kinderen Elisabeth Hermance Antonia Maria (Eindhoven 23.06.1899) en Jan Willem (Arnhem 09.08.1905 – Utrecht 23.08.1932) waren waarschijnlijk al het huis uit. Antoine was zoon van een wethouder in Apeldoorn, werd advocaat, rechter, en in 1903 tweede kamerlid als vooraanstaand strijdbaar katholiek politicus (tot 1933). Later was hij ook partijvoorzitter. Van hem kwam de uitspraak ‘Socialisten zijn canaille” wat hem de bijnaam “Baron Canaille” opleverde.

Baron Antoine van Wijnbergen (bron: www.parlement.com), rechts als curator van de RU Utrecht (bron: Utrechts Archief).

De volgende bewoner, rond 1930, was A van de Water. Hij was leraar Nederlands en ook de directeur van de Gemeentelijke HBS aan de Catharijnesingel 62. Helaas zijn er duizenden ‘Vande Waters’ in Utrecht geweest in die tijd waarvan vele tientallen met een voornaam die met een A begint. Ik vond nog wel een foto van hem, maar wie hij precies was en hoe zijn gezin er uit zag weet ik niet.

Directeur A van de Water voor ‘zijn’ HBS, links rond 1935, rechts rond 1910 (bron: Utrechts Archief).

Rond 1940 woonden er Gerard Maria Slothouwer (Franeker 25.05.1860 – Utrecht 27.10.1942), met zijn vrouw Johannetta Frederika Kool (Arnhem 30.01.1864 – Utrecht 21.03.1942, en Jan Frans Adolf Slothouwer (Rotterdam 15.08.1899 – Utrecht 10.10.1969) met zijn vrouw Hermina Maria Breukink (Vlissingen 16.03.1898 – Utrecht 1984). Gerard was leraar en directeur van de HBS in Wageningen, Jan was ingenieur bij NV Spoorweg Bouwbedrijf. Dat bedrijf was in feite opgericht om het hoofdkantoor van de latere NS te bouwen: de Inktpot aan de Catharijnesingel. Het bouwbedrijf is later Strukton geworden.

Maliesingel 56 is ook nu een woonhuis.

Maliesingel 57

De huizen Maliesingel 55, 56 en 57 werden tegelijk gebouwd. Dit wordt bij nummer 55 beschreven. Het is opvallend dat een aantal bewoners zo lang op hetzelfde adres op 57 bleef wonen.

De eerst ingeschrevene was Pieter Cornelis Visser (Giesendam 18.09.1857 – Den Haag 07.04.1909) met zijn vrouw Janna Magrietta Blokland (Hardinxveld 02.11.1855 – Den Haag 18.12.1935), en zonen Gerrit Visser (Utrecht 23.10.1885  – Breda 27.07.1968) en Jan Visser (Utrecht 07.12.1886 – Velp 17.02.1967), plus hun twee inwonende dienstbodes Ariaantje Hoogendoorn (Giesendam 05.03.1870) en Neeltje Ambachtsheer (Hardinxveld 24.09.1870). Later werd er nog geboren hun dochter Cornelia Wilhelmina Visser (Utrecht 09.01.1891 – Alkmaar 13.01.1953). Pieter was civiel ingenieur van beroep, werkte bij publieke werken in Amsterdam en was lid van de gemeenteraad in Utrecht van 1892 tot 1895. Zijn zoon Jan werd scheepsbouwkundig ingenieur van 1913 tot 1952 bij De Schelde in Vlissingen en heeft vele schepen voor de toenmalige Rotterdamse Lloyd ontworpen waaronder schepen als ‘Dempo’, ‘Baloeran’ en (voor de Zweden-Amerika lijn) ‘Kungsholm’. Jan regelde het dat hij niet alleen de achternaam van zijn vader maar ook die van zijn moeder mocht dragen (daar is een koninklijk besluit voor nodig), waarna hij en zijn nakomelingen Blokland-Visser gingen heten. Deze tak van de familie Blokland zou anders uitsterven omdat er geen manlijke nakomeling was. De hele familie verhuisde najaar 1894 naar Amsterdam.

Pieter Visser in 1890 (bron: Utrechts Archief) met rechts de ‘Baloeran, een van de schepen die zijn zoon Jan ontwierp

In 1895 kwam de familie Kluit over van Maliesingel 61. Deze familie is daar in meer detail beschreven. Daarna volgden in juni 1902 jonkheer Cornelius Rudolphus Theodorus Krayenhoff (Den Helder 06.06.1865 – Wassenaar 14.09.1948) en zijn vrouw Louise Anna Holle (Batavia 17.10.1872 – Wassenaar 31.03.1931) met hun kinderen Albertus Krayenhoff (Utrecht 14.03.1896 – Utrecht 08.06.1988) en Hendrik Lodewijk Krayenhoff (Utrecht 11.06.1898 – Wassenaar 25.03.1988). In 1911 voegde zich bij hen de zus van Louise, Pauline Holle (Moendjoek 06.10.1875 – Menton 04.04.1938), echtgenoot van Willem George Antoine Brewer (Batavia 29.06.1870- Ede 20.05.1935). Cornelius was werkzaam bij de NS, en was voorzitter van de Algemene Nederlandse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer. Hij is verwant met de familie Krayenhoff die in dezelfde periode in de Hugo de Grootstraat 9 woonde; de familie is daar in meer detail beschreven. De familie blijft minstens 20 jaar op nummer 57 wonen. Na overlijden van Louise zou Cornelius hertrouwen met Elise Mathilde van Beuningen (Utrecht 09.07.1890 – Wassenaar 09.08.1941).

Na deze familie komt er wonen Johanna Maria Kooij (Krimpen aan de IJssel 16.12.1879 – Utrecht 26.08.1952). Ze is nooit getrouwd geweest, wel woonde haar vriendin C Spaans vele jaren bij haar. Ze was een van de eerste vrouwen die geneeskunde ging studeren, in Utrecht. Ze werd internist, en specialiseerde zich vooral in infectieziektes. Ze werd later de rechterhand van prof Heymans van den Bergh, een beroemdheid in die tijd. Ze bleef op nummer 57 wonen tot haar overlijden in 1952.

Dr Johanna Kooij, interniste (bron: Utrechts Nieuwsblad 27 augustus 1952)

Nummer 57 is ook nu een woonhuis.

Maliesingel 58

De huizen die nu Maliesingel 58 en 59 vormen werden gebouwd als Maliesingel 48 en 49, en zijn een van de oudste van dit deel van de Maliesingel:

Bouwtekening van Maliesingel 58 en 59 uit 1875

De eerste bewoner van Maliesingel 58 was de familie Van der Goes: Lodewijk Frederik Anton Van der Goes (Gendt 01.09.1845 – Nijmegen 11.12.1920), zijn vrouw Elisabeth Hendrika Ort (Gorcum 17.02.1852 – Arnhem 01.02.1935), en hun zoon Aert van der Goes (Den Haag 03.07.1875 – Hammond Place [UK] 13.04.1937). Hun eerste inwonende dienstbode was Maria Catharina Starren (Gronsveld 10.12.1867). Ze bleven er wonen tot Juli 1894, waarna ze verhuisden naar Groningen. Lodewijk was generaal majoor van de infanterie. Hij zou later in de adelstand verheven worden en zich jonkheer mogen gaan noemen; andere takken van de familie behoorden al tot de adel, beginnend met Aert van der Goes in 1545 die raadspensionaris voor Holland was. Ik vond een foto van de familie van der Goes met grootvader Aert (burgemeester van Gendt) waar Lodewijk als kind op staat.

Familie van der Goes rond 1860. De jongen midden achter is zeer waarschijnlijk Lodewijk (bron: RKD site).

Daarna kwam Arend Jan Nijland (Delden 20.06.1826 – Utrecht 01.01.1916 ) die tot zijn pensionering hoofdonderwijzer en daarna district schoolopziener is geweest. Zijn vrouw was Helena Cornelia Julius (Utrecht 19.01.1829 – Utrecht 23.07.1860); zij was op 16-07-1860 van een zoontje Antonie bevallen en moet in het kraambed overleden zijn. Het zoontje overleed op 13-03-1868, toen hij 7 jaar oud was. Arend Jan trouwde voor de tweede, nu met Theodora Niemeijer (Wageningen 15.07.1837- Utrecht 31.03.1873) die ook al jong overleed. Hij woonde op nummer 58 met zijn zoon Antonie (Utrecht 25.08.1872 – Kansas City 26.01.1913), zijn zuster, de weduwe Berendina Johanna Van Diest – Nijland (Delden 15.05.1828 – Utrecht 29.2.1908) en haar dochter Wilhelmina Cornelia (Utrecht 17.11.1861- Den Haag 20.11.1936). De andere kinderen, Meindert (1865-1937), Johannes (1867 – 1867), Albertus (1868 – 1936), en Cornelia (1870-1963) waren het huis al uit of al overleden. Arend Jan is ook voorzitter geweest van het Genootschap Kunstliefde. Ze verhuisden  in Maart 1906 naar de Johan van Oldenbarneveldlaan 9, die toen net afgebouwd was. Alleen de zoon ging niet mee, die was eerder naar Blokzijl verhuisd.

Daarna woonden er een groot aantal mensen, vaak korte tijd. Jan van der Bilt (Kapelle 20.04.1886 [volgens andere bronnen 23.04.1876] – Doorn 21.09.1962), observator van de Sterrenwacht en later ook lector Sterrenkunde aan de Rijksuniversiteit Utrecht, woonde er met vrouw Petronella Vernee (Scheveningen 28.06.1876 – Amstelveen 21.06.1951) en dochter Catherine (Utrecht 02.04.1906) die ervoor aan de Hugo de Grootstr 35 woonden. Waarschijnlijk woonden ze daar tijdelijk omdat Catherine net 4 weken oud was. Het echtpaar is in 1918 gescheiden, en Jan is toen hertrouwd met Johanna Alida de Kanter (1880 – 1946).

In 1907 kwam jonkheer Yman Dirk Quarles van Ufford (26.06.1891 – 29.12.1956) er wonen, met Jeanne Isoz (Geneve, 06.06.1886), uiteraard ook van adel van een familie die wijd verspreid over de wereld woont, maar toch vooral in Zwitserland. Ze wordt zijn gouvernante genoemd, wat wel bijzonder is omdat ze nauwelijks ouder is dan hij; wellicht hadden ze andere redenen om samen te wonen maar kon dat in die tijd niet als zodanig benoemd worden. Uiteraard kun je veel van hem terugvinden in het Nederlands Adelboek, inclusief een foto:

Yman Quarles van Ufford als majoor van de cavalerie

Nadien volgen een rij met andere bewoners, zoals de families Evenblij en Romijnse. Daarna woonde er Raphael Isaac Wraslouski, ook wel gespeld Wrazlowsky of varianten daarvan (Halberstadt 26.03.1885 – Auschwitz 07.09.1942). Hij deed eerst in zeven van paardenhaar en, op basis daarvan, daarna in bakkersgereedschap. Ik zocht op wat dat met elkaar van doen heeft: een teems is een zeef van paardenhaar die al eeuwenlang gebruikt werd om melk te zeven en onzuiverheden er uit te halen. Bakkers gebruikten die blijkbaar ook; of dat voor melk is of voor meel weet ik niet. Raphael had een familielid in Den Bosch die in de periode hetzelfde beroep had. Ook nu nog kun je trouwens zulke zeven kopen. De zaak zat in de Zadelstraat 28. Raphael was getrouwd met Eva Denneboom (Kloosterveen 30.09.1878 – Utrecht 28.08.1956); ze kregen 3 kinderen waarvan twee bij of kort na de geboorte in 1908 en 1909 overleden. Hun dochter Adelheid Johanna (Utrecht 24.08.1911 – Bergen Belsen ?.03.1945) trouwde in 1937 met Leire Dekker. Het echtpaar had ervoor in de Vrouwjuttenstraat 35bis gewoond, samen met de zus van Eva, Saartje.

Vreemd genoeg kan ik zelfs in grote databases verder nauwelijks wat over de familie vinden. Dat komt misschien door de verschillende manieren waarop de naam geschreven kan worden. Exact deze spelling vind ik bij Alfred Goud Smith (“Goudsmit”), antropoloog, die in 1904 in Den Haag geboren is, later ging werken in de VS, en die noemt dat zijn vader Wraslouski heette. Ik vond ook iemand met exact deze achternaam die secretaris was van de Utrechtse vereniging “Israel” en die een brief van Albert Einstein liet publiceren in het Utrechts Nieuwsblad van 1932, waarin Einstein aandacht vroeg voor de vervolging van joden in Oost Europa. Wrang, want helaas maar al te juist: Raphael is op 4 September 1942 zelf afgevoerd naar Auschwitz, waar hij op 7 September werd vermoord. Zijn naam staat op het monument bij het Spoorwegmuseum. Ook zijn dochter Adelheid en haar man Levie werden afgevoerd en overleden op resp 1 maart en 1 februari 1945 in Bergen Belsen. Eva overleefde de oorlog wel en kwam terug naar de Maliesingel, waar ze bleef wonen tot haar overlijden in 1956.

Naam van Raphael Wrazlowski (Wraslouski) op het monument voor het Spoorwegmuseum

Zeer waarschijnlijk is hij een broer van Rosalia Wrazlowsky (1896-1943) die zelf in Sobibor overleed. Zij noemt Raphael als een van haar 14 broers en zussen. Zij was de dochter van Salomon Isaac Wrazlowsky en Adelheid Cohen Gewurtzman, die dus waarschijnlijk ook de ouders van Raphael waren. Zij was geboren in Enschede maar haar ouders kwamen uit Den Haag, net als de ouders van Alfred Goud Smith, wat er voor pleit dat ze uiteindelijk tot dezelfde familie behoren. Er zijn meer gegevens beschikbaar in het NIOD maar die zijn niet via het internet toegankelijk. Ook in de VS wonen een aantal mensen met deze achternaam maar dat is alleen tegen betaling beschikbaar.

Overlijdensadvertentie van de moeder van Raphael Isaac Wrazlowski in het Nieuw Israelisch Dagblad 1928

Maliesingel 58 is ook nu nog een woonhuis.

Maliesingel 59

De bouwtekening voor Maliesingel 58 en 59 werd in 1875 ingediend:

Bouwtekening van Maliesingel 58 en 59 uit 1875

De eerste bewoners woonden er maar kort: Theodora Everharda Agnita De Wolf van Westerrode (Utrecht 20.08.1821 – Den Haag 07.01.1903), weduwe van Conrad van Erpers Royaards (Huissen[Gelderland] 01.07.1821 – Nijmegen 26.08.1883) met haar dienstbode Maria van Dijk (Maartensdijk 26.02.1867). Ze vertrokken samen al weer in voorjaar 1890 naar Den Haag. De familie Van Erpens Royaards is een erg oud adellijk geslacht met een eindeloze reeks aan bestuurders bij de voorvaderen. In de meer recente tijd zijn er velen toneelspelers en –regisseurs bij de familieleden. De naam Royaards is afgeleid van het landgoed De Rooy te Waalre. Misschien daarom het zwemmende eendje in hun wapen?

Wapen van de familie Royaards (bron: wikipedia).

Daarna kwam de familie Engelenburg: Lucas (“Eduard”)  Christiaan Frederik Eduard Engelenburg (Batavia 15.04.1858 – Menton [Frankrijk] 01.03.1924), zijn vrouw Johanna Jacoba Delia (Den Haag 12.04.1860 – Oberstdorf [Duitsland] 18.02.1928) met twee inwonende dienstbodes. Later werd er geboren hun zoon Frans Thomas Engelenburg (Utrecht 25.05.1892 – Oberstdorf [Duitsland] 25.05.1938). Lucas was ingenieur van beroep, werd meteoroloog, en werkte van 1887 tot 1893 bij het KNMI, het laatste jaar als directeur. Ze vertrokken in najaar 1893 naar Den Haag, waar ook hun dochter Anna Jacoba (“Annie”) Engelenburg (Den Haag 15.01.1896) geboren werd. Lucas kwam daar  in dienst bij Rijkswaterstaat, en werkte en publiceerde vooral over getijden en zeestromingen aan de Nederlandse kust. Het echtpaar is in 1910 gescheiden.

Johanna was de dochter van Johannes Delia die als architect in Den Haag een aantal prachtige gebouwen ontwierp. De familie van Engelenburg is terug te voeren op een stamvader Hendrijck Bernsen en zijn familie, die begin 1600 in Veenendaal woonden. De familienaam Van Engelenburg wordt in 1725 voor het eerst gebruik, en is zeer waarschijnlijk afkomstig van de boerderij “Engelenburg” ten zuiden van Veenendaal, en het land dat zich van deze boerderij uitstrekte tot in Veenendaal zelf. Er wonen ook nu nog de meeste mensen met de achternaam Van Engelenburg in die regio. De familie heeft een prachtige en goed onderbouwde site met veel gegevens over de familie: www.vanengelenburg.nl

De vroegste cartografische aanduiding van “Engelenburg” in de Tabula Nova Provinciae Ultrajectinae van De Roij: de boerderij ligt aan de Cuneraweg tussen Veenendaal en Rhenen (bron: www.vanengelenburg.nl).

Vervolgens woonde er Johan George Frederik van Houtum (Amsterdam 01.03.1840 – Den Haag 05.06.1907) met zijn vrouw Anna Maria Jacoba Vaillant (Breda 04.05.1840 – Den Haag 15.01.1920), hun dochter Antoinetta Maria van Houtem (Brielle 13.07.1868 – Den Haag 18.07.1921), en verschillende dienstbodes. Later voegde zich bij hen hun zoon Godefridus van Houtem (Brielle 23.06.1870 – Den Haag 10.10.1949). Johan was toen kolonel en werd uiteindelijk generaal-majoor, en commandant van de Stelling van Amsterdam. Godefridus werd arts en had een tijdje in West Indie gezeten. Ze verhuisden in najaar 1897 naar Amsterdam behalve Godefridus die naar Rotterdam ging. Hij promoveerde bij prof Spronck, die in die tijd een paar huizen verderop woonde (Maliesingel 55). Hij werd bacterioloog, werkte in Zuid-Afrika, Ceylon en Batavia, specialiseerde zich daarna in de urologie en werkte als zodanig jarenlang in het Bronovo in Den Haag.

Johan van Houtum, generaal majoor (bron: www.stelling-amsterdam.nl)

De volgende bewoners, in voorjaar 1898, zijn Hessel Zeehuisen (Leeuwarden 17.02.1858 – 05.06.1938) en zijn vrouw Agatha Meursing (Nieuwendam 12.08.1857 – 06.06.1919). Hessel was geboren in Leeuwarden, volgde de studie medicijnen in Amsterdam, waar hij in 1884 met Agatha trouwde. Agatha kwam van oorsprong uit Nieuwendam wat in feite in Amsterdam-Noord ligt en bijvoorbeeld Buiksloot omvat. Nieuwendam werd zo genoemd omdat het ontstond toen na een dijkdoorbraak in 1516 een nieuwe dijk werd aangelegd. Hessel promoveerde in 1882 bij Stokvis op het proefschrift “Over temporaire anaemie van spieren en zenuwen”. Later werd hij inwonend assistent in het Binnen-Gasthuis, bij diezelfde prof Stokvis. Hij verhuisde vanuit Amsterdam naar de Maliesingel. Behalve Hessel en Agatha  gingen hun dochters Johanna (Amsterdam 08.11.1890), Cornelia (Amsterdam 14.06.1893) en Ida (Naarden 03.11.1885) mee, plus hun dienstbode Geesje Riezebos (Kampen 20.01.1875). Hessel werkte als officier van gezondheid in het leger in het Militair Hospitaal, hield zich bezig met keuringen, maar vooral ook met geneesmiddelen onderzoek. In mei 1906 vetrokken ze weer naar Assen, omdat hij overgeplaatst werd. Mogelijk had dat te maken met de zaak van Idske Toering: een rekruut die, hoewel ziek, overgeplaatst werd, en een week er na overleed. Dat leidde zelfs tot Kamervragen (“de zaak Toering”), maar dr Zeehuisen werd niet schuldig bevonden hieraan. In 1910 kwam hij weer terug als directeur van het Militair Hospitaal. In de eerste wereldoorlog was hij chef van de Geneeskundige Dienst van de Utrechtse Waterlinie. Hij werd later benoemd als generaal-majoor. Mensen die hem kenden noemden hem een eenvoudig, vriendelijk, eerlijk en bescheiden man: in het Binnen-Gasthuis werd hij liefkozend het ‘kind met de baard’ genoemd.

Dr Hessel Zeehuisen

Daarna woonde er kort de weduwe Johanna Mispelblom Beijer (Zutphen 06.05.1831) met haar jongere nichtje Jacomina Mispelblom (Rossum 19.07.1872). Toen de weduwe op 29.06.1908 overleed, kwam in haar plaats er de 80 jarige Bastiaan Mispelblom Beijer (Zutphen 14.12.1828) wonen, maar al weken erna verhuisden ze weer naar de Parkstraat 4.

De volgende bewoners was de familie Gerardus Van leer (Utrecht 07.07.1860) gehuwd met Maria Elferink (Amsterdam 22.01.1868) en hun dienstbode Annette Schoenmakers (Utrecht, 02.11.1883). Ervoor woonden ze een paar huizen verder, Maliesingel 52, waar ze in 1901 waren komen wonen vanuit Zadelstraat 26. Bij de militaire keuring werd van hem gezegd dat hij 1.66 lang was, en hij vanwege ‘lichaamsgebreken’ werd vrijgesteld. Die werden verder niet benoemd. Hij was hoedenmaker van beroep, maar ik vond niet dat hij een eigen winkel had. Er waren toen wel een aantal hoedenwinkels in Utrecht en waarschijnlijk was hij bij een van hen in dienst. Wanneer hij precies vertrok heb ik niet kunnen vinden.

Begin jaren 30 kwam er de familie Hamburger wonen. Abraham David (11.03.1893-20.03.1973) was een zoon van Jezaja Hamburger (1859-1929) en kleinzoon van Abraham Hamburger (1828-1891), die de Koninklijke Nederlandse Lood- en Zinkpletterij oprichtte. De hele geschiedenis staat mooi beschreven in Wikipedia. De fabriek stond in Lombok, grenzend aan de Damstraat:

De zink- en loodpletterijen van Hamburger, voor de sloop in 1986

De hoeveelheid vervuiling die die fabriek gaf was enorm. De melk van de koeien die in het nabijgelegen weiland stonden, was zelfs ondrinkbaar! Waar toen fabrieken stonden staan nu huizen, maar de grond eronder is nog wel nog steeds vervuild. Abraham David trouwde met Johanna Van der Perk (1893 – ?.03.1973), zover mij bekend kregen ze geen kinderen.

In 1977 werd Maliesingel 59 onderdeel van de Nikola kommuniteit (zie Maliesingel 63 en 64). Passend bij de tijd verscheen er van een van de bewoners in 1979  een stukje in de Nieuwe Revue, omdat hij als magazijnbediende net als zijn buren ook een naambordje aan de voordeur bevestigde:

Jacques Wit met zijn naambordje bij Maliesingel 59 (bron: Nieuwe Revue 1979)

Maliesingel 60

De eerst ingeschrevenen op nummer 60 zijn de familie Kapteijn en hun dienstbodes: Willem Kapteijn (Barneveld 16.08.1849 – Utrecht 06.12.1927), zijn vrouw Anna Catharina van Heijst (Wageningen 28.06.1863 – Utrecht 08.06.1938)en hun kinderen Anna Catharina Kapteijn (Utrecht 20.05.1886 – Dordrecht 09.06.1972) en Gerrit Jacobus Kapteijn (Utrecht 01.05.1888 – Delft 30.03.1906). Hun dienstbodes  waren Oetje Van Busken (Langbroek 10.12.1868) en Johanna Helena van der Palm (Gouda 01.04.1869). Ze verhuisden naar de Stationsstraat 13 in de zomer 1891. Willem was hoogleraar wis- en natuurkunde, en wel in de beschrijvende meetkunde, integraalrekening, de theorie der functiën, de waarschijnlijkheidsrekening en de hogere stelkunde. Hij was van 1900 tot 1901 rector magnificus van de RU Utrecht. Zijn broer Jacobus zou hoogleraar astronomie worden in Groningen.

Prof Willem Kapteijn (bron: Catalogus Professorum)

Ik kan niet nalaten ook de foto toe te voegen die in 1917 werd gemaakt van vel van de hoogleraren in Utrecht, in de Senaatszaal in het Academiegebouw aan het Domplein ter gelegenheid van de benoeming van de eerste vrouwelijke hoogleraar aan de RU Utrecht, Johanna Westerdijk. Bijzonder dat men in die tijd een paar personen buiten het kader liet vallen!

Utrechtse hoogleraren bij elkaar in 1917 in het Academiegebouw. Nummer 32 is prof Willem Kapteijn (bron: Tijdschrift Het Leven Geïllustreerd 1917)

Een paar maanden erna werd ingeschreven Maria van der Hoeven (Rotterdam 28.02.1825 – Rotterdam 09.01.1897), weduwe van Johannes Visser (Rotterdam 30.05.1813 – Rotterdam 11.10.1878), met haar dochter Cornelia Visser (Rotterdam 03.09.1865). Ze verhuisden in zomer 1895 weer terug naar Rotterdam.  Johannes was scheepsbouwmeester geweest. Waarom de familie voor 4 jaar van Rotterdam naar Utrecht verhuisden is niet duidelijk.

Dezelfde zomer kwam er wonen Derk (of Dirk) Lameris (Grijpskerk 04.09.1847 – Utrecht 23.11.1924) met zijn vrouw Christina Jans van Smirren (Vollenhove 13.12.1845 – Utrecht 09.04.1919) en hun kinderen Hidde Jan (Zwolle 10.06.1872 – Utrecht 27.11.1948), Catharina Saakje (Utrecht 04.12.1876), Christine (Utrecht 21.11.1880) en Carolina Adriana (Utrecht 21.01.1884). Later voegde zich bij hen Dirk Christiaan Lameris (Utrecht 22.01.1879). Ze hadden op kamers Conrad van Erpers Royaards (Montfoort 26.06.1883) en Johan Frederik Theodoor van Erpens Royaards (Montfoort 17.07.1884). Conrad’s en Johan’s opa had kort op nummer 59 gewoond, niet lang ervoor, wat mogelijk zorgde dat zij de kamer konden huren. Voor een beschrijving van de familie zie Maliesingel 59.

Vader Derk was hoofdonderwijzer, aan de openbare lagere school (voorloper van de basisschool) aan Schoolplein 6. De school werd ook wel de school van Lameris genoemd. Lagere scholen werden toen ingedeeld in verschillende soorten, oplopend van de armenschool tot de school van de 5e klasse. De school van Lameris was er een van de 5e soort, uiteraard alleen voor jongens. Later werd dit gebouw de Tweede Christelijke HBS (de Ragay school).

De Openbare School aan Schoolplein 6 in 1908 (de straat links is de Parkstraat) en rechts de 5e klas van die school die ook de school van Lameris werd genoemd, in 1912 (bron: Utrechts Archief).

Zoon Dirk was de oprichter van de medische instrumenthandel  die op de hoek van de Nieuwe Gracht zat. Zoon Hidde Jan was medisch student toen ze er kwamen worden, werd chirurg en hoogleraar Chirurgie in 1906 aan de RU Utrecht. Hij stond bekend om zijn uitzonderlijke handvaardigheid, zijn bijna militaristische gehechtheid aan tucht en discipline, en het feit dat hij geen woord te veel sprak. Een bekende uitdrukking van hem was “Le mouvement, c’est la vie”.

Prof Hidde Jan Lameris, links in 1917 in een tekening van zijn collega prof Vogelzang, rechts in 1932 (bron: www.utrechtaltijd.nl)

In voorjaar 1909 kwam er wonen Benjamin van Delden (Stad Delden 19.05.1847 – Utrecht 18.02.1913), zijn vrouw Lucia Wilhelmina Henriette Elisabeth Van den Heuvel tot Beichlingen gezegd Bartolotti Rijnders (Delft 14.07.1847 – Utrecht 10.02.1913) met hun zoon Lucien Johannes Cornelis van Delden (Semarang 27.08.1881 – Delden 16.02.1968) en de zus van Lucia, Johanna Cornelia Sophia Jacqueline Van den Heuvel tot Beichlingen gezegd Bartolotti Rijnders (Nijmegen 18.03.1857 – Nijmegen 06.08.1940). De andere kinderen, Benjamin (Nijmegen 13.09.1875 – Rotterdam 12.03.1963), en Eliza Jacques Henri (Kraksaan [Java] 08.08.1883 – Den Haag 25.07.1952) waren al het huis uit. Ze verhuisden eind 1910 naar de Stadhouderslaan 45. De naam van Lucia en Johanna bevat 51 tekens (of 58 als je de spaties meetelt) en is daarmee volgens het Meertens Instituut de langste achternaam van Nederland. De naam is opgebouwd uit aparte delen, waarvan er telkens een werd toegevoegd als een familie een nieuwe heerlijkheid aan hun bezit toevoegde. Beichlingen is een plaats in de Duitse deelstaat Thüringen. Bartolotti is afkomstig van de koopman Giovanni Bartolotti uit Bologna die introuwde in de familie Van den Heuvel tot Beichlingen en zijn geld achterliet voor de familie, die er het Huis Bartolotti van bouwde in Amsterdam aan de Herengracht 170-172. Het is een zeer oud adellijk geslacht waar nu maar enkele naamdragers meer van over zijn.

Slot Beichlingen links en het Huis Bartolotti in Amsterdam rechts

Zowel vader Benjamin als zoon Lucien waren arts. Benjamin was directeur van een “krankzinnigengesticht”; ik verwacht dat hij psychiater was maar heb dan niet met zekerheid kunnen vaststellen. Lucien was chirurg en staflid bij prof Lameris; wellicht dat hij ook zo op nummer 60 kwam te wonen?

In het voorjaar van 1911 kwam er wonen Dirk Jan Bunschoten (Utrecht 18.01.1875 – Zeist 07.05.1929) met zijn vrouw Mechteldina Dwars (Deventer 24.09.1875 – Baarn 10.02.1945) en hun kinderen Gerritdina Rolina Christina Louisa Bunschoten (Utrecht 27.11.1901 – Leusden 27.09.1981) en Gerharda Engberta Bunschoten (Utrecht 10.02.1905) en de moeder van Mechteldina, Gerritdina Ten Katen (Kampen 01.09.1856 – Utrecht 28.11.1911), weduwe van Frederik Antonie Dwars (Deventer 1843 – Deventer 14.02.1903). Ze woonden er tot begin jaren 30. Dirk Jan was koopman, en lid van de firma Bunschoten en de Gooijer, een bekend modehuis voor heren in Utrecht waarvan de winkel en het atelier zat op wat we nu kennen als Oude Gracht 65 (naast de St Augustunus kerk).  Weer later werd jet Oude Gracht 118, en begin 50er jaren werd het bedrijf hernoemd in Willemars. Ik stuitte bij het nazoeken op verschillende advertenties van het bedrijf waarin men om ‘zwartwerkers’ vroeg; ik schat dat zwartwerken in de modewereld ook een andere betekenis kan hebben dan de betekenis die wij er nu aan hechten, hoewel bijzonder is dat in een ervan er boven staat ‘Grootwerker’, wat in het woordenboek staat als alternatief voor zwartwerker…

Advertentie van Bunschoten & De Gooier in ~1880, en rechts een advertentie uit het Utrechts Nieuwsblad van 11 Jan 1911 waarin het bedrijf om een grootwerker of zwartwerker vraagt

In 1940 staat ingeschreven mevr G De With. Er staan meer dan 20.000 hits van mensen met de achternaam De With in het Utrechts archief, het is niet goed mogelijk precies te bepalen wie dit is geweest.

Maliesingel 61

De huizen Maliesingel 61 en 62 werden tegelijk gebouwd. De bouwtekening werd voor het eerst aangeboden in 1876; wanneer precies met de bouw werd begonnen wordt niet genoemd. De bouwtekening wordt bij 62 getoond.

De eerste bewoners zijn geweest Leonardus Roosenburg (Waalwijk 31.05.1858 – Ermelo 14.07.1954) met zijn vrouw Juliana Louisa Hoeffelman (Paramaribo 08.02.1865 – Bussum 19.04.1932) en hun inwonende dienstbode Margaretha Van Rooijen (Cothen 22.08.1859). Leonardus was luitenant ter zee; Juliana was de dochter van een eigenaar van een cacaoplantage Frederiksdorp in Suriname en deze had bovendien onroerend goed in Paramaribo, en delen van een goudmijn. Ze vertrokken weer naar Amsterdam in zomer 1890. Ze kregen pas na het verhuizen kinderen.

De directeurswoning van de plantage in Frederiksdorp vroeger en nu, waar Juliana Hoeffelman woonde (bron: www.suriname.nu).

In dezelfde zomer van 1890 kwam de familie Kluit: Marie Ephraim Bartholomeus Johannes Kluit (Leiden 17.08.1858 – Utrecht 18.04.1906) met zijn vrouw Anna Elisabeth (“Lili”) de Clercq (Amsterdam 12.02.1867 – Utrecht 05.02.1930). Er werden  twee kinderen aldaar geboren: Ephraima Bartha Johanna Kluit (Utrecht 04.10.1891 – Lochem 08.02.1966), en Anna Kluit (Utrecht 21.07.1893 – Utrecht 15.04.1919). Het gezin verhuisde later, in 1895, naar Maliesingel 57. Waar ze nog een dochter Louise Marguerite Kluit (Utrecht 10.03.1899) en Marie Elisabeth “(Lili”) Kluit (Utrecht 14.02.1903 – Deventer 03.02.1977) kregen. Marie was luitenant ter zee, en werd later onderdirecteur van de KNMI maar was inmiddels gepensioneerd. Hij was een directe afstammeling van Adriaan Kluit, de hoogleraar geschiedenis die bij de ramp met de kruitboot van 1807 bij het Rapenburg in Leiden omkwam. De “achter-achter-achterappel” viel niet ver van de boom: Lili jr werd archivaris en historica, vervolgens handschriften-specialist, maar werkte vooral aan het Réveil Archief in Amsterdam dat mede opgericht werd om het familie archief van haar moeder over de familie De Clerck in de Réveilbeweging te behouden. Lili sr was de kleindochter van Willem de Clercq uit deze beweging, en had eerder zelf ook al aan dit archief gewerkt. De Réveil beweging was een internationale opleving van het gereformeerde denken en handelen. In Nederland leefde en deels leeft het besef door in allerlei geledingen en organisaties, inclusief de AntiRevolutionaire Partij en Christelijk Historische Unie. Zus Louise werd arts, en werd longarts die zich specialiseerde in tuberculose. Dat laatste werd met name ingegeven door het feit dat haar zus Anna op 25-jarige leeftijd hieraan overleden was. Ze werd de directeur van het Haags Sanatorium dat in Scheveningen aan de Doorniksestraat bij de duinrand lag, maar in WOII, in 1942, verhuisde het omdat de kustlijn bewaakt moest kunnen worden naar Huis Verwolde in Lochem. Het had geen last van de bezetters, en kon ook verzetswerk doen, wellicht mede vanwege de panische angst die Duitsers hadden voor infectieziektes.

Lili Kluit (bron: Biografisch Woordenboek Nederland) en haar zus Louise Kluit in 1943 (bron: www.hglochem.nl).

De volgende die er kwamen wonen waren Hendrik Gerardus Wilhelmus Plantenga (Katwijk 04.11.1857 – Utrecht 16.10.1938), zijn vrouw Anna Elisabeth Plantenga (Wageningen 30.10.1855 – Utrecht 11.04.1929). Hendrik functioneerde eerst als officier van gezondheid bij de landmacht, en werd later oogarts; hij was werkzaam in het Ooglijdersgasthuis. Hij bleef erg lang wonen op nummer 61, tot ongeveer 1930, dus 35 jaar!

Daarna kwam Arnold Melchior Peter Rocholl (Utrecht 31.07.1889 – Utrecht 01.11.1966). Hij was vanaf 1912 leraar wis- en natuurkunde aan de Gemeentelijke HBS aan de Catharijnesingel 62. Zijn bijnaam was Rocheltje. Hij schreef een boek (?proefschrift) met als titel “Kenmerkende getallen voor een viervoudige oneindig lineair stelsel van algebraïsche vlakke krommen”. Voor de liefhebber: het is downloadbaar. Hij woonde er samen met zijn zus Jacoba Helena Elisabeth Rocholl (Utrecht 05.07.1893 – Oosterbeek 23.04.1968), die lerares Engels en Frans was aan de “Meisjesschool”.

Het lerarencorps en de leerlingen van de Gemeentelijke HBS in 1938; Arnold Rocholl is de 8e van links van de leraren.

Nummer 61 is later onderdeel geworden van de Nikola kommuniteit (zie Maliesingel 63 en 64), en is nu woonhuis.

Maliesingel 62

Zoals zo vaak is het door de verschillende hernummeringen niet eenvoudig de eerste bewoners te vinden. Het is daarom moeilijk zeker te zijn van de originele bouwtekening, maar ik vond een bouwtekening uit 1876 van een huis dat aan de Maliesingel gebouwd moest gaan worden en er sterk op lijkt:

Bouwtekening uit 1876 van het huidige Maliesingel 62

In augustus 1888 woonde op (wat toen heette) Maliesingel 37 de familie Winsheijm. Maliesingel 37 werd hernummerd tot Maliesingel 52 en later weer tot het huidige Maliesingel 62. Dirk Willem Winsheijm (Den Haag, 14.12.1858 – Voorburg 05.06.1918) woonde er met zijn echtgenote Johanna Moonen (Arnhem 23.04.1859 – Arnhem 1902) en dochter Johanna (Leeuwarden 22.09.1882 – Zeist 29.01.1951). Hun inwonende dienstbodes waren Aletta Hardeman (Ede 22.01.1882) en Geertruida van Erven (Utrecht 12.11.1884) . De familie verhuisde naar de Poortstraat 12  op 1 mei 1901 en woonde later in Zeist. Dirk was een bekend fotograaf, die ook in overzichtsboeken over de Nederlandse fotografie genoemd wordt. Hij werkte van 1881 tot 1888 in Leeuwarden (met in 1885 een uitstapje naar Huizen) en kwam daarna naar Utrecht. Hij liet in 1988 al een fotoatelier in zijn tuin aanleggen. Je kon bij hem een dozijn “pasfoto’s” krijgen voor 3 gulden. Ze hadden een hoge kwaliteit (“gegarandeerd geen gele verkleuringen”):

Voorbeeld van een foto van Dirk Willem van Winsheijm

Hij noemde zichtzelf heraldisch fotograaf.  Het was ook wel te zien aan de achterkant van elk van zijn foto’s, waar hij dit afbeeldde:

Achterkant van een foto van November 1898 uit het atelier van Dirk Willem van Winsheijm (uiteraard alles in het Frans…): Photographie Instantanée. Peintre et Photogr. Artiste. Malie Singel 52, b h Oosterspoor. Heraldisch Kunstatelier. Specialiteit in Vergrootingen, nieuwe methode. Levensgroote portretten in oliverf en Pastel (volledige uitleg in Anton C Zeven, Heraldisch Tijdschrift 2012;18:81-82)

Toch moet zijn zaak niet zo goed zijn gegaan, want als hij in 1904, nadat zijn eerste vrouw in 1902 overlijdt, hertrouwt hij met Agatha Doorman (Gorcum 09.01.1866), en laat hij bij zichzelf als beroep aantekenen wijnhandelaar.

Daarna op 3 juni 1901 weduwe Jeanette Van Rossum (Utrecht 28.04.1838 – Utrecht 31.12.1913) die sinds 27.11.1861 getrouwd geweest was met Pieter van Koppenhagen (Utrecht 23.07.1892) met zoon Willem (Utrecht 19.12.1866; men geeft aan dat hij koopman is) en dochter Elisabeth (geen beroep aangegeven; Utrecht 19.12.1867). Zij kwamen uit de Tolsteegsingel oz 11. Er staan maar liefst 15 dienstbodes vermeld die tussen 1901 en 1908 bij hen werkten: wellicht waren het moeilijke mensen.

Daarna kwam een serie bewoners waarvan relatief weinig terug te vinden is. Willem Lodewijk Begemann (Nuenen 02.11.1867 – Den Haag 09.09.1940) die tot 1924 bij het spoor werkte. Hij was getrouwd met Jeannette Canter Visscher (Serang [Oost Indie] 15.01.1874 – Den Haag 05.06.1952). De familie Canter Visscher heeft generaties lang op Java gewoond maar kwam van oorsprong uit Friesland.  Daarna woonden er A van de Ven en EH van de Ven; ik denk dat het vader en dochter of broer en zus waren maar ben niet zeker. “EH” was lerares Frans; ik vond dat ze werkte aan de Gemeentelijke HBS voor meisjes aan de Wittevrouwenkade 4, tot tenminste 1968. Maar andere gegevens zijn met een zo veel voorkomende achternaam, zonder voornaam, niet te achterhalen. De laatste is  wel zeker: dat was Johannes Jacobus Voorzaat (Utrecht 13.05.1880 – Utrecht 31.01.1951) geweest zijn, die getrouwd was met Anna Jacoba van Buuren (Utrecht 24.03.1879 – Utrecht 13.05.1960). Ook hun dochter Johanna (“Annie”) Jacoba Voorzaat (Utrecht 16.09.1912 – Utrecht 08.09.1955) woonde bij hen, met man Hermanus Hendrikus van Oostrum (Utrecht 23.05.1914) en hun kinderen. Johannes is handelsreiziger geweest. De familie woonde er tenminste tot 1951.

Ook nu is Maliesingel 62 een woonhuis, en er is een organisatie adviesbureau gevestigd.

Maliesingel 62 in April 1973.

Maliesingel 63

Het huis dat we nu kennen als Maliesingel 63 is samen met Maliesingel 64 waarschijnlijk het oudste huis in onze buurt. De bouwtekening werd in 1876 door de gemeente goedgekeurd:

Bouwtekening van Maliesingel 63 en 64 uit 1876

De eerst geregistreerde familie is de familie Van Kuijk: Leonard Cornelis van Kuijk (Delft 13.06.1855 – Den Haag 12.06.1934), zijn vrouw Johanna Petronella Christine Henriette van Reede tot Ter Aa (Loenen 27.03.1855 – De Bilt 21.09.1942) en hun zoon Johannes (“Jan”) Pieter Christiaan van Kuijk (Utrecht 23.04.1889 – Renkum 14.08.1971) en twee inwonende dienstbodes, Jansje Koense (Utrecht 23.08.1859) en Henriette Petronella Van Wijde (Ede 17.05.1869). Later werd er nog geboren hun dochter Agatha Henriette Charlotte Marie van Kuijk (Utrecht 24.07.1891). Zoals de naam al aangeeft was Johanna van adel: barones. Leonard was eerste luitenant van de artillerie en zou later kapitein worden. Ze verhuisden in voorjaar 1893 naar de  Plompetorengracht 33. Van daar uit lieten ze voor zichzelf een huis bouwen: Maliesingel 47. De familie wordt daar verder beschreven.

Daarna, mei 1893, kwam de familie Seeuwen: Karel Willem Philip Seeuwen (Maastricht 12.07.1841 – Utrecht 17.06.1894), zijn vrouw Antonia Elisabeth Nortier (Goes 01.06.1845 – 1930) en hun kinderen Caroline Wilhelmina Philippa (Haarlem 06.03.1869), Maria Cornelia (Den Haag 13.07.1872), Jacobus Johannes Samuel (Den Haag 13.05.1874), Wilhelmina (Den Haag 19.11.1878), Marius Anton Eliza (Grave 25.12.1881), Johan (Grave 20.07.1883), Jenny Carolien (Nijmegen 12.01.1888). Later voegden zich nog bij hen Karel Anton Eliza (Grave 28.05.1876), en Adriaan Marius Cornelis (Grave 23.12.1870). Ze vertrokken weer in oktober 1894, naar de Abstederdijk 183. Vader Karel was majoor, en Adriaan was 2e luitenant. De naam Seeuwen wordt ook wel geschreven als Seeu of Zeeu of Zeeuw, en wijst er op dat de oorsprong is dat men afkomstig is uit Zeeland. De familie Nortier is een bekende Zeeuwse familie waarin veel chirurgijns en artsen voorkomen.

In oktober 1894 arriveerde de familie Dagevos: Bernardus Willem Frederik Dagevos (Rhijnsburg 29.03.1840 – Den Haag 31.08.1928), zijn vrouw Wilhelmina van Brederode (Oegstgeest 26.07.1847 – Den Haag 10.07.1932), en hun kinderen Geertruida Wilhelmina (Rhijnsburg 26.10.1868), Bernardus Willem Frederik (Rhijnsburg 30.09.1870 – Wassenaar 22.09.1953), Frans (Rhijnsburg 07.01.1872 – Wassenaar 29.04.1953), Alida Margaretha (Rhijnsburg 25.10.1878), Johan (Rhijnsburg 14.08.1879 – 1950), Wilhelmina (Rhijnsburg 25.11.1880 – 1931), Mietje Jeanette (Rhijnsburg 17.10.1883), en Cornelis (Rhijnsburg 12.06.1890). Bernardus sr was eerst getrouwd geweest met Hendrika Boze (Amsterdam 01.01.1835 – Rhijnsburg 12.06.1866) met wie hij ook twee kinderen kreeg. Inclusief enkele jong overleden kinderen kreeg ij 14 kinderen. R(h)ijnsburg ligt vlak bij Katwijk en is bekend van de bloembollenteelt.  Bernardus sr was arts, Bernardus jr en Frans waren destijds medisch student. Frans werd huisarts, waarschijnlijk in Hilversum, Bernard jr werd huisarts in Valkenswaard waar hij meer dan 50 jaar dat vak uitoefende.

Links de familie van Bernard Dagevos jr in 1920 (zijn vrouw zou dat jaar overlijden), rechts de villa Robijnenhof die hij liet bouwen en waar hij 53 jaar woonde.

Daarna woonden er mevr Christina van Harencarspel (Voorschoten 07.10.1835) met haar dochters Adriana (Rotterdam 21.03.1866) en Johanna (Rotterdam 24.01.1874) Scheuer, beiden ongehuwd. De familienaam Harencarspel is vooral bekend in Beverwijk en omgeving waar velen er woonden en werkten. Karspel is een verbastering van Kerspel, wat een oude benaming is voor een parochie; Hare komt van Hering, wat ‘vrij gebied’ betekent. Rond 1925 werd er een terp opgeworpen nabij Tuitjenhorn in Noord-Holland, waarop een kerkje werd gebouwd. Het kwam onder zeggenschap van de Heren van Egmond die het een vrij gebied verklaarden. Harenkarspel is een gemeente geweest tot 2013 toen het opging in de gemeente Schagen. Er is vroeger wel gedacht dat Hering een verbastering was van Heringc, d.w.z. haring, wat maakte dat men in het gemeentewapen drie haringen zette. Christina is geboren in Voorschoten als dochter van een predikant, en was pas in oktober 1899 weduwe geworden van Willem Scheuer (25.11.1825-29.10.1899). Adriana was onderwijzeres. Hun dienstbode Maria Willems (Sittard 01.06.1876) woonde bij hen in. De precieze datum waarop ze er kwamen wonen werd niet genoteerd, wel dat ze op 2 februari 1900 vertrokken naar Waldecklaan 10 in Hilversum, en hun dienstbode ging mee. Christina overleed op 12 juni 1905.

De volgende bewoner was de familie Begeer. Ze waren familie van de familie Begeer die de Utrechtse Fabriek van Zilverwerken beheerde en later samen met Van Kempen de Koninklijke Van Kempen en Begeer vormde. Ze werkten er ook maar ze waren er niet de eigenaar van. Vader Cornelis (Utrecht 17.04.1869) woonde er vanaf 12 mei 1900 met zijn vrouw Johanna Cockuyt (Rotterdam 10.02.1872; geboren in Rotterdam maar ongetwijfeld ervoor uit Vlaanderen afkomstig: de naam komt in Oostende veel voor), en hun kinderen Carel Joseph (Utrecht 09.02.1896), Jacobus (Utrecht 11.12.1897) en Margaretha (Utrecht 31.01.1899). Hun dienstbode is Alida Renes (Utrecht 27.12.1876), die al bij hen werkte toen ze nog aan de Kromme Nieuwe Gracht 44 woonden. Na 6 maanden verhuisde het hele gezin naar Davos en kwamen vrolijk na een half jaar er weer terug. Alida ging niet mee naar Davos maar terug naar de Daalsedijk 41. Na de terugkeer van de familie kwam ze direct weer in dienst. Na 2 jaar verhuisden ze allemaal weer naar Predikheren Kerkhof 5.

Daarna woonde er 6 jaar de familie Viervant: Helena (Amsterdam 03.02.1837), dochter Helena Boot (Elst 07.10.1871) en zoon Jan Boot (Elst 31.05.1877). Ze hadden in die tijd 5 verschillende dienstbodes, waarvan er een, Hendrika Van der Heijden (De Bilt 18.07.1882), ervoor woonde in de Johan de Wittstraat 2. De familie Viervant is een familie met veel architecten, meubelmakers en steenhouwers. Het bekendst zijn  de Ovale Zaal in het Teylersmuseum en het Teylershofje in Haarlem.

De ovale zaal in het Teylersmuseum en het Teylershofje, twee creaties van de opa van Helena Viervant

Daarna woonde er eerst vele jaren een inspecteur van de Spoorwegen, Willem van der Gulden (Utrecht 13.11.1852 – 30.07.1936),  gehuwd met Hendrika Vermeulen (Utrecht 10.04.1861 – 20.06.1949), met hun zoon Josephus (Utrecht 18.02.1896; hij werd later leraar en trouwde met Alide van Harte, woonde en werkte in Enschede en overleed in 1959), en hun dienstbodes Maria van den Oudenalder (Utrecht 24.10.1890) en Gerritje Smit (Utrecht 26.04.1892). De familie had net voor hun verhuizing hun dochter Johanna verloren, op de leeftijd van 15 jaar.

Daarna heeft er zeer veel jaren gewoond Izak Koppel (Zutphen 01.10.1879-24.07.57) en zijn vrouw Reintje Van der Hoeden (Utrecht 16.10.1884-02.10.1971): ook in het adresboek van 1940 staat hij nog als bewoner genoemd. Hij staat te boek als handelsreiziger en moet daarin wel erg succesvol geweest zijn, om zo’n groot en duur pand te kunnen bewonen. Ze kregen 4 kinderen tussen 1911 en 1919.

Later kwam een deel van de Nikola Kommuniteit wonen op nummer 63. Meer details daarover staan bij nummer 64 vermeld.

Maliesingel 64

Maliesingel 64 is samen met Maliesingel 63 gebouwd; de bouwtekening wordt bij nummer 63 gegeven.

De eerst geregistreerde familie is de familie Bilderdijk. Het is tegelijk de familie die er is blijven wonen tot minstens 1930 (waarschijnlijk tot 1936), dus meer dan 40 jaar. De ingeschrevenen zijn geweest Agatha Wilhelmina Bilderdijk (Amsterdam 05.11.1823 – Wageningen 27.03.1903), weduwe van Gilles De Meijer (Rotterdam 06.01.1790 – Den Haag 23.01.1867), en haar dochter Agatha Wilhelmina Maria De Meijer (Gouda 10.05.1857 – Arnhem 08.08.1934) met hun inwonende dienstbode Grietje van der Heijden (Ede 10.06.1877). Agatha sr was na het overlijden van haar man hertrouwt met Pieter Martinus Johannes Kamerling (Rotterdam 23.03.1826 – Rotterdam 10.10.1910) maar was drie jaar erna al weer van hem gescheiden. De achternaam van de familie was veranderd in Bilderdijk De Meijer in 1867. Gilles de Meijer was kunstschilder geweest, vooral van miniaturen, en werd ook lid van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten.

Twee miniaturen geschilderd in 1831 door Gilles de Meijer (bron: www.rkd.nl)

Agatha sr schilderde ook, vooral stillevens en landschappen. Ze is familie van Willem Bilderdijk, de geschiedkundige en taalkundige maar ook advocaat en dichter waarvoor binnen de VU in Amsterdam een apart museum bestaat.

Agatha Bilderdijk sr.

Dochter Agatha huwt in 1900 met de commissaris van politie in Wageningen, Willem Theodorus van Griethuysen (Terwolde 17.08.1855). Moeder en dochter bleven tot januari 1900 er wonen, toen kwam haar zoon Adriaan Lodewijk Rudolph Bilderdijk De Meijer (Utrecht 23.01.1855 – Utrecht 25.08.1928) er wonen, met zijn vrouw Arnolda van Beukering (Wageningen 26.09.1859 – Utrecht 27.05.1936), en een telkens wisselende groep aan inwonende dienstbodes. Adriaan was directeur van de Utrechtse Bankvereeniging die ook wel Nationale Bankvereniging (NaToBank) werd genoemd.. Die was gesticht in 1887 met een startkapitaal van 2 miljoen gulden. Later werden aandelen uitgegeven waardoor de bank nog aanzienlijk groeide. In 1920 werd de bank samengevoegd met de Zuid-Nederlandsche Handelsbank, in 1929 werden ze geïntegreerd in de Rotterdamse Bankvereniging, dat zijn naam in 1947 wijzigde in de Rotterdamse Bank. In 1964 volgde de fusie met de Amsterdamse Bank, wat de AMRO bank werd.

Links het kantoor van de Nationale Bankvereeniging aan het Vredenburg 26 in 1917, rechts een aandeel zoals dat rond 1920 werd uitgegeven (bron: Utrechts Archief)

In 1940 staat ingeschreven K Dijkstra, als oud-district bouwkundige. Helaas is het niet na te gaan wie hij precies geweest is zonder meer gegevens. Later, begin jaren 50, vestigde zich er tandarts L Kalden. Hij was ook degene die een praktijkruimte zou bouwen naast zijn huis waar een aantal tandtechniker werkten. In 1997 is op ontwerp van Kees Regtop en Inez Ligtvoet er een kapel gebouwd, ten delen gebruik makend van het onderste deel van de tandartsenpraktijk. De kapel wordt door sommigen wel de kardinaalsmuts genoemd.

Maliesingel thv de spporwegovergang naar de Zonstraat met de tandartsenpraktijk naast nummer 64.

De kapel werd gebouwd ten behoeve van de Nikola Kommuniteit, genoemd naar Sint Nicolaas. De kommuniteit is gesticht in 1964  door drie protestantse studenten die een oecumenische woongemeenschap wilden stichten. Aanvankelijk woonden ze op de Oude Kamp, en met verkoop van dat pand kon Maliesingel 63 en 64 gekocht worden. Later werden ook Maliesingel 59 en 61 aangekocht. Een van de leden van de kommuniteit heeft toegezegd later meer info toe te voegen over hun manier van leven en werken. Geleidelijk aan is het aantal bewoners (ooit woonden er 17 mensen , met daarbij nog een flink aantal logé’s) afgenomen, en daarom zullen Maliesingel 63 en 64 verkocht gaan worden. Het is nog niet bekend wat er met de kapel zal gebeuren.